Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5696

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
211788 / HA ZA 09-2136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden:

Artikel 10 auteurswet/werk; artikel 6:162 BW/slaafse nabootsing, artikel 2.19. en 2.20. BVIE/merkhouder, artikel 1019h Rv/proceskosten i.e.

Samenvatting:

Het werkbegrip van de Auteurswet vindt zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter van het gemaakte werk enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Daarvan is sprake in geval van tekeningen en modellen die ten behoeve van de ontwikkeling van een voor het spoorwegnet geschikte verreiker die roterende bewegingen kan maken. De persoonlijke invulling van de maker stond daarbij niet voorop.

Aan de rechtspraak van de Hoge Raad over het onderwerp “slaafse nabootsing” ligt ten grondslag dat het aan een ieder moet vrijstaan om aan zijn industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, zodat het - tenzij door een ander aan wetten op het terrein van de intellectuele eigendom te ontlenen rechten daaraan in de weg staan - niet verboden is om te dien einde, ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer enkel tengevolge van dat gebruik maken tussen het eigen product en dat van de concurrent bij het publiek verwarring mocht ontstaan. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten is van onrechtmatig handelen sprake indien de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door de gelijkenis van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. Voormelde verplichting tot het betrachten van zorgvuldigheid strekt er toe onnódige verwarring bij de afnemers van een product te voorkomen. Het antwoord op de vraag of verwarring onnodig is, wordt bepaald door te beoordelen wat van de producent redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te vergen is om van het product van zijn concurrent onderscheidende elementen aan te brengen en vervolgens te bezien of daaraan is voldaan. Stelplicht en bewijslast dat een producent in de nakoming van deze verplichting tekort is geschoten rusten op de partij die claimt dat van “slaafse nabootsing” sprake is.

Bij "technische" producten als de onderhavige dient een ondernemer niet op grond van artikel 6:162 BW een monopolie te kunnen opeisen voor bepaalde elementen welke niet uitsluitend het uiterlijk van het product betreffen, ook al is het eventueel mogelijk andere maatvoeringen te maken die even deugdelijk en bruikbaar zijn als die waarvoor zo'n monopolie wordt gewenst. Het behoort de concurrentie namelijk vrij te staan de desbetreffende techniek, die niet is geoctrooieerd, in volle omvang toe te passen en te leveren aan afnemers. Ten aanzien van de doorvoering van technische wensen van klanten geldt nog het volgende. Waar de bruikbaarheid van een technisch product voor een belangrijk deel wordt bepaald door de wensen en behoeften van degenen voor wie het bestemd is, is nabootsing van het product van een ander, voor zover zij nodig is om tegemoet te komen aan bij een deel van de afnemers bestaande wensen ten aanzien van het uiterlijk of eigenschappen van het product - daaronder begrepen de wensen die verband houden met de behoefte aan standaardisatie (…) - op zichzelf genomen niet onrechtmatig jegens de fabrikant van het nagebootste product, mits de nabootsing niet in strijd komt met enig wetsvoorschrift, zulks ook al zou die nabootsing verwarring omtrent de herkomst van het product kunnen wekken.

Artikel 2.19., lid 1 BVIE bepaalt dat alleen de merkhouder in rechte bescherming kan inroepen tegen gebruik van een teken. Artikel 2.20., lid 1 BVIE bepaalt dat de houder van een merk het uitsluitend recht heeft het gebruik van een teken te verbieden. Waar een derde, en niet eiseres, de merknaam heeft ingeschreven is zij die derde merkhouder. Alleen zij kan gelet op voormelde artikelen een vordering instellen tot een verbod op het gebruik van het merkteken. Eiseres behoort in deze vorderingen dan ook, gelet op artikel 2.19., lid 2 BVIE, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Artikel 1019h Rv bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld. Gelet op de door de winnende partij zelf gestelde voorwaarden is een forfaitaire proceskostenvergoeding aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211788 / HA ZA 09-2136

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISSERS HEFTRUCK SERVICE BV,

gevestigd te Bladel,

eiseres,

advocaat mr. M. Burgers,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VGM SPECIAL PRODUCTS BV,

gevestigd te Tilburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VGM VISSER & DE GOEIJ MACHINES BV,

gevestigd te Tilburg,

gedaagden,

advocaat mr. C.M. van den Reek.

