Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6753

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
02-800357-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:382, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval in de Goirkestraat te Tilburg. Verdachte wegens medeplegen veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte niet zelf ter plaatse is geweest, maar wel bij zowel de voorbereiding als uitvoering betrokken was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800357-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [plaats en datum]

wonende te [adres]

raadsman mr. Schadd, advocaat te Arnhem

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 november 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen om € 100.000,= af te geven en/of met geweld € 100.000,= van die [slachtoffer 1] heeft gestolen waarbij die [slachtoffer 1] een oog heeft verloren;

feit 2: een geweer en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan.

Naar de mening van de officier van justitie staat op grond van de aangiften vast dat er een professioneel voorbereide overval heeft plaatsgevonden, waarbij grof geweld is gebruikt en € 100.000, = is buitgemaakt. De officier van justitie ziet verdachte als medepleger van dit feit (feit 1) en baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte, dat hij wist dat het de bedoeling was de Duitsers hun geld afhandig te maken, waarbij mogelijk klappen zouden vallen. Ook baseert hij zich op de aangiftes van de slachtoffers, de resultaten van het DNA-onderzoek en de analyse van de telefoongegevens.

De vraag of verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik van het vuurwapen beantwoordt de officier van justitie bevestigend. Hij is van mening dat vaststaat dat de kogel die [slachtoffer 1] heeft geraakt is afgevuurd door één van de overvallers. De officier van justitie komt tot deze conclusie op basis van de negatieve uitslag van het zogeheten schiethandenonderzoek dat bij de Duitsers is gedaan, het feit dat er geen huls ter plaatse is aangetroffen en de verklaring van medeverdachte [mededader 1], dat medeverdachte [mededader 2] ten tijde van de overval gewapend was met een vuurwapen.

Volgens de officier van justitie kon en moest verdachte weten dat de vijf Duitsers niet zomaar € 100.000, = zouden afgeven. Het is logisch dat zij zich zouden verzetten, waardoor de feitelijke overvallers zware middelen, zoals een vuurwapen, zouden moeten inzetten. Op basis hiervan is er volgens de officier van justitie sprake van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte.

De officier van justitie baseert zich voor de bewezenverklaring van feit 2 op het proces-verbaal van het aantreffen van het wapen en de munitie, de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van dit feit en het proces-verbaal van het onderzoek naar het wapen en de munitie, waaruit blijkt dat deze onder de Wet Wapens en Munitie vallen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen.

Naar de mening van de verdediging kan niet bewezen worden dat er sprake is van afpersing, omdat niet tot afgifte van het geld is gedwongen.

Ook voor het gepleegde geweld is volgens de verdediging geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Er is immers nog altijd niet bekend, wie er geschoten heeft en het valt niet uit te sluiten dat één van de Duitsers zelf geschoten heeft. Ook andere alternatieve scenario’s zijn niet uit te sluiten. Op basis van de verklaringen van de Duitsers staat vast dat verdachte zelf in ieder geval geen geweld gepleegd heeft. Verdachte had mogelijk opzet gericht op een vorm van oplichting, maar niet op geweld. Hij was niet op de hoogte van het gebruik van geweld en dus ook niet van de mogelijke gevolgen daarvan. Er kan dus ook niet bewezen worden dat hij wist dat er pepperspray gebruikt zou worden. Voor zover al gesteld kan worden dat verdachte had kunnen weten dat er geweld gebruikt zou worden, omdat niemand zijn geld vrijwillig laat afnemen, heeft de verdediging gesteld dat specifiek ten laste is gelegd dat het geweld zou hebben bestaan uit het schieten en het spuiten van pepperspray en er kan niet bewezen worden dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad of zich dat van tevoren had moeten realiseren.

Tot slot heeft de verdediging gesteld dat er geen objectieve bewijzen zijn waaruit de diefstal blijkt, terwijl de Duitsers een motief hebben om te roepen dat zij bestolen zijn, waardoor ook dit onderdeel van feit 1 naar de mening van de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdediging verzoekt vrijspraak van feit 1.

