Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5666

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10/2713
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een amateur-voetbalclub. Zij geeft de trainers een onkostenvergoedingen van € 643 per jaar voor kleding (€ 400), contributies (€ 80), verblijfkosten (€ 90), overige kosten (€73). De inspecteur acht de kledingvergoeding te hoog en belast daarvan € 275 per trainer per jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van werkkleding in de zin van de wet omdat de kleding niet is voorzien van een clublogo van minstens 70 cm2 en is de kleding niet uitsluitend of nagenoeg geschikt om tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking te dragen. Naheffing met verzuimboete (10%) terecht. Geen undue delay omdat er tussen partijen veelvuldig overleg is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2911
FutD 2011-2919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2713

Uitspraakdatum: 31 oktober 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats]

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag loonheffingen van € 5.764 opgelegd. Tevens is een boete van € 576 opgelegd en is € 645 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 mei 2010 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.000, de boete tot € 400 en de heffingsrente tot € 447.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 29 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 30 juni 2010, beroep ingesteld.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011 te Breda. Tijdens de zitting zijn daarbij gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 10/2713 en 10/1648. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [penningmeester] (penningmeester), vergezeld van de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan Deloitte belastingadviseurs BV te Maastricht, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde dag als deze uitspraak is verstuurd.

1.6.Op 7 juli 2011 is ter griffie een brief van de inspecteur ingekomen, waarin deze reageert op de zitting. Bij brief met dagtekening 8 juli 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat het onderzoek zal worden voortgezet. Belanghebbende heeft op de brief van de inspecteur gereageerd.

1.7. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een amateurvoetbalvereniging te [woonplaats]. Belanghebbende heeft verschillende trainers in dienstbetrekking. Belanghebbende betaalde in de jaren 2002 tot en met 2004 aan de trainers een bruto-loon alsmede een onkostenvergoeding die als volgt was gespecificeerd:

Kleding € 400,00

Contributies € 80,00

Verblijfkosten € 90,00

Overige kosten € 73,00

Totaal € 643,00

2.2.Bij belanghebbende is in september 2005 een boekenonderzoek ingesteld. Het rapport van dit onderzoek, gedagtekend 9 oktober 2006, is aan belanghebbende gezonden. Naar aanleiding van dit onderzoek is met dagtekening 31 oktober 2006 de onderhavige naheffingsaanslag met boete opgelegd.

2.3.Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd waarbij de kostenvergoeding is belast als loon. In de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd en is alleen nog als loon aangemerkt een gedeelte ad € 275 van de vergoeding voor kleding. De overige posten zijn alsnog geaccepteerd.

2.4.In een rapport van 28 mei 1999, naar aanleiding van een in 1999 namens de inspecteur ingesteld onderzoek, is over de vergoedingen aan trainers het volgende opgemerkt:

“Aan kostenvergoeding mag belastingvrij worden betaald:

(…)

1997 en 1988

Vergoeding voor kleding ed ƒ 880

Verblijfskosten (200 + 276) ƒ 200

Contributies - 175

Overige kleine kosten - 162

Totaal ƒ 1.417

(…)

2.6.Kostenvergoedingen

Aan de trainer wordt een vaste kostenvergoeding gegeven, zoals reeds boven is gespecificeerd. Tijdens het onderzoek heb ik de vergoedingen voor 1999/2000 niet besproken. Voor het seizoen 1999/2000 dient rekening gehouden te worden met het feit dat alleen nog mogelijk is om een vergoeding voor werkkleding, i.c. sportkleding, onbelast te vergoeden indien deze voorzien is van de aan de werkgever gevonden beeldmerken logo’s met een oppervlakte van tenminste 70 cm2.”

3.Geschil

3.1.In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend. Voor beantwoording van deze vraag zijn de volgende vragen van belang:

1.Is er sprake van opgewekt vertrouwen naar aanleiding van het boekenonderzoek in 1999?

2.Is er sprake van een vrijgestelde vergoeding voor werkkleding?

De berekening van de naheffingsaanslag is niet in geschil.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd. Daarvoor verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Opgewekt vertrouwen

4.1.Naar het oordeel van de rechtbank kan het in 1999 uitgevoerde boekenonderzoek redelijkerwijs niet bij belanghebbende de indruk hebben gewekt dat de door haar gevoerde handelwijze ten aanzien van de verwerking van kostenvergoeding voor kleding in de toekomst akkoord bevonden is, nu uit de bewoordingen van het naar belanghebbende verstuurde controlerapport duidelijk blijkt dat deze vergoeding voor het seizoen 1999/2000 alleen nog onbelast te vergoeden is indien deze voorzien is van aan de werkgever gebonden beeldmerken-logo’s met een oppervlakte van ten minste 70 cm2. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel moet dan ook worden verworpen.

Vrijgestelde vergoeding

4.2.Een vergoeding van de kosten van werkkleding behoort tot de vrije vergoedingen mits voldaan is aan de eisen van artikel 24 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van die bepaling wordt kleding slechts als werkkleding aangemerkt indien zij:

“a.uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

b.is voorzien van één of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².”

Om kleding als werkkleding te kunnen aanmerken is voldoende dat aan een van beide voorwaarden is voldaan. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een vrije vergoeding voor werkkleding, rusten op belanghebbende.

4.3.Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de eisen van artikel 15 Wet LB 1964 is voldaan. Ten eerste is door de inspecteur onweersproken gesteld dat de onderhavige kleding waarvoor de vergoeding is gegeven (hierna: de sportkleding) niet is voorzien van aan belanghebbende gebonden beeldmerken – zoals een clublogo – met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2. Ten tweede heeft belanghebbende niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de sportkleding uitsluitend, dan wel nagenoeg uitsluitend, geschikt is om tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking te dragen.

Boete

4.4.Bij het opleggen van de bestreden naheffingsaanslag is tevens, bij beschikking, op de voet van artikel 67c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen een verzuimboete van 10% opgelegd wegens het (gedeeltelijk) niet, dan wel niet tijdig betalen van loonbelasting. De boete is vervolgens verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de boete als volgt. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat sprake is van (gedeeltelijk) niet betalen van verschuldigde loonheffing; in zoverre is de boete terecht opgelegd. De boete is verder in overeenstemming met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vernietiging of matiging van de boete. Daarbij wordt nog opgemerkt dat gezien de bewoordingen van het controlerapport belanghebbende had kunnen begrijpen dat de betalingen van de vergoedingen gevolgen zouden kunnen hebben voor de loonheffingen.

4.5.Een beboete heeft op grond van onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de inspecteur jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

4.6.De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen met de ontvangst door belanghebbende van de aankondiging van de boete in het rapport op 9 oktober 2006. Aan deze kennisgeving heeft belanghebbende redelijkerwijs de verwachting kunnen ontlenen dat de onderhavige boete zou worden opgelegd. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur daarvoor al een handeling als in 4.5 bedoeld heeft verricht. Tussen de aankondiging van de boete en de uitspraken van de inspecteur zijn 3 jaar en 6 maanden verstreken. Naar de rechtbank afleidt uit de stukken, is in die periode veelvuldig overleg geweest tussen belanghebbende en de inspecteur over de mogelijkheid van een compromis over deze naheffingsaanslag en de naheffingsaanslag die was opgelegd voor beloningen van spelers. Derhalve is sprake van een bijzondere omstandigheid die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt. Nu de rechtbank uitspraak doet binnen een jaar en vier maanden nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld, ziet zij geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat er aanleiding is om de boete te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.7.Gelet op hetgeen hierboven is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 oktober 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg - Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 9 november 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.