Partijen zullen hierna ook VHS en VGM c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010 en de daarin vermelde stukken

- de akte overlegging producties van 26 april 2010 van VHS

- de akte overlegging productie van 26 april 2010 van VHS

- de conclusie van repliek, tevens akte aanvulling grondslag van eis, met producties

- de conclusie van dupliek, met producties

- de akte overlegging producties tevens vermeerdering van (grondslag van) eis van 3 mei 2011 van VHS

- het proces-verbaal van de zitting van 3 mei 2011 ter gelegenheid waarvan partijen hun zaak hebben bepleit.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. VHS vordert na wijzigingen van (grondslag van) eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Onvoorwaardelijk:

- VHS toe te staan de in het fundamentum petendi van het verlof tot het leggen van

bewijsbeslag ex artikel 843a Rv van 20 oktober 2009 van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (vide productie 10) genoemde roerende zaken/documenten in te zien alsmede toe te staan aan VHS daarvan afschriften of uittreksels te maken;

- VGM c.s. te verbieden om nog langer machines te maken, te verkopen en te leveren die een verwarringwekkende kopie zijn van de “ManiRail”, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EURO 100.000,- per overtreding;

- VGM c.s. te verplichten binnen 24 uur na betekening van het vonnis de foto's van de “ManiRail” te verwijderen en verwijderd te houden van de website van VGM c.s., een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per dag of dagdeel dat de foto's niet zijn verwijderd;

- VGM c.s. te verplichten niet langer gebruik te maken van de naam “ManiRail”, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per overtreding;

- VGM c.s. te verplichten om de bouwtekeningen welke zij in haar bezit heeft van de

“ManiRail” binnen 24 uur na betekening van het vonnis af te geven aan VHS en geen (digitale) kopieën van die bouwtekeningen te behouden, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per dag of dagdeel dat VGM c.s. handelt in strijd met deze verplichting;

- VGM c.s. hoofdelijk te veroordelen aan VHS te voldoen het bedrag groot EURO 57.500.-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 1 februari 2009.

Met veroordeling van VGM c.s. in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten voor het leggen van de beslagen (bewijsbeslag en conservatoir beslag)

Voorwaardelijk:

Met veroordeling van VGM c.s. in de werkelijke kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv

(productie 49), waaronder begrepen de kosten voor het leggen van de beslagen.

2.2. VGM c.s. hebben de vorderingen gemotiveerd weersproken.

3. De beoordeling

3.1. Voor de rechtbank staan in deze procedure tussen partijen de volgende feiten vast. Geert Vissers Holding B.V. is houder van de aandelen in VHS. De heer [bestuurder] is bestuurder van VHS. VHS houdt zich bezig met de verhuur en verkoop van machines in het algemeen en van verreikers in het bijzonder. In deze zaak gaat het om een machine met de naam “ManiRail”. Dit is een verreiker van het merk “Manitou” die door middel van technische aanpassingen geschikt is gemaakt voor gebruik op het spoorwegnet en die roterende bewegingen kan maken. VHS heeft een aantal van dergelijke “ManiRails” verkocht aan haar klanten. Zo heeft VHS in 2006 een “ManiRail” aan de firma Biemond en Lems Verhuur ([x]) verkocht.

3.2. De heer [verkoopdirecteur] is als verkoopdirecteur bij VHS in dienst geweest en de heer [chef werkplaats] als chef werkplaats. Nadat onderhandelingen tussen genoemde [bestuurder], [verkoopdirecteur] en [bestuurder] over overneming van de aandelen door [verkoopdirecteur] en [bestuurder] in VHS zonder resultaat waren gebleven, hebben deze heren hun arbeidsovereenkomst met VHS tegen 1 februari 2009 opgezegd. [verkoopdirecteur] is bestuurder/aandeelhouder van VivanDu B.V. [bestuurder] is bestuurder/aandeelhouder van Kamaluti B.V. VivanDu B.V. en Kamaluti B.V. zijn beide bestuurder van de bij akte van 13 februari 2009 opgerichte vennootschappen VGM Special Products B.V. en VGM Visser en De Goeij Machines B.V. VGM c.s. houden zich blijkens het handelsregister beide onder meer bezig met de verkoop van machines. Één van die machines is de “Telerailer”. Dit is net als de “ManiRail” een “Manitou” machine die door middel van technische aanpassingen geschikt is voor gebruik op het spoorwegnet en die roterende bewegingen kan maken.