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op 28 januari 2010 ontving de meldkamer van de politie te Tilburg diverse meldingen vanuit de [straatnaam] te Tilburg. Één melding was afkomstig van een omstander. Hij vertelde de meldkamer dat hij slachtoffers in paniek zag rondlopen en dat bij één van de slachtoffers een oog eruit lag. Ook één van de slachtoffers belde met de meldkamer en verklaarde dat zij ‘gerade überfallen worden’ waren. Hij verklaarde dat de overval plaatsvond in een pand aan de [straatnaam], dat de overvallers een pistool bij zich hadden en met pepperspray gespoten hadden.

De politie ging ter plaatse en werd door 2 van de slachtoffers aangesproken. Zij vertelden de politie in het Duits dat er een overval had plaatsgevonden in het pand aan de [straatnaam] 82 te Tilburg. Zij verklaarden ook dat zij voor de tweede keer naar Nederland waren gekomen om zaken over koper te doen, waarvoor zij € 100.000, = aan contant geld hadden meegenomen. Er zouden 4 of 5 mannen met bivakmutsen in het pand zijn geweest.

Andere verbalisanten zagen een gewonde man, die terug het pand in wilde gaan. Toen zij de man daarvan weerhielden, stapte hij weer in de ambulance. Één van de verbalisanten zag dat bij de gewonde man zijn rechteroog ontbrak. Een ander slachtoffer, dat zich legitimeerde als [slachtoffer 2] en met pepperspray was bespoten, werd langdurig met water gekoeld. Één van de verbalisanten merkte op dat het langer duurde dan normaal gesproken om [slachtoffer 2] te koelen.

In het St. Elisabeth Ziekenhuis werd de man met het oogletsel behandeld. De behandelend chirurg deelde de verbalisanten mee dat de wond boven het rechteroog van het slachtoffer een schotwond betrof. Het projectiel was door het oog gegaan en had vervolgens de kaak op diverse plaatsen verbrijzeld. Hierna was de kogel direct naast de halsslagader blijven zitten. Een spoedoperatie was noodzakelijk, omdat de kaak anders zou kunnen gaan zwellen. De ademhaling van het slachtoffer zou daardoor belemmerd kunnen worden, waardoor het slachtoffer zou kunnen overlijden. Ook was er een reële kans dat het slachtoffer aan een zijde van het lichaam verlamd zou kunnen raken door de beschadiging van de binnenzijde van zijn slagader.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] hebben aangifte van deze overval gedaan.

[slachtoffer 2] verklaarde dat zij op 21 januari 2010 ook al in het kantoor van [alias verdachte]s in Tilburg waren geweest om koper te kopen. Zij hadden toen ook al contant geld bij zich. [alias verdachte]s had toen een geldtelmachine in zijn kantoor staan. Er was ook een secretaresse, die hen koffie gaf. Die koffie smaakte totaal niet, waardoor zij die koffie niet opgedronken hadden. Ook slachtoffer [slachtoffer] verklaarde dat zij een week eerder al voor 15000 kilo koper naar Tilburg waren gereden. Zij lieten daar hun koffie staan, omdat het leek alsof er zout in was gedaan. Hij verklaarde dat [alias verdachte]s hun geld, € 70.000, =, telde. Nadat het geld geteld werd, kregen zij 2 valse adressen waar zij het koper zouden kunnen laden. Toen zij deze adressen niet konden vinden, zijn zij terug naar Duitsland gereden. Zij hadden nog enkele malen telefonisch contact met [alias verdachte]s, die zei dat de kopers in één keer 75 ton koper af moesten nemen en vertelde dat men uit angst voor beroving eerst zekerheid wilde hebben.

Hierna werd afgesproken dat zij 25 ton koper af zouden nemen voor € 100.000, =. Hiervoor gingen zij, [slachtoffer 2], [slachtoffer 5], [slachtoffer 1], [slachtoffer] en [slachtoffer 3], op 28 januari 2010 wederom naar Tilburg.

