Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5298

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/1872
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Art. 27e en 52 AWR. De fiscale-eenheidsdochter van belanghebbende exploiteert een autosloperij. In het kader van een derdenonderzoek zijn bij het bedrijf X lijsten gevonden waaruit volgens de inspecteur blijkt dat die dochter katalysatoren aan X heeft geleverd in de jaren 2003 en 2004. Deze katalysatoren zijn door belanghebbende niet in haar Vpb-aangiften verantwoord. De fiscus heeft navorderingaanslagen over de jaren 2002-2005 opgelegd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aan haar administratieverplichtingen heeft voldaan, waardoor er omkering van de bewijslast dient plaats te vinden. De navorderingsaanslagen berusten op een redelijke berekening. Voor de jaren 2003-2005 acht de rechtbank aannemelijk dat katalysatoren zijn verkocht aan X. Voor het jaar 2002 acht de rechtbank dat niet zonder meer aannemelijk, maar de navorderingsaanslag is niet onredelijk omdat sprake is van een reële kans dat ook in dat jaar katalysatoren zijn verkocht. De rechtbank is van oordeel dat de vergrijpboeten voor de jaren 2003 en 2004 terecht zijn opgelegd. Voor het jaar 2002 hebben de ingebrachte bewijsmiddelen echter geen zodanige bewijskracht dat het niet zonder redelijke twijfel is dat in dat jaar katalysatoren zijn verkocht aan X."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2973
V-N 2011/67.2.2
FutD 2011-2908
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/1688, 10/1689, 10/1870, 10/1872

Uitspraakdatum: 5 oktober 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats B],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2002 tot en met 2005 navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd. Bij beschikkingen zijn vergrijpboeten van 25% van de nagevorderde belasting opgelegd met betrekking tot de jaren 2002 tot en met 2004, gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslagen over deze jaren. Met betrekking tot het jaar 2005 is geen boete opgelegd.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 10, 17, 24 en 29 april 2010 de navorderingsaanslagen verminderd tot navorderingsaanslagen berekend naar belastbare bedragen van:

- € 19.906 (2002)

- € 52.713 (2003)

- € 30.550 (2004)

- € 5.786 (2005)

De opgelegde vergrijpboeten met betrekking tot de jaren 2002 tot en met 2004 zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2010 beroepen ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2002 en 2003. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier, in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 10/1689, van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. Vervolgens heeft belanghebbende bij brief van 3 mei 2010 beroepen ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2004 en 2005. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier, in de zaak bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 10/1872, van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. Belanghebbende heeft haar beroepen gemotiveerd bij brief van 4 mei 2010.

1.4. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Vervolgens heeft de zogenoemde geheimhoudingskamer van deze rechtbank op 2 mei 2011 een tussenuitspraak gedaan. Deze tussenuitspraak is op 13 mei 2011 aan partijen toegezonden.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011. Daar zijn tegelijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers AWB 10/1688, 10/1689, 10/1870, 10/1872 ten name van belanghebbende en AWB 10/1186 t/m 10/1189 ten name van de erven [erflater]. Belanghebbende en de erven worden hierna ook aangeduid als belanghebbenden. Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting en van de daar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat aan partijen bij brief van 12 juli 2011 is verzonden. De door belanghebbende overgelegde pleitnota behoort tot de gedingstukken. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank belanghebbenden per brief medegedeeld dat zij bereid is de door belanghebbenden in hun beroepschriften genoemde persoon ‘Henk’ te horen; belanghebbenden hebben deze persoon niet meegenomen naar de zitting.

1.8. Bij brief van 12 juli 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en daarbij de inspecteur in de gelegenheid gesteld om alsnog te voldoen aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer van 2 mei 2011.

1.9. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur bij brief van 19 juli 2011 de volgende stukken aan de rechtbank en aan belanghebbende gezonden:

- een hernieuwde geschoonde versie van de werklijst van 21 februari 2003;

- een hernieuwde geschoonde versie van enkele telefoonnota’s.

1.10. Bij brief van 1 augustus 2011 heeft belanghebbende een schriftelijk reactie ingediend. Een afschrift van deze brief is aan de wederpartij verstrekt.

1.11. Partijen hebben vervolgens medegedeeld geen prijs te stellen op een tweede mondelinge behandeling. Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 21 september 2011 het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. [erflater] bezat in de onderhavige jaren 51,37% van de aandelen in belanghebbende. De overige aandelen zijn in handen van zijn echtgenote, [echtgenote erflater].

2.2. Belanghebbende bezit