Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6525

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
02-810960-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:379, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval in de Goirkestraat te Tilburg. Verdachte wegens medeplegen veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte één van de overvallers ter plaatse is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/810960-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats en datum],

wonende te [adres]

raadsman mr. Nillesen, advocaat te Den Bosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 november 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen om € 100.000,00 af te geven en/of met geweld € 100.000,00 van die [slachtoffer 1] heeft gestolen waarbij die [slachtoffer 1] een oog heeft verloren.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan.

Naar de mening van de officier van justitie staat op grond van de aangiften vast dat er een professioneel voorbereide overval heeft plaatsgevonden waarbij grof geweld is gebruikt en

€ 100.000, = is buitgemaakt.

Uit telecomonderzoek blijkt volgens de officier van justitie dat medeverdachte [mededader 1] beschikte over een telefoon die speciaal voor deze zaak was aangeschaft. Zowel het privénummer van [mededader 1] als het nummer van die speciale telefoon hadden in de periode voor de overval veelvuldig contact met een telefoonnummer dat eindigt op 7153. Uit het telecomonderzoek blijkt dat steeds nadat [mededader 1] contact had met de latere slachtoffers, dit nummer gebeld werd. Op basis van het telecomonderzoek, de verklaringen van [mededader 2] en medeverdachte [mededader 3], rekent de officier van justitie dit nummer aan verdachte toe.

Ook heeft medeverdachte [mededader 5] zeer belastend over verdachte verklaard. Zijn verklaring wordt ondersteund door onder andere de verklaring van medeverdachte [mededader 3] over de huur van het pand en de verklaring van [getuige 1] over de rode Combo. Op basis van deze verklaringen gaat de officier van justitie ervan uit dat verdachte de beschikking over deze Combo had, terwijl uit de bevindingen van de politie blijkt dat er een rode bestelauto bij de plaats van de overval gezien is. Ook heeft [mededader 3] verklaard dat hij met verdachte in [adres] geweest is. De officier van justitie ziet verdachte daarom als medepleger van de overval.

Ter beantwoording van de vraag of de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik van het vuurwapen, is de officier van justitie van mening dat vaststaat dat de kogel die [slachtoffer 1] heeft geraakt is afgevuurd door één van de overvallers. De officier van justitie komt tot deze conclusie op basis van de negatieve uitslag van het zogeheten schiethandenonderzoek dat bij de Duitsers is afgenomen, het feit dat er geen huls ter plaatse is aangetroffen en de verklaring van medeverdachte [mededader 5] dat verdachte ten tijde van de overval gewapend was met een vuurwapen. De officier van justitie gaat er hierom van uit dat verdachte één van de overvallers ter plaatse is geweest en dus ook opzet op het geweld heeft gehad.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Volgens de verdediging staat niet vast dat het telefoonnummer dat eindigt op 7153 van verdachte is. Gelet op de connecties van medeverdachte [mededader 5] met diverse personen die telefonisch contact hebben gehad met het nummer eindigend op 7153, kan dit telefoonnummer net zo goed van [mededader 5] geweest zijn.

Het enige bewijs tegen verdachte bestaat uit de belastende verklaring van [mededader 5] die aantoonbaar onbetrouwbaar is gebleken en belastend over verdachte verklaard heeft om zichzelf vrij te pleiten. Het enige steunbewijs bij deze verklaring bestaat uit de verklaringen van [getuige 1] en medeverdachte [mededader 3]. Het is echter onduidelijk of zij verklaren uit eigen wetenschap of dat zij slechts verklaren over hetgeen zij uit de media hebben vernomen. Bovendien zijn zij bij de rechter-commissaris teruggekomen op hun eerdere voor verdachte belastende verklaringen.

Ontlastend voor verdachte zijn volgens de verdediging de signalementen van de verdachten die door omwonenden van de [adres] en de slachtoffers zijn gegeven. Verdachte voldoet daar niet aan.

Ook heeft de verdediging aangevoerd dat een alternatief scenario niet uit te sluiten valt. De verdediging heeft hierbij gewezen op de mogelijkheden van ‘friendly fire’, een ‘inside man’ en de inmenging van een derde partij. Doordat deze mogelijkheden reële opties betreffen, bestaat er dermate veel twijfel over wie de overval heeft gepleegd en of deze overval wel heeft plaatsgevonden dat de verdediging van mening is dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Tot slot heeft de verdediging gewezen op de verklaring van medeverdachte [mededader 1], die verklaarde dat verdachte op de dag van de overval niet ter plaatse is geweest. Hieruit kan volgens de verdediging geconcludeerd worden dat er dingen gebeurd zijn die buiten de invloedssfeer van verdachte liggen, zoals het toepassen van geweld. Het gekwalificeerde gevolg, in deze zaak het geweld en het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer [slachtoffer 1], is in dat geval niet ingebakken in het opzet van verdachte.