[slachtoffer 3] verklaarde dat zij op 28 januari 2010 inderdaad weer in het kantoor van [alias verdachte]s zaten. Zij hadden de € 100.000, = conform afspraak contant bij zich. [alias verdachte]s telde het geld, deed het in een cassette en sloot die cassette af. [slachtoffer 1], de man die zijn oog verloren heeft, hield de cassette bij zich en [alias verdachte]s de sleutel. [slachtoffer 1] heeft de cassette met geld onder zijn jas gestopt in het kantoor van [alias verdachte]s. De cassette was niet zichtbaar toen hij de gang op liep. Toen zij het kantoor uitliepen sprongen er mannen uit de ruimte ernaast tevoorschijn. Zij spoten met pepperspray en er werd geschreeuwd. [slachtoffer 3] en [slachtoffer] zijn toen teruggegaan naar het kantoor van [alias verdachte]s en hebben zich daar verschanst. [slachtoffer 3] heeft een overvaller, die probeerde het kantoor in te komen, nog getrapt. Hij hoorde en zag dat [slachtoffer 1] gevochten heeft en één van de overvallers wegtrapte. Hij hoorde schoten en is daarna met [slachtoffer] door het raam naar buiten gevlucht. Buiten hoorde hij [slachtoffer 1] roepen dat hij zijn oog kwijt was en dat hij zijn kaak had gebroken.

[slachtoffer 1] zelf verklaarde dat [alias verdachte]s de sleutel van de geldkist bij zich hield om er zeker van te zijn dat zij geen vals geld in de geldkist zouden kunnen doen. Hierna zei [alias verdachte]s dat hij nog iets voor [slachtoffer 1] en zijn collega’s had, waarna hij de ruimte verliet. Ongeveer 10 seconden later kwamen de 4 of 5 overvallers aanlopen. [slachtoffer 1] vocht met hen om de geldkist te beschermen. Op een bepaald moment viel de geldkist op de grond. [slachtoffer 1] bukte om de geldkist op te pakken, waarna hij beschoten werd en in zijn oog geraakt werd. [slachtoffer 1] verklaarde voorts: “eine paar sekunden später merkte ich einen Schmerz und sie nahmen die Kassette und flüchteten.”

Omdat niet bekend werd wie de schutter was, is bij de slachtoffers een zogeheten schiethandenonderzoek uitgevoerd. Hieruit heeft het NFI geconcludeerd dat er geen relatie tussen de Duitsers en het schietproces kan worden vastgesteld.

[slachtoffer 2] overhandigde na de komst van de politie aan een verbalisant een geplastificeerde visitekaart en zei dat dit de man was met wie zij een afspraak op de [straatnaam] hadden. Op de visitekaart stond de naam [alias verdachte]s, [straatnaam] 82 5046 GN Tilburg, [telefoonnummer]. Hierboven stond [naam bedrijf].

Het telefoonnummer op het visitekaartje, [telefoonnummer], bleek in de periode van 11 januari 2010 tot 28 januari 2010 voornamelijk contact te hebben met twee nummers van de Duitse slachtoffers en met het nummer [telefoonnummer]. Beide nummers bleken in januari 2010 gebruik te maken van onder andere zendmasten in Druten en Beneden-Leeuwen. Het nummer [telefoonnummer] bleek in gebruik te zijn bij verdachte.

Verdachte bekende dat hij zich had uitgegeven voor [alias verdachte]s en verklaarde dat hij de enige was die de slachtoffers gezien hebben. Hij was verrast door het feit dat de slachtoffers met 5 man kwamen en verklaarde dat als zij met zijn drieën geweest waren hun geld wel weggeweest was, maar dat dit dan niet gebeurd zou zijn. Verdachte verklaarde dat hij de bui al zag hangen en wist dat het een risico zou worden en dat er geen koper zou zijn en er dus niet aan de slachtoffers geleverd zou worden. Het scenario was volgens verdachte als volgt. De Duitsers zouden met het geld komen. Hij zou het geld tellen en daarna zou hij weggaan en zouden er mensen binnenkomen die het geld van de Duitsers af zouden pakken. Hierbij zouden er misschien een paar klappen vallen.

Hij verklaarde dat hij op 28 januari 2010 het geld in het kantoor in Tilburg had geteld. Vervolgens had hij de sleutel van het geldkistje in zijn zak gestopt en gezegd dat hij nog even een cadeautje voor de slachtoffers zou gaan halen. Dit laatste had hij gezegd omdat hij anders ook geen manier meer wist om daar weg te komen. Hij verklaarde dat als er maar 3 man geweest waren, er misschien wel een klap gevallen was, maar niet meer dan dat. Verdachte heeft deze verklaring gehandhaafd tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

Verdachte [mededader 1] verklaarde dat hij na de overval van verdachte [mededader 2] vernam dat op het moment van de overval verdachte, [mededader 2] en een secretaresse in het pand aan de [straatnaam] 82 aanwezig waren. De secretaresse zorgde voor de koffie en verdachte was er om zaken mee te doen. De secretaresse zou slaapmiddel in de koffie van de Duitsers doen, waarna de Duitsers overvallen zouden worden.