3.3. Zowel VHS als [bestuurder] hebben een rol gespeeld bij de ontwikkeling en het productiegereed maken van de “ManiRail”. Geert Vissers Holding B.V. heeft de naam “ManiRail” als merknaam laten registreren. In augustus 2008 heeft [x] aan VHS een offerte gevraagd in verband met een mogelijke koop van een “ManiRail”. Op 13 augustus 2008 heeft [verkoopdirecteur] namens VHS aan [x] een “ManiRail” geoffreerd voor een bedrag van EURO 257.500,- exclusief btw en daarbij de specificaties van de machine vermeld. [x] is op dat moment niet op deze offerte ingegaan. [x] heeft vervolgens op enig moment bij VGM Special Products B.V. een “Telerailer” gekocht. Deze is, na (gedeeltelijke) productie ervan in Italië, aan [x] geleverd. [x] huurde van VHS tot november 2009 een “ManiRail”. In oktober 2009 heeft [x] van VHS nog een “ManiRail” gekocht voor een bedrag van EURO 200.000,- exclusief btw.

3.4. VHS heeft diverse vorderingen. Daaraan ligt ten grondslag het standpunt van VHS dat zij de auteursrechthebbende op de “ManiRail” is. VHS stelt dat de heren [verkoopdirecteur] en [bestuurder] in strijd met hun arbeidsovereenkomst, althans onrechtmatig, bedrijfsgeheime informatie van VHS, bestaande uit onder meer tekeningen ten behoeve van de bouw van de “ManiRail”, aan VGM c.s. hebben gegeven. VGM c.s. hebben deze informatie vervolgens, wetende dat deze informatie uitsluitend aan VHS toebehoort, gebruikt voor de productie van de “Telerailer”. VGM c.s. maken volgens VHS met de productie van de “Telerailer” inbreuk op haar auteursrecht, althans deze “Telerailer” betreft volgens VHS een slaafse nabootsing van haar “ManiRail”. VHS vordert dan ook een verbod op de productie, verkoop en levering van de “Telerailer”. VGM c.s. gebruiken volgens VHS voorts zonder recht het woord “ManiRail” en foto’s van de “ManiRail” op hun website. VHS verwijt VGM c.s. ook dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door te profiteren van wanprestatie, althans onrechtmatig handelen, van [verkoopdirecteur] en [bestuurder] waardoor VGM c.s. in staat waren een machine aan [x] te verkopen. Het gevolg hiervan is volgens VHS dat zij schade heeft geleden ter hoogte van EURO 57.500,- doordat [x] in oktober 2009 niet alsnog voor het op 13 augustus 2008 door VHS geoffreerde bedrag van EURO 257.500,-, maar voor EURO 200.000,- van VHS een “ManiRail” heeft gekocht. De vordering tot inzage c.a. in door VHS in beslag genomen bescheiden dient ten bewijze van vorenstaande.

3.5. Aan de orde is eerst of VHS rechthebbende is op een intellectueel eigendomsrecht betreffende de “ManiRail”. VHS stelt dat zij auteursrecht betreffende de “ManiRail” heeft. Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker (of diens rechtverkrijgenden) van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen (behoudens beperkingen bij de wet gesteld).

3.6. De technische tekeningen die met het oog op de ontwikkeling van de “ManiRail” zijn gemaakt en het uiteindelijke product de “ManiRail” kunnen niet worden aangemerkt als een werk in de zin van artikel 10 Aw. Het werkbegrip van de Auteurswet vindt namelijk zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter van het gemaakte werk enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. De “Manitou” verreiker bestond al. De tekeningen en modellen die ten behoeve van de ontwikkeling van de “ManiRail” zijn gemaakt, zijn gemaakt met het oog op de realisatie van een technisch effect ten aanzien van die “Manitou” verreiker, te weten een voor het spoorwegnet geschikte verreiker die roterende bewegingen kan maken. De persoonlijke invulling van de maker stond daarbij niet voorop. VHS kan zich dan ook niet beroepen op een auteursrecht betreffende de “ManiRail” om nabootsing ervan te verbieden. De overige discussiepunten ten aanzien van het auteursrecht kunnen onbesproken blijven. Om voormelde reden is bescherming op grond van het Beneluxverdrag intellectuele eigendom (BVIE) ook niet aan de orde. Artikel 3.2. van dat verdrag sluit tekeningen en modellen waarbij het gaat om het technische effect van bescherming uit.