Op basis hiervan concludeert de verdediging dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling te komen, omdat er alleen de onbetrouwbare en niet ondersteunde verklaring van [mededader 5] als bewijs is, een alternatief scenario niet uit te sluiten valt en niet aangetoond kan worden dat verdachte opzet op het geweld heeft gehad.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De feiten

Op 28 januari 2010 ontving de meldkamer van de politie te Tilburg diverse meldingen vanuit de [adres] Één melding was afkomstig van een omstander. Hij vertelde de meldkamer dat hij slachtoffers in paniek zag rondlopen en dat bij één van de slachtoffers een oog eruit lag. Ook één van de slachtoffers belde met de meldkamer en verklaarde dat zij ‘gerade überfallen worden’ waren. Hij verklaarde dat de overval plaatsvond in een pand [adres] dat de overvallers een pistool bij zich hadden en met pepperspray gespoten hadden.

De politie ging ter plaatse en werd door 2 van de slachtoffers aangesproken. Zij vertelden de politie in het Duits dat er een overval had plaatsgevonden in het pand aan de [adres]. Zij verklaarden ook dat zij voor de tweede keer naar Nederland waren gekomen om zaken over koper te doen, waarvoor zij € 100.000, = aan contant geld hadden meegenomen. Er zouden 4 of 5 mannen met bivakmutsen in het pand zijn geweest.

Andere verbalisanten zagen een gewonde man, die terug het pand in wilde gaan. Toen zij de man daarvan weerhielden, stapte hij weer in de ambulance. Hierop hoorden zij de ambulancemedewerker roepen: “Pepperspray, pepperspray in onze auto”. Één van de verbalisanten zag dat bij de gewonde man zijn rechteroog ontbrak. Een ander slachtoffer, dat zich legitimeerde als [slachtoffer 2] en met pepperspray was bespoten, werd langdurig met water gekoeld. Één van de verbalisanten merkte op dat het langer duurde dan normaal gesproken [slachtoffer 2] te koelen.

In het St. Elisabeth Ziekenhuis werd de man met het oogletsel behandeld. De behandelend chirurg deelde de verbalisanten mee dat de wond boven het rechteroog van het slachtoffer een schotwond betrof. Het projectiel was door het oog gegaan en had vervolgens de kaak op diverse plaatsen verbrijzeld. Hierna was de kogel direct naast de halsslagader blijven zitten. Een spoedoperatie was noodzakelijk, omdat de kaak anders zou kunnen gaan zwellen. De ademhaling van het slachtoffer zou daardoor belemmerd kunnen worden, waardoor het slachtoffer zou kunnen overlijden. Ook was er een reële kans dat het slachtoffer aan een zijde van het lichaam verlamd zou kunnen raken door de beschadiging van de binnenzijde van zijn slagader.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben aangifte gedaan van de overval.

[slachtoffer 2] verklaarde dat zij op 21 januari 2010 ook al in het kantoor van [naam] in Tilburg waren geweest om koper te kopen. Zij hadden ook toen contant geld bij zich. [naam] had toen een geldtelmachine in zijn kantoor staan. Er was ook een secretaresse, die hen koffie gaf. Die koffie smaakte totaal niet, waardoor zij die koffie niet opgedronken hadden.

Ook slachtoffer [slachtoffer 6] verklaarde dat zij een week eerder al voor 15000 kilo koper naar Tilburg waren gereden. Zij lieten daar hun koffie staan, omdat het leek alsof er zout in was gedaan. Hij verklaarde dat [naam]e hun geld, € 70.000, =, telde. Nadat het geld geteld werd, kregen zij 2 valse adressen waar zij het koper zouden kunnen laden. Toen zij deze adressen niet konden vinden, zijn zij terug naar Duitsland gereden. Zij hadden nog enkele malen telefonisch contact met [naam], die zei dat de kopers 75 ton koper in één keer af moesten nemen en dat men uit angst voor beroving eerst zekerheid wilde hebben.

Hierna werd afgesproken dat zij 25 ton koper af zouden nemen voor € 100.000, =. Hiervoor gingen zij, [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 1], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3], op 28 januari 2010 wederom naar Tilburg.