Diefstal met geweld

De rechtbank oordeelt op grond van de bevindingen van de politie en de verklaringen van verdachte en slachtoffers dat er sprake is van een diefstal met geweld. Daarbij bestond het geweld uit het spuiten met pepperspray en het schieten met een vuurwapen waardoor slachtoffer [slachtoffer 1] als gevolg van een schotwond in zijn hoofd een oog is verloren.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij het kistje wilde oprapen, waarna hij beschoten werd en de overvallers de cassette met het geld hebben meegenomen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van afpersing, maar van het wegnemen van de cassette en dus van een diefstal.

Alternatief scenario

De verdediging heeft gesteld dat niet vaststaat dat de Duitsers daadwerkelijk overvallen zijn, in die zin dat niet vaststaat dat de overvallers het geld hebben meegenomen.

De rechtbank leidt uit het schiethandenonderzoek af dat de Duitsers niet zelf geschoten hebben. Uit de uitgewerkte gesprekken van de meldkamer blijkt dat er sprake was van paniek bij de slachtoffers. Twee van de slachtoffers hebben het pand via het raam verlaten en één van de slachtoffers was zwaargewond. Zij hadden derhalve geen tijd om het geld te verstoppen en ook het geldkistje is niet meer gevonden. Bovendien verklaart [slachtoffer 1] dat de overvallers het geld hebben meegenomen. Het staat daarmee voor de rechtbank vast dat de Duitsers slachtoffer zijn geworden van een diefstal met geweld.

Voor de ‘friendly fire’-theorie is voorts alleen een de-auditu verklaring van ene [naam] voorhanden. Deze verklaring wordt echter op geen enkele manier ondersteund door overige bewijsmiddelen. De waargenomen paniek bij de Duitsers, de negatieve uitkomst van het schiethandenonderzoek bij de Duitsers en het feit dat bij hen geen wapen is aangetroffen, maken ook dit scenario niet aannemelijk.

Ten aanzien van het schiethandenonderzoek overweegt de rechtbank nog dat zij de zaak niet zal aanhouden voor het horen van een deskundige van het NFI, zoals subsidiair door de verdediging is verzocht – nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.

De mogelijkheid van een derde betrokken partij is niet aannemelijk. Het is onduidelijk hoe een derde partij op de hoogte van deze deal geweest kon zijn en er zijn geen concrete aanknopingspunten voor dit scenario. De rechtbank verwerpt deze optie.

Ook van een ‘inside job’ is de rechtbank niet gebleken. Dit betreft louter speculatie van de zijde van de verdediging.

De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een ripdeal, waarbij er is geschoten door de handlangers van de verkopende partij waartoe verdachte behoorde.

Opzet en medeplegen

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij wist dat er geen koper aan de slachtoffers geleverd zou worden. Hij verklaarde dat er hoogstens wat klappen hadden moeten vallen bij het afhandig maken van het geld. Ter zitting is verdachte op deze verklaringen teruggekomen. De rechtbank gaat echter uit van de verklaringen zoals de verdachte deze bij de politie heeft afgelegd en neemt daarbij in overweging dat deze verklaringen consistent zijn. Bovendien heeft verdachte deze verklaringen ook afgelegd in bijzijn van zijn raadsman en deze verklaringen bevestigd tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

Verdachte wist derhalve op voorhand al dat hij deelnam aan een ripdeal, waarbij mogelijk geweld zou plaatsvinden. Verdachte was betrokken bij de voorbereiding van de zaak door de telefonische en persoonlijke contacten met de latere slachtoffers te onderhouden en bij de uitvoering ervan. Verdachte was immers ter plaatse en wist dat hij de als kantoor ingerichte ruimte snel diende te verlaten, zodat de gemaskerde mannen hun gang konden gaan zonder dat verdachte zelf gevaar zou lopen.