3.7. Artikel 2 van de Rijksoctrooiwet (ROW) bepaalt dat vatbaar voor octrooi zijn uitvindingen op alle gebieden van de technologie die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en toegepast kunnen worden op het gebied van de nijverheid. De uitvinding van de “ManiRail” is er één op het gebied van de technologie en derhalve vatbaar voor een Nederlands octrooi, indien aan de eisen van artikel 2 ROW en de overige eisen van de ROW wordt voldaan. Ook bescherming op grond van het Europees Octrooi Verdrag (EOV) kan aan de orde zijn indien aan de eisen van dat verdrag wordt voldaan. Zowel voor de ROW als het EOV geldt dat zij een octrooirecht niet van rechtswege toekennen, terwijl VHS zich ook niet heeft beroepen op bescherming op grond van de ROW of het EOV. Bovendien zou deze rechtbank onbevoegd zijn te oordelen over het bestaan van een octrooirecht of bescherming op grond van de ROW of het EOV; die beoordeling is voorbehouden aan de rechtbank in ’s-Gravenhage.

3.8. Uit het vorenstaande volgt dat VHS zich niet kan beroepen op enig recht van intellectuele eigendom betreffende de “ManiRail”. Aan de orde is dan, gelet op de door VHS subsidiair aangevoerde grondslag, of zij zich bij haar verbodsactie jegens VGM c.s. kan beroepen op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder op het leerstuk van de “slaafse nabootsing”. Aan dit beroep van VHS staat niet in de weg de stelling van VGM c.s. dat [bestuurder] auteursrechthebbende betreffende de “ManiRail” is. Het in 3.6. en 3.7. overwogene geldt namelijk ook voor [bestuurder]. Niet in geschil is dat VHS eerder dan VGM c.s. “ManiRail” machines op de markt heeft gebracht. De rechtbank beoordeelt de stelling van VHS dat VGM c.s. met haar “Telerailer” slaafs nabootst als volgt.

3.9. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad over het onderwerp “slaafse nabootsing” ligt ten grondslag dat het aan een ieder moet vrijstaan om aan zijn industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, zodat het - tenzij door een ander aan wetten op het terrein van de intellectuele eigendom te ontlenen rechten daaraan in de weg staan - niet verboden is om te dien einde, ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer enkel tengevolge van dat gebruik maken tussen het eigen product en dat van de concurrent bij het publiek verwarring mocht ontstaan. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten is van onrechtmatig handelen sprake indien de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door de gelijkenis van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat.

3.10. Voormelde verplichting tot het betrachten van zorgvuldigheid strekt er toe onnódige verwarring bij de afnemers van een product te voorkomen. Het antwoord op de vraag of verwarring onnodig is, wordt bepaald door te beoordelen wat van de producent redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te vergen is om van het product van zijn concurrent onderscheidende elementen aan te brengen en vervolgens te bezien of daaraan is voldaan. Stelplicht en bewijslast dat een producent in de nakoming van deze verplichting tekort is geschoten rusten op de partij die claimt dat van “slaafse nabootsing” sprake is.

3.11. Op VHS rust dan ook de plicht feiten te stellen die de rechtbank bij haar beoordeling kan betrekken teneinde vast te stellen of VGM c.s., met inachtneming van het in 3.10. overwogene, onvoldoende heeft gedaan om met de “Telerailer” onnodige verwarring te voorkomen. De rechtbank heeft de volgende stellingen van VHS aangetroffen. VHS stelt dat de “Telerailer” zowel technisch als qua uiterlijk een nagenoeg exacte kopie is van de “ManiRail”. Zij verwijst naar als productie overgelegde foto’s. Ook verwijst zij naar een verklaring van de zijde van TÜV waarin zou zijn vermeld dat als je niet beter zou weten je zou denken dat de twee machines hetzelfde zijn. Volgens VHS hadden VGM c.s. ook andere keuzes kunnen maken. VHS heeft voorts gesteld dat de technische verschillen tussen de twee machines die VGM c.s. noemen die technische aanpassingen betreffen die klanten van VHS zouden hebben gewenst en die VHS nog in een te verkopen “ManiRail” zou toepassen. VHS heeft tot slot gewezen op een door VGM c.s. overgelegde productie waarin zou zijn vermeld dat voor een buitenstaander de twee machines identiek lijken.

3.12. De rechtbank moet vaststellen dat VHS in de kern niet meer stelt dan dat het totaalbeeld van de twee machines gelijk is. Wanneer een product, dat niet door een recht van intellectuele eigendom tegen nabootsing wordt beschermd, door een concurrent wordt nagebootst, zodanig dat tussen de beide producten gelijkenis bestaat, betekent dat nog niet dat van onrechtmatig handelen sprake is, zelfs niet indien door die gelijkenis bij het relevante publiek verwarring mocht ontstaan. Van onrechtmatig handelen is slechts sprake indien die gelijkenis onnódig is in de in 3.10. weergegeven zin. VHS heeft echter niets gesteld over hetgeen voor VGM c.s. redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van de “Telerailer”, mogelijk is om van de “ManiRail” onderscheidende elementen aan te brengen. Dat was van haar in het kader van haar stelplicht wel te vergen. Waar VHS niet aan haar stelplicht heeft voldaan moet de conclusie luiden dat niet komt vast te staan dat van slaafse nabootsing door VGM c.s. sprake is.

3.13. Gelet op het vorenstaande overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende. Voor zover de “ManiRail” bestaat uit de “Manitou” verreiker kan VHS aan VGM c.s. niet tegenwerpen dat van gelijkenis sprake is. Deze verreiker is immers door een derde (“Manitou”), voordat de “ManiRail” bestond, in onaangepaste vorm op de markt gebracht en dat gebeurt nog steeds. Rechten op bescherming van de onaangepaste “Manitou” komen dan uitsluitend aan deze derde toe. Voor zover de “ManiRail” spoorwielen heeft, onderdelen heeft die roteren mogelijk maken en overigens uit onderdelen bestaat die voor gebruiksfuncties nodig zijn, kan VHS aan VGM c.s. evenmin tegenwerpen dat van gelijkenis sprake is. Bij "technische" producten als de onderhavige dient een ondernemer niet op grond van artikel 6:162 BW een monopolie te kunnen opeisen voor bepaalde elementen welke niet uitsluitend het uiterlijk van het product betreffen, ook al is het eventueel mogelijk andere maatvoeringen te maken die even deugdelijk en bruikbaar zijn als die waarvoor zo'n monopolie wordt gewenst. Het behoort de concurrentie namelijk vrij te staan de desbetreffende techniek, die niet is geoctrooieerd, in volle omvang toe te passen en te leveren aan afnemers. VHS kan aan VGM c.s. ook niet gelijkenis tegenwerpen voor zover het de gele kleur betreft. Deze wordt, zo hebben VGM c.s. onweersproken gesteld, voor het spoor verplicht voorgeschreven. Dat betekent dat het gebruik van een andere kleur afbreuk zou doen aan de bruikbaarheid van het product van VGM c.s. Het gebruik van een andere kleur is dan ook niet te vergen. Voor het overige stelt VHS dat de verschillen tussen de “Telerailer” en de “ManiRail” worden veroorzaakt door door klanten gewenste technische aanpassingen die nog niet op de “ManiRail” waren doorgevoerd. Ten aanzien van dergelijke technische wensen geldt nog het volgende. Waar de bruikbaarheid van een technisch product voor een belangrijk deel wordt bepaald door de wensen en behoeften van degenen voor wie het bestemd is, is nabootsing van het product van een ander, voor zover zij nodig is om tegemoet te komen aan bij een deel van de afnemers bestaande wensen ten aanzien van het uiterlijk of eigenschappen van het product - daaronder begrepen de wensen die verband houden met de behoefte aan standaardisatie (…) - op zichzelf genomen niet onrechtmatig jegens de fabrikant van het nagebootste product, mits de nabootsing niet in strijd komt met enig wetsvoorschrift, zulks ook al zou die nabootsing verwarring omtrent de herkomst van het product kunnen wekken. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit de door VHS genoemde verklaringen blijkt dat het relevante publiek wel onderscheid kan maken tussen de twee machines. Uit deze overwegingen ten overvloede volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet eenvoudig zal zijn feiten te stellen over hetgeen voor VGM c.s. redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van de “Telerailer”, te vergen is om van de “ManiRail” onderscheidende elementen aan te brengen.

3.14. Het vorenstaande betekent dat de vordering van VHS om VGM c.s. te verbieden nog langer de “Telerailer” te produceren en op de markt te brengen behoort te worden afgewezen.

3.15. Aan de orde zijn nu de vorderingen van VHS betreffende het gebruik van foto’s van de “ManiRail” en het gebruik van de naam “ManiRail” door VGM c.s. Aan deze vorderingen ligt ten grondslag de stelling van VHS dat zij de bedenker van de naam “ManiRail” is en dat VGM c.s. onrechtmatig handelen door zonder toestemming de naam en - zo begrijpt de rechtbank - foto’s met die naam te gebruiken, terwijl daardoor bovendien verwarring wordt veroorzaakt.

3.16. Voor zover VHS heeft gesteld dat zij de naam “ManiRail” heeft bedacht en als handelsnaam voert en dat het VGM c.s. om die reden verboden is die naam te gebruiken, wordt die stelling verworpen. Wanneer sprake is van een handelsnaam in de zin van de Handelsnaamwet is het een ander verboden een handelsnaam te voeren die kort gezegd verwarring wekt over wie de onderneming drijft of die het merk van een ander bevat. VHS heeft niet gesteld dat VGM c.s. als handelsnaam “ManiRail” voeren. Uit de stellingen van VHS maakt de rechtbank op dat zij erop doelt dat zij de merknaam “ManiRail” heeft bedacht. Zij stelt dat zij de naam bij “Manitou” heeft laten registreren. Zij stelt ook dat haar holdingmaatschappij het merk als zodanig inmiddels heeft laten registreren. Bij gebreke van een nadere toelichting op een en ander van VHS moet de rechtbank het ervoor houden dat de holdingmaatschappij toestemming heeft verkregen van VHS voor de registratie van de merknaam in het Benelux merkenregister en dat VHS zich niet tegen de inschrijving heeft verzet.

3.17. Artikel 2.19., lid 1 BVIE bepaalt dat alleen de merkhouder in rechte bescherming kan inroepen tegen gebruik van een teken. Artikel 2.20., lid 1 BVIE bepaalt dat de houder van een merk het uitsluitend recht heeft het gebruik van een teken te verbieden. Waar de holdingmaatschappij de merknaam “ManiRail” heeft ingeschreven is zij de merkhouder. Alleen zij kan gelet op voormelde artikelen een vordering instellen tot een verbod op het gebruik van het teken “ManiRail”. VHS behoort in deze vorderingen dan ook, gelet op artikel 2.19., lid 2 BVIE, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wanneer de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat inschrijving bij het Benelux merkenregister heeft plaatsgehad, behoort VHS eveneens op grond van artikel 2.19., lid 2 BVIE niet-ontvankelijk te worden verklaard. Er is dan immers geen sprake van een merkhouder.

3.18. De rechtbank beoordeelt nu de vordering tot schadevergoeding van VHS. VHS stelt dat zij schade heeft geleden ten bedrage van EURO 57.500,- omdat [x] in oktober 2009 slechts bereid was EURO 200.000,- voor een “ManiRail” van VHS te betalen, terwijl [x] door toedoen van (uiteindelijk) VGM c.s. niet is ingegaan op de offerte van augustus 2008 van VHS ten bedrage van EURO 257.500,-.

3.19. Naar aanleiding van het verweer van VGM c.s. dat geen causaal verband bestaat tussen enig handelen van VGM c.s. en de door VHS geclaimde schade overweegt de rechtbank als volgt. Als VHS zou worden gevolgd in haar stelling dat [x] bij VHS geen “ManiRail” heeft gekocht in reactie op de offerte van augustus 2008 van VHS vanwege het destijds belemmeren van de verkoop daarvan door [verkoopdirecteur] en [bestuurder] en/of vanwege het maken van de “Telerailer”, dan nog staat vast dat [x] in oktober 2009 alsnog een “ManiRail” van VHS heeft gekocht. Dat betekent dat het door VHS (uiteindelijk) aan VGM c.s. verweten handelen er niet toe heeft geleid dat VHS geen “ManiRail” aan [x] heeft kunnen verkopen.