[slachtoffer 3] verklaarde dat zij op 28 januari 2010 inderdaad weer in het kantoor van [naam] zaten. Zij hadden de € 100.000, = conform afspraak, contant bij zich. [naam] telde het geld, deed het in een cassette en sloot die cassette af. [slachtoffer 1], de man die zijn oog verloren heeft, hield de cassette bij zich en [naam] de sleutel. [slachtoffer 1] heeft de cassette met geld onder zijn jas gestopt in het kantoor van [naam]. De cassette was niet zichtbaar toen hij de gang op liep. Toen zij het kantoor uitliepen sprongen er mannen uit de ruimte ernaast tevoorschijn. Zij spoten met pepperspray en er werd geschreeuwd. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] zijn toen teruggegaan naar het kantoor van [naam] en hebben zich daar verschanst. [slachtoffer 3] heeft een overvaller die probeerde het kantoor in te komen nog getrapt. Hij hoorde en zag dat [slachtoffer 1] gevochten heeft en één van de overvallers wegtrapte. Hij hoorde schoten en is daarna met [slachtoffer 6] door het raam naar buiten gevlucht. Buiten hoorde hij [slachtoffer 1] roepen dat hij zijn oog kwijt was en dat hij zijn kaak had gebroken.

[slachtoffer 1] zelf verklaarde dat [naam] de sleutel van de geldkist bij zich hield om er zeker van te zijn dat zij geen vals geld in de geldkist zouden kunnen doen. Hierna zei [naam] dat hij nog iets voor [slachtoffer 1] en zijn collega’s had, waarna hij de ruimte verliet. Ongeveer 10 seconden later kwamen de 4 of 5 overvallers aanlopen. [slachtoffer 1] vocht met hen om de geldkist te beschermen. Op een bepaald moment viel de geldkist op de grond. [slachtoffer 1] bukte om de geldkist op te pakken, waarna hij beschoten werd en in zijn oog geraakt werd. [slachtoffer 1] verklaarde voorts: “eine paar sekunden später merke ich einen Schmerz und sie nahmen die Kassette und flüchteten.”

Omdat niet duidelijk was wie de schutter was, is bij de slachtoffers een zogeheten schiethandenonderzoek uitgevoerd. Hieruit heeft het NFI geconcludeerd dat er geen relatie tussen de Duitsers en het schietproces kan worden vastgesteld.

[slachtoffer 2] overhandigde na de komst van de politie een verbalisant een geplastificeerde visitekaart en zei dat dit de man was met wie zij een afspraak op de [adres] hadden. Op de visitekaart stond de naam [naam], [adres] [adres en telefoonnummer] Hierboven stond ‘[naam bedrijf].

Het telefoonnummer op het visitekaartje, [nummer] bleek in de periode van

11 januari 2010 tot 28 januari 2010 voornamelijk contact te hebben met twee nummers van de Duitse slachtoffers en met het num[nummer]] Zowel het nummer dat eindigt op 4215 als het nummer dat eindigt op 7381 maakte in januari 2010 gebruik van onder andere zendmasten in Druten en Beneden-Leeuwen. Het nummer [nummer] bleek in gebruik te zijn bij verdachte [mededader 1].

Uit de historische verkeersgegevens kwam naar voren dat het nummer dat eindigt op 7381 in de periode van 28 januari 2009 tot en met 28 januari 2010 492 contactmomenten had met het nummer [nummer] Als het nummer 4215 contact had gehad met de Duitse slachtoffers, had het nummer 7381 in december 2009 en januari 2010 vaak meteen daarop contact met het nummer 7153.

Het nummer 7153 bleek in de periode van 1 tot en met 31 januari 2010

117 contactmomenten met de zoon van verdachte gehad te hebben en in diezelfde periode 95 contactmomenten met [mededader 2] . Zij was de vriendin van verdachte, voor wie hij via [mededader 5] woonruimte regelde.

Uit de historische verkeersgegevens bleek voorts dat het nummer 7153 in januari 2010 gebruik maakte van de zendmasten in Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Druten en Nijmegen. Op 27 januari 2010 straalde het nummer 7153 op diverse tijdstippen tussen ongeveer 12:46 uur en 15:11 uur aan op de zendmast gelegen aan de [adres], gelegen in de directe nabijheid van het pand aan de [adres]. Op diezelfde datum straalde het nummer [nummer] omstreeks 15.22 uur de zendmast gelegen aan Ringbaan Noord 199 te Tilburg aan. De [adres] te Tilburg komt aan één zijde uit op de Ringbaan Noord te Tilburg. Het telefoonnummer eindigend op 6254 was in gebruik bij [mededader 3].

[mededader 1] bekende dat hij zich had uitgegeven voor [naam] en verklaarde dat hij de enige was die de slachtoffers gezien hebben. [mededader 1] verklaarde dat er geen koper was en er dus niet aan de slachtoffers geleverd zou worden. Het scenario was volgens [mededader 1] als volgt. De Duitsers zouden met het geld komen. [mededader 1] zou het geld tellen en daarna zou hij weggaan en zouden er mensen binnenkomen die het geld van de Duitsers af zouden pakken. Hierbij zouden er misschien een paar klappen vallen.

[mededader 1] verklaarde dat hij op 28 januari 2010 het geld in het kantoor in Tilburg had geteld. Vervolgens had hij de sleutel van het geldkistje in zijn zak gestopt en gezegd dat hij nog even een cadeautje voor de slachtoffers zou gaan halen. Dit laatste had hij gezegd omdat hij anders ook geen manier meer wist om daar weg te komen. [mededader 1] heeft deze verklaring gehandhaafd tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

Verdachte [mededader 5] verklaarde dat verdachte hem benaderd had voor een kantoorpand. Toen zij onderhandelden over het pand aan de [adres] te Tilburg zei [mededader 5] dat hij

€ 60.000, = van verdachte zou ontvangen als verdachte het pand 3 à 4 keer mocht gebruiken. [mededader 5] verklaarde dat hij op dat moment wist dat het een niet frisse zaak zou betreffen.

[mededader 5] verklaarde dat hij na de overval van verdachte vernam dat op het moment van de overval [mededader 1], verdachte en een secretaresse in het pand aan de [adres] 82 aanwezig waren. De secretaresse zorgde voor de koffie en verdachte was er om zaken mee te doen. De secretaresse zou slaapmiddel in de koffie van de Duitsers doen, waarna de Duitsers overvallen zouden worden.

[mededader 5] had ook van verdachte vernomen dat de rode Opel Combo die verdachte van [mededader] had gekocht, gebruikt was bij de overval. Verdachte heeft [mededader 5] na de overval verteld dat hij op het moment van de overval [adres]aan de [adres] was geweest en dat hij klappen had gehad. Verdachte vertelde [mededader 5] ook dat hij op het moment van de overval in de [adres] een vuurwapen bij zich had gedragen en dat er door verdachte en de zijnen met een spray was gespoten.

Medeverdachte [mededader 3] bevestigt de verklaring van [mededader 5]. Hij verklaarde dat verdachte een kantoorpand bij [mededader 5] regelde en de rode Combo van [getuige 1] kocht. Verdachte vroeg [mededader 3] ook met hem mee naar het pand aan de [adres] te gaan. [mededader 3] heeft dit tweemaal gedaan. Op 26 januari 2010, toen het pand was ingericht als kantoor en op 27 januari 2010, toen hij met verdachte spullen op zolder zette. Verdachte vertelde hem dat hij die spullen zelf wel weer beneden zou zetten. Ze reden met de rode Combo. [mededader 3] verklaarde ook dat hij als contactpersoon tussen verdachte en [mededader 5] gebruikt werd.

Diefstal met geweld

De rechtbank oordeelt op grond van de bevindingen van de politie en de verklaringen van verdachte en slachtoffers dat er sprake is van een diefstal met geweld. Daarbij bestond het geweld uit het spuiten met een bijtende of irriterende stof en het schieten met een vuurwapen waardoor slachtoffer [slachtoffer 1] als gevolg van een schotwond in zijn hoofd een oog is verloren.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij het kistje wilde oprapen, waarna hij beschoten werd en de overvallers de cassette met het geld hebben meegenomen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van afpersing, maar van het wegnemen van de cassette en dus diefstal.

Alternatief scenario

De verdediging heeft gesteld dat niet vaststaat dat de Duitsers daadwerkelijk overvallen zijn, omdat een alternatief scenario niet kan worden uitgesloten. De verdediging heeft hierbij de mogelijkheden van ‘friendly fire’, een ‘inside man’ en een derde partij geopperd.

De rechtbank leidt uit het schiethandenonderzoek af dat de Duitsers niet zelf geschoten hebben. Uit de uitgewerkte gesprekken van de meldkamer blijkt dat er sprake was van paniek bij de slachtoffers. Twee van de slachtoffers hebben het pand via het raam verlaten en één van de slachtoffers was zwaargewond. Zij hadden derhalve geen tijd om het geld te verstoppen en ook het geldkistje is niet meer gevonden. Bovendien verklaart [slachtoffer 1] dat de overvallers het geld hebben weggenomen. Het staat daarmee voor de rechtbank vast dat de Duitsers slachtoffer zijn geworden van een diefstal met geweld.

Voor de ‘friendly fire’-theorie is alleen een de-auditu verklaring van ene [naam verklarende] voorhanden. Deze verklaring wordt echter op geen enkele manier ondersteund door overige bewijsmiddelen. De waargenomen paniek bij de Duitsers, de negatieve uitkomst van het schiethandenonderzoek bij de Duitsers en het feit dat bij hen geen wapen is aangetroffen, maken ook dit scenario niet aannemelijk.

De mogelijkheid van een derde betrokken partij is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk geworden. Het is onduidelijk hoe een derde partij op de hoogte van deze deal geweest kon zijn en er zijn geen concrete aanknopingspunten voor dit scenario. De rechtbank verwerpt deze optie dan ook.

Ook van enige concrete aanwijzing dat sprake zou kunnen zijn van een ‘inside job’ is de rechtbank niet gebleken. Dit betreft naar het oordeel van de rechtbank louter speculatie van de zijde van de verdediging.

Betrokkenheid verdachte

De verdediging heeft gesteld dat niet vast te stellen is of het telefoonnummer dat eindigt op 7153 van verdachte is. Volgens de verdediging zou dit nummer ook van [mededader 5] geweest kunnen zijn.

Uit het telecomonderzoek is gebleken dat het nummer dat eindigt op 7153 contact onderhield met [mededader 2], de vriendin van verdachte, en met de zoon van verdachte. Het gaat hier om veel contacten, vooral met de zoon van verdachte. Het nummer maakte ook vaak gebruik van de zendmast in Beneden-Leeuwen, de woonplaats van verdachte. [mededader 5] woonde destijds in Heerewaarden en niet in Beneden-Leeuwen.

Daarnaast straalde de telefoon met het nummer 7153 op 27 januari 2010, één dag voor de overval, een zendmast nabij de [adres] aan, rond het tijdstip waarop ook de telefoon van [mededader 3] een zendmast nabij de [adres] aanstraalde. Dit strookt met de verklaring van [mededader 3] dat hij op 27 januari 2010 samen met verdachte in het pand aan de [adres] is geweest.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dit nummer niet bij [mededader 5] in gebruik was, maar aan verdachte toebehoorde.

Uit het proces-verbaal blijkt dat als de telefoon met het nummer eindigend op 4215 (welk nummer in gebruik was bij [mededader 1]) contact had met de Duitse slachtoffers, [mededader 1] vervolgens steeds via het nummer 7381 contact had met het 7153-nummer van verdachte.

Verdachte regelde het pand via [mededader 5] en was actief betrokken door het sjouwen met meubels en kantoorgerei. [mededader 5] verklaarde dat verdachte naar eigen zeggen tijdens de overval ter plaatse was en gewapend was. Ook heeft verdachte volgens [mededader 5] verteld dat er tijdens de overval door verdachte en de zijnen met een spray is gespoten. De rechtbank zal deze verklaring van [mededader 5] voor het bewijs gebruiken. De rechtbank acht de verklaring van [mededader 5] betrouwbaar, omdat deze details bevat die duiden op daderwetenschap (welke [mededader 5] niet uit eigen wetenschap kon hebben) en deze op diverse belangrijke punten wordt ondersteund door verklaringen van andere betrokkenen.

Zo verklaarde [mededader 5] dat verdachte de rode Combo van [mededader] had gekocht en had gebruikt bij de overval. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [mededader] en [mededader 3], die verdachte in die auto zagen rijden.

[mededader 5] verklaarde dat verdachte hem had verteld over de koffie met een slaapmiddel, hetgeen wordt bevestigd door de verklaringen van de slachtoffers over de smaak van de koffie.

[mededader 5] verklaarde dat verdachte naar eigen zeggen tijdens de overval klappen had gehad. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3].

De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een ripdeal, waarbij verdachte ter plaatse was en daaraan actief deelnam en acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 januari 2010 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 100.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/anderen,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld

tegen die [slachtoffer 1] en anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/ofgemakkelijk te maken

welk geweld hierin bestond datverdachte en zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 1] met een vuurwapen hebben beschoten en

- die [slachtoffer 1] en/of voornoemde anderen hebben bespoten met

Pepperspray

zulks terwijl voornoemd feit voor voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel

(schotwond in het hoofd en/of verlies van een oog) tot gevolg heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair als strafmaatverweer aangevoerd dat niet te bewijzen valt dat verdachte de schutter is, waardoor hij niet verantwoordelijk voor het letsel van slachtoffer [slachtoffer 1] is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft met anderen een overval gepleegd. Bij deze overval is pepperspray gebruikt en met een vuurwapen geschoten. Twee slachtoffers zijn in paniek van een balkon gesprongen en één slachtoffer heeft een oog verloren omdat hij in zijn gezicht geraakt werd door een kogel. Bij deze overval is € 100.000, = buitgemaakt door verdachte en zijn mededaders.

De overval was planmatig voorbereid. Verdachte en zijn mededaders maakten gebruik van een speciaal voor de overval gehuurd pand, dat daags voor de overal als kantoor werd ingericht. Zij maakten ook gebruik van een valse identiteit en een daarvoor gefabriceerd visitekaartje en zij hadden herhaaldelijk telefonisch contact met hun latere slachtoffers. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zowel in de voorbereiding als in de uitvoering een grote rol gespeeld heeft en zelf aanwezig is geweest bij het geweld.

De overval is voor de slachtoffers traumatisch geweest. Met name voor het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn de gevolgen zeer groot, zoals blijkt uit zijn medische gegevens en diens slachtofferverklaring ter zitting. De rechtbank wijst erop dat deze zaak voor [slachtoffer 1] ook dodelijk af had kunnen lopen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers, maar wilde ten koste van de slachtoffers kennelijk snel aan geld komen.

De rechtbank houdt rekening met het bovenstaande en met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank legt verdachte aldus 6 maanden gevangenis meer op dan medeverdachte [mededader 1] nu verdachte één van de personen is geweest die het daadwerkelijke ‘rippen’ voor hun rekening hebben genomen.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 58.000, = en € 5.000, = aan kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 58.000,= een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 30.000,= ter zake van materiële schade en € 28.000, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden tot heden begroot op € 2.682, = ter zake van kosten rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele procedures gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken (3 punten à € 894, = per punt wegens opstellen en indienen voegingsformulier en het bijwonen van de zittingen). De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standaardtarief af te wijken. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De benadeelde partij H. [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 35.000, =.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 30.500, = een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 500, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tijdens de zitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Zijn eigen bijdrage hiervoor bedraagt € 50, =. De rechtbank zal dit bedrag ter zake rechtsbijstandskosten toewijzen en veroordeelt verdachte in de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

De benadeelde partij G. [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 40.667,76 en

€ 5.000, = aan kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 41.000, = een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 40.000, = ter zake van materiële schade en € 1.000, = ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden tot heden begroot op € 894, = ter zake van kosten rechtsbijstand, overeenkomstig het in civiele procedures gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken (1 punt wegens opstellen en indienen voegingsformulier). De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit standaardtarief af te wijken. Voorts wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Voor het overige wijst de rechtbank de vordering af.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 58.000, =, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 28.000, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 2.682, =;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij H. [slachtoffer 4] van € 30.500, =, waarvan € 30.000, = ter zake van materiële schade en € 500, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 50, =;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij G. [slachtoffer 2] van € 41.000, =, waarvan € 40.000, = ter zake van materiële schade en € 1.000, = ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 894, =;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering voor het overige af;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1] € 58.000, =, 154 dagen hechtenis,

- benadeelde partij H. [slachtoffer 4] € 30.500, =, 92 dagen hechtenis,

- benadeelde partij G. [slachtoffer 2] € 41.000, =, 119 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schroeijers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 december 2011.

Mr. Van Bergen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Tilburg, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen,

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 100.000 euro, althans

enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of die een of

meer anderen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 100.000 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer

anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of zijn mededader(s), althans een aantal van hen, althans een

van hen

- die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer anderen, met een vuurwapen heeft/

hebben beschoten en/of

- die [slachtoffer 1] en/of voornoemde een of meer anderen heeft/hebben bespoten met

Pepperspray, althans een bijtende en/of irriterende stof

zulks terwijl voornoemd feit voor voornoemde [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel

(schotwond in het hoofd en/of verlies van een oog) tot gevolg heeft gehad;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

[Einde tekst