Gelet op de verklaring van verdachte dat hij wist dat er klappen zouden vallen, beantwoordt de rechtbank de vraag of het opzet van verdachte ook op het geweld gericht was, bevestigend.

De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte wist dat de slachtoffers een bedrag van € 100.000, = niet vrijwillig zouden afstaan. De rechtbank wijst in dit kader ook op het feit dat de slachtoffers eerder al met € 70.000, = aan contant geld bij verdachte geweest waren. Volgens de verklaring van [mededader 1] was het de bedoeling om de slachtoffers via koffie met een slaapmiddel te bedwelmen en te bestelen. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de slachtoffers, die verklaarden dat de koffie vreemd en zout smaakte. De slachtoffers hebben de koffie hierdoor niet opgedronken. Dit geeft aan dat verdachte in ieder geval al bereid was de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers door hen te drogeren door koffie met een slaapmiddel, te accepteren. Toen dit niet lukte, heeft verdachte zich niet alleen niet gedistantieerd van de plannen, maar hij heeft zelfs wederom contact met de slachtoffers opgenomen. Verdachte heeft hiermee, naar het oordeel van de rechtbank, aangetoond dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een wapen en pepperspray gebruikt zouden worden. Deze vorm van geweld ligt immers in het verlengde van het inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers middels het drogeren door koffie met een slaapmiddel.

De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een wapen en pepperspray gebruikt zouden worden en heeft daarmee voorwaardelijk opzet op het bij de overval gebruikte geweld gehad.

De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 november 2011 ;

- Het proces-verbaal van doorzoeking in de woning van verdachte ;

- het proces-verbaal van het onderzoek aan een dubbelloops hagelgeweer en scherpe hagelmunitie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 28 januari 2010 te Tilburg, tezamen en in vereniging met

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 100.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/anderen,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

tegen die [slachtoffer 1] en anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken,welk geweld hierin bestond dat verdachte en/zijn mededaders,

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen hebben beschoten en

- die [slachtoffer 1] en/ anderen hebben bespoten met pepperspray,

zulks terwijl voornoemd feit voor voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel

(schotwond in het hoofd en/of verlies van een oog) tot gevolg heeft gehad;

feit 2

hij op 22 maart 2010 te Druten een wapen van categorie III, te weten een dubbelloops hagelgeweer (merk Manu-Arm, typeMini-Super), kaliber .410 en munitie van categorie III, te weten 2 patronen(merk Maionchi) kaliber .410, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gesteld dat alleen feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daarvoor volstaat naar de mening van de verdediging een gevangenisstraf gelijk aan de voorlopige hechtenis. Een gevangenisstraf gelijk aan de voorlopige hechtenis is volgens de verdediging ook afdoende indien ook de kale diefstal van feit 1 bewezen verklaard wordt.

Geheel subsidiair heeft de verdediging gewezen op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ondergeschikte en beperkte rol van verdachte inzake feit 1. De verdediging stelt daarom dat een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan

6 maanden op zijn plaats zou zijn indien ook feit 1 bewezen wordt geacht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft met anderen een overval gepleegd. Bij deze overval is pepperspray gebruikt en met een vuurwapen geschoten. Twee slachtoffers zijn in paniek uit een raam geklommen en één slachtoffer heeft een oog verloren omdat hij in zijn gezicht geraakt werd door een kogel. Bij deze overval is € 100.000, = buitgemaakt door verdachte en zijn mededaders.

De overval was planmatig en grondig voorbereid. Verdachte en zijn mededaders maakten gebruik van een speciaal voor de overval gehuurd pand dat daags voor de overval als kantoor werd ingericht. Ook maakten de verdachten gebruik van een valse identiteit waarvoor zij een vals visitekaartje hadden gemaakt en hadden zij herhaaldelijk telefonisch contact met hun latere slachtoffers. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zowel in de voorbereiding als in de uitvoering een grote rol gespeeld heeft, doordat hij onder andere de contacten met de slachtoffers onderhield. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte zelf niet aanwezig is geweest bij het geweld en niet zelf geschoten heeft.