3.20. Op VHS rust de plicht feiten te stellen die tot het oordeel kunnen leiden dat [x] als gevolg van enig verwijtbaar handelen van VGM c.s. in oktober 2009 slechts bereid was een koopprijs van EURO 200.000,- te betalen voor een “ManiRail” die ten minste dezelfde eigenschappen had als die in augustus 2008 was geoffreerd en dat [x] in 2008 de geoffreerde “ManiRail” voor een bedrag van EURO 257.500,- zou hebben gekocht. Met name ontbreekt iedere toelichting van VHS waarom [x] in oktober 2009 als gevolg van enig aan VGM c.s. te verwijten handelen een “ManiRail” voor (maar) EURO 200.000,- heeft willen en kunnen kopen. Zonder die toelichting kan de rechtbank niet tot het oordeel komendat het aan enig aan VGM c.s. te verwijten handelen is dat [x] niet meer dan EURO 200.000,- heeft betaald. De verklaring van VGM c.s. dat het door VHS aan [x] verkochte exemplaar verouderd was is niet weersproken. VHS heeft zelf gesteld dat de machine uit 2007 stamde. Zij heeft ook zelf gesteld dat zij aanpassingen aan de “ManiRail” naar aanleiding van wensen van klanten nog niet had doorgevoerd, terwijl dat bij de “Telerailer” wel het geval was. Kortom, er zijn meerdere oorzaken mogelijk voor het feit dat [x] niet meer dan EURO 200.000,- voor de “ManiRail” heeft betaald. De stelling van VHS dat de oorzaak daarvan in enig aan VMG c.s. te wijten handelen is gelegen ontbeert een deugdelijke toelichting. De vordering tot schadevergoeding behoort dan te worden afgewezen.

3.21. Aan de vordering van VHS om VGM c.s. te gebieden bouwtekeningen terug te geven ligt het standpunt ten grondslag dat VGM c.s. hebben geprofiteerd van de wanprestatie, althans het onrechtmatige handelen van [verkoopdirecteur] en [bestuurder], door met die tekeningen een machine te laten bouwen die inbreuk maakt op het auteursrecht van VHS dan wel waardoor jegens VHS onrechtmatig wordt gehandeld. Waar VMG c.s. geen inbreuk op auteursrecht hebben gemaakt en ook niet onrechtmatig jegens VHS hebben gehandeld door “slaafse nabootsing” is er geen grond voor toewijzing van deze vordering van VHS op deze grondslagen. VHS heeft het gebruik maken van bouwtekeningen ook nog naar voren gebracht in het kader van haar schadevordering in verband met oneerlijke concurrentie ten aanzien van de hiervoor besproken kwestie [x]. Bij gebreke van schade is onrechtmatigheid op dit punt ook niet aan de orde. De vordering behoort dan ook te worden afgewezen.

3.22. De vordering van VHS tot inzage c.a. van in beslag genomen bescheiden op grond van artikel 843a Rv behoort te worden afgewezen. Uit de beoordeling van de vorderingen van VHS door de rechtbank volgt dat VHS geen rechtmatig belang heeft bij inzage c.s. als bedoeld in artikel 843a, lid 1 Rv.

3.23. Waar de vorderingen van VHS worden afgewezen, wordt zij in de proceskosten van VGM c.s. veroordeeld. VGM c.s. heeft over de proceskosten het volgende aangevoerd:

“Wanneer de vordering van VHS wordt toegewezen op grond van auteursrechtinbreuk, of wanneer de vorderingen van VHS worden afgewezen omdat uw rechtbank concludeert dat de heer [bestuurder] auteursrechthebbende is, dan past daarbij een vergoeding in de volledige proceskosten op basis van artikel 1019h Rv. Wijst uw rechtbank echter de vorderingen van VHS toe op grond van slaafse nabootsing of oneerlijke concurrentie, of wijst uw rechtbank de vorderingen van VHS af omdat zij niet heeft aangetoond dat van een van deze twee grondslagen sprake is dan past daarbij een forfaitaire proceskostenvergoeding”.

3.24. De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van VHS ten dele betrekking hebben op rechten van intellectuele eigendom. Artikel 1019h Rv bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten van de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld. De rechtbank moet vaststellen dat VGM c.s. de vordering op grond van artikel 1019h Rv aan voormelde voorwaarden heeft verbonden. Het betreft dan ook een voorwaardelijke vordering. Uit de beoordeling van de rechtbank volgt dat de rechtbank de vorderingen van VHS heeft afgewezen “omdat zij niet heeft aangetoond dat van een van deze twee grondslagen (auteursrechtinbreuk of slaafse nabootsing) sprake is.” Gelet op de vordering van VGM c.s. vordert zij in dat geval een forfaitaire proceskostenvergoeding, uitvoerbaar bij voorraad. De rechtbank begroot deze kosten op EURO 2.944,-.

4.De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt VHS in de proceskosten van VGM c.s., tot op heden begroot op een bedrag van EURO 2.944,- waarin begrepen EURO 2.682,- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011 door mr. (rolrechter).