Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6166

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
687310 vv 11-126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Einde relatie samenwoners. Exclusief gebruik van huurwoning bij wijze van voorlopige voorziening na belangenafweging voorlopig voor de duur van drie maanden aan de man toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2012/51

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 687310 VV EXPL 11-126

vonnis in kort geding d.d. 22 november 2011

inzake

[de vrouw],

wonende te [adres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. D.C.M. Martens, advocaat te Goirle,

tegen

[de man],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. R.A.H. Vullings, advocaat te Tilburg.

Partijen worden door de kantonrechter hierna aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 27 oktober 2011, met producties;

b. de eis in reconventie van de man, bij de griffie van de rechtbank ingekomen op 9 november 2011.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. De vrouw en de man zijn beiden ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

Mr. Vullings heeft bij die gelegenheid een pleitnota, tevens akte wijziging van eis in reconventie overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren respectievelijk op 8 december 2007 en 29 oktober 2010.

b. Toen de vrouw zwanger was van het eerste kind, hebben partijen van de woonstichting Leyakkers een huurwoning (hierna: de woning) toegewezen gekregen aan [adres]. Het huurcontract werd op naam van beide partijen gesteld.

c. Enige tijd later is de relatie van partijen verbroken en is de vrouw uit de woning vertrokken. De relatie van partijen is daarna echter hersteld en de vrouw is in september 2009 weer in de woning gaan wonen.

d. Op of omstreeks 1 september 2011 is de samenleving van partijen opnieuw verbroken. De vrouw is met de kinderen naar de woning van haar ouders vertrokken.

3. De vordering

3.1 De vrouw vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, om de man te veroordelen tot het verlaten van de woning binnen vijf dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een maximum van € 12.500,-, een en ander als nader in de dagvaarding omschreven.

3.2 De man heeft bij wijze van tegeneis gevorderd, samengevat, te bepalen dat hij bij wijze van voorlopige voorziening voor een periode van zes maanden met uitsluiting van de vrouw wordt gerechtigd tot het gebruik van de woning.

3.3 Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer weersproken.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1 Aan haar vordering en haar verweer legt de vrouw de vastgestelde feiten en de volgende stellingen ten grondslag. Omdat de man de woning weigerde te verlaten, is de vrouw met de kinderen naar de woning van haar ouders vertrokken. Zij verblijft nu tijdelijk met twee kinderen op een kamertje van 8 m2. Deze situatie is onhoudbaar. De vrouw en de kinderen hebben behoefte aan een eigen woning. Met name de kinderen hebben ruimte nodig om te leven en te spelen. De vrouw komt niet in aanmerking voor urgentie en de reguliere wachtlijst beloopt thans zo’n drie jaar. De man kan veel gemakkelijker een andere woning zoeken dan de vrouw. Hij is alleen en verdient een stuk meer dan de vrouw. Op grond van het bovenstaande is de vrouw van mening dat de man de woning dient te verlaten.

4.2 De man legt aan zijn verweer en tegeneis, behalve de vastgestelde feiten, de volgende stellingen ten grondslag. Allereerst heeft de man het spoedeisend belang van de vrouw betwist. De vrouw heeft samen met de kinderen de woning op of omstreeks 1 september 2011 verlaten en heeft pas op 27 oktober 2011 een dagvaarding uitgebracht. De vrouw verbleef toen reeds twee maanden bij haar ouders. In de tussentijd heeft de vrouw geen enkele actie ondernomen. De stelling van de vrouw dat zij met de kinderen op een kamer van 8 m2 in de woning van haar ouders verblijft, acht de man overdreven en niet aannemelijk. Het is de man bekend dat er in de betreffende woning van de ouders meerdere slaapkamers zijn. Ook acht de man het aannemelijk dat de vrouw gebruik mag maken van de huiskamer en de andere ruimtes van die woning. Bovendien is het niet noodzakelijk dat de kinderen bij de vrouw verblijven. Niets staat eraan in de weg dat de kinderen bij hem verblijven. De man is goed in staat om voor de kinderen te zorgen en hij heeft daarvoor ook de tijd, aangezien hij een eigen bedrijf heeft en zijn werktijden zelf kan bepalen.

Mocht de vrouw wel een spoedeisend belang hebben bij de vordering, dan is de man van mening dat haar vordering niet-ontvankelijk is. Zij eist immers de veroordeling van de man tot het verlaten van de woning, zonder vermelding van een termijn, wat zou leiden tot een declaratoire uitspraak.

Mocht de vrouw wel ontvankelijk zijn in haar vordering, dan dient die op grond van het volgende afgewezen te worden.

De relatie van partijen heeft zich steeds gekenmerkt door het aantrekken en afstoten van elkaar, waarbij de vrouw in slechte periodes steeds met de kinderen naar haar ouders vertrok. Zo geschiedde ook in september jl. De man is steeds overgeleverd geweest aan de grillen van de vrouw en diende zich steeds te voegen naar wat zij wenste. Zo heeft de man sinds 1 september jl. zijn kinderen niet meer mogen zien, wat hem zeer zwaar valt. De vrouw heeft geen belang bij het gebruik van de woning. Zij verblijft immers al tweeënhalve maand bij haar ouders en nergens blijkt uit dat zij daar niet langer kan verblijven. Zoals reeds vermeld, kunnen de kinderen ook bij hem in de woning verblijven. Ook in dat opzicht heeft de vrouw er dus geen noodzakelijk belang bij dat aan haar het (tijdelijk) gebruik van de woning wordt toegewezen. De man is altijd hoofdhuurder van de woning geweest en heeft deze eigenhandig verbouwd. Zijn hele leven zit in die woning. Daarnaast verricht hij de administratieve werkzaamheden voor zijn bedrijf vanuit de woning en bevindt de gehele administratie van zijn bedrijf zich in die woning. Het is voor de man onmogelijk om zijn administratie te verplaatsen. Verder zal het voor de man even moeilijk zijn als voor de vrouw om aan een nieuwe woning te komen, aldus de man.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

4.3 Zowel de vordering in conventie als die in reconventie hebben betrekking op de woning, zodat de kantonrechter de vorderingen van partijen gelijktijdig zal behandelen.

4.4 De kantonrechter stelt voorop dat de vrouw nog steeds contractueel medehuurder van de woning is. Artikel 7:271 BW regelt de opzegging van de huur van woonruimte. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw destijds bij het vertrek uit de woning, na het stuklopen van de relatie van partijen, de huurovereenkomst heeft opgezegd, laat staan dat de woonstichting met die opzegging van het medehuurderschap akkoord is gegaan (zie in dat verband ook de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 19 juli 2011, gepubliceerd op www.recht-spraak.nl onder LJN-nummer BR2336). Door het enkele feit van het (tijdelijke) vertrek uit de woning heeft de vrouw haar status van contractueel medehuurder niet verloren, hetgeen de woonstichting in haar brief van 8 augustus 2011, die de man ter zitting heeft overgelegd, lijkt te hebben miskend. Dit betekent dat er voorshands van dient te worden uitgegaan dat het huurrecht van de woning aan partijen gezamenlijk toekomt en dat partijen in beginsel gelijke rechten hebben.

4.5 Verder staat vast dat partijen niet langer samen in één woning willen verblijven. Een ordemaatregel met betrekking tot de uitoefening van het huurrecht van genoemde woning, zoals door elk van partijen gevraagd, lijkt dan ook op zijn plaats. Aan de hand van een belangenafweging naar analogie van artikel 7:267 lid 7 BW zal moeten worden beslist wie van beiden het gebruik van de woning voorlopig zal mogen voortzetten.

4.6 Wanneer in het kader van die belangenafweging de kinderen niet betrokken zouden worden, acht de kantonrechter de belangen van beide partijen van evenveel c.q. van even weinig gewicht. Zo is bijvoorbeeld volstrekt onaannemelijk dat de man zijn administratie niet zou kunnen verhuizen en evenmin is in deze procedure komen vast te staan dat “het hele leven van de man in de woning zit”, zoals hij heeft gesteld. De persoonlijke belangen van partijen zijn in dit geval dan ook niet doorslaggevend of bepalend, waarbij er vanuit wordt gegaan dat beide partijen niet op korte termijn woonruimte in de sociale huursector kunnen verkrijgen. Bij de belangenafweging dienen echter de kinderen mede betrokken te worden. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat van bijzondere hechting van de kinderen aan de woning, gelet op hun jonge leeftijd, geen sprake lijkt te zijn. Dat is door de vrouw overigens ook niet gesteld. Van belang is voorts dat tijdens de zitting is komen vast te staan dat, anders dan in de dagvaarding wordt gesuggereerd, de vrouw overdag gebruik mag maken van alle ruimtes van de ouderlijke woning. De vrouw heeft tijdens de zitting haar stelling gehand-haafd dat zij voor haar nachtrust en die van haar kinderen aangewezen is op één slaapkamer van 8m2. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van deze door de man betwiste stelling -de man heeft aangevoerd dat hem bekend is dat in de ouderlijke woning meerdere slaapkamers zijn- behoeft het geen betoog dat deze leefsituatie van de vrouw en haar kinderen in de ouderlijke woning verre van ideaal is. Daarbij geldt echter de belangrijke kanttekening dat het op dit moment in ieder geval een eigen keuze van de vrouw is om deze situatie ongewijzigd voort te zetten. De man heeft tijdens de zitting onweersproken aangevoerd dat hij ook voor de kinderen kan zorgen en dat deze bij hem kunnen verblijven. De vrouw, zo stelt de kantonrechter vast, hoeft dus niet in die situatie te verkeren, laat staan 7 nachten in de week. Daar komt tevens bij dat de man de vrouw tijdens de zitting financiële compensatie heeft aangeboden voor het gemis aan huurtoeslag indien zij een woning in de vrije sector zou huren. De vrouw heeft dat aanbod van de man afgewezen, enkel en alleen omdat de (nog vast te stellen) alimentatie daardoor minder zou worden, terwijl de kanton-rechter er nog op heeft gewezen dat de alimentatie voor de vrouw ook minder wordt als de man een woning in de vrije sector zou (moeten) huren. Dat zou namelijk het gevolg zijn wanneer de kantonrechter de vordering van de vrouw zou toewijzen. Verder acht de kantonrechter ook nog van belang dat de vrouw een suggestie van de kantonrechter tot mediation, waarin alle geschilpunten tussen partijen zouden kunnen worden besproken, van de hand heeft gewezen. De vrouw was, anders dan de man, slechts tot mediation bereid in het kader van een omgangsregeling voor de kinderen.

Bij bovenstaande stand van zaken is de kantonrechter voorshands van oordeel dat het alleenrecht tot bewoning op dit moment voorlopig voor een periode van drie maanden nog bij de man behoort te blijven.

4.7 De kantonrechter benadrukt dat dit oordeel, naar de aard van een voorziening in kort geding, slechts een voorlopig oordeel is en dus niet vooruitloopt op het oordeel in een eventuele bodemprocedure. Daarbij gaat de kantonrechter er vanuit dat de man de komende drie maanden gebruikt om de door hem aan de vrouw aangeboden financiële compensatie voor het gemis aan huurtoeslag, indien zij een woning in de vrije huursector zou huren, te concretiseren en hierbij tevens de door hem te betalen alimentatie te betrekken. Tevens zou de man in deze drie maanden naar het oordeel van de kantonrechter een -voor de vrouw uiteraard ook controleerbare- berekening (inclusief alimentatie) moeten maken wat het voor hem en de vrouw financieel zou betekenen wanneer hij een woning in de vrije sector zou huren en de vrouw in de woning zou gaan wonen. Vervolgens lijkt het voor de hand te liggen wanneer partijen met betrekking tot de woning in beginsel die variant kiezen die voor hen beiden financieel het gunstigst is en waarbij tevens rekening wordt gehouden met het verblijf van de kinderen.

4.8 Aangezien dit geschil voortvloeit uit de beëindiging van een samenlevingsverband, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.9 Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

In conventie en in reconventie

De kantonrechter, recht doende in kort geding:

bepaalt dat de man, bij wijze van voorlopige voorziening, voor een periode van drie maanden met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan [adres];

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.