De overval is voor de slachtoffers traumatisch geweest. Met name voor het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn de gevolgen zeer groot, zoals blijkt uit zijn medische gegevens en slachtofferverklaring. De rechtbank wijst erop dat deze zaak voor [slachtoffer 1] ook dodelijk af had kunnen lopen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers, maar wilde ten koste van de slachtoffers kennelijk snel aan geld komen.

Ook heeft verdachte de Wet Wapens en Munitie overtreden door een vuurwapen met munitie voorhanden te hebben. Ongecontroleerd wapenbezit vergroot de maatschappelijke onveiligheid en brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.

De rechtbank houdt rekening met het bovenstaande en met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank legt verdachte aldus 6 maanden gevangenisstraf minder op dan medeverdachte [mededader 2] nu verdachte niet één van de personen is geweest dit het daadwerkelijke ‘rippen’ voor hun rekening hebben genomen.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 58.000, = en € 5.000, = aan kosten voor rechtsbijstand voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 58.000, = een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 28.000, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden tot heden begroot op € 2.682, = ter zake van kosten rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele procedures gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken (3 punten à € 894,= per punt) wegens opstellen en indienen voegingsformulier en het bijwonen van de zittingen). De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standaardtarief af te wijken. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

De benadeelde partij H. [slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van € 35.000, = voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 30.500, = een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 500, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tijdens de zitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Zijn eigen bijdrage hiervoor bedraagt € 50, =. De rechtbank zal dit bedrag ter zake rechtsbijstandskosten toewijzen en veroordeelt verdachte in de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

De benadeelde partij G. [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 40.667,76 en

€ 5.000, = aan kosten voor rechtsbijstand voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 41.000, = een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 40.000, = ter zake van materiële schade en € 1.000, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden tot heden begroot op € 894, = ter zake van kosten rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele procedures gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken (1 punt wegens opstellen en indienen voegingsformulier). De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standaardtarief af te wijken. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [slachtoffer 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat feit 1 is begaan en voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

8.3 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het voorwerp bij het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten is aangetroffen, terwijl het voorwerpen betreft dat dient tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Het voorwerp behoort aan verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 91, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van

categorie III en munitie van categorie III.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 54 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de inbeslaggenomen bontmuts;

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

6 hoge donkerblauwe tuinstoelen inclusief kussens (nr. 229403)

2 lage donkerblauwe tuinstoelen inclusief kussens (nr. 229405)

1 donkerblauwe gevlochten tuinbank met kussens (nr. 229407)

1 hoge donkerblauwe tuintafel inclusief 2 glasplaten (nr. 229408)

1 lage blauwe tuintafel inclusief glasplaat (nr. 229409);

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

1 zwart geweer MANU ARM inclusief 2 patronen (nr. 264412);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 58.000, =, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 28.000, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- wijst de vordering voor het overige gedeelte af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 2.682, =;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij H. [slachtoffer 5] van € 30.500, =, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 500, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- wijst de vordering voor het overige gedeelte af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 50, =;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij G. [slachtoffer 2] van € 41.000, =, waarvan € 40.000, = ter zake van materiële schade en € 1.000, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- wijst de vordering voor het overige gedeelte af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 894, =;

- wijst de vordering, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige gedeelte af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), € 58.000, =, 154 dagen hechtenis,

- benadeelde partij H. [slachtoffer 5] (feit 1), € 30.500, =, 92 dagen hechtenis,

- benadeelde partij G. [slachtoffer 2] (feit 1), € 41.000, =, 119 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

De voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel voorzitter, mr. Kok en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schroeijers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 december 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Tilburg, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen,

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 100.000 euro, althans

enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die een of

meer anderen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 100.000 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer

anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of zijn mededader(s), althans een aantal van hen, althans een

van hen

- die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer anderen, met een vuurwapen heeft/

hebben beschoten en/of

- die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer anderen heeft/hebben bespoten met

Pepperspray, althans een bijtende en/of irriterende stof

zulks terwijl voornoemd feit voor voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel

(schotwond in het hoofd en/of verlies van een oog) tot gevolg heeft gehad;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2010 te Druten, althans in Nederland, een wapen

van categorie III, te weten een dubbelloops hagelgeweer (merk Manu-Arm, type

Mini-Super), kaliber .410 en/of munitie van categorie III, te weten 2 patronen

(merk Maionchi) kaliber .410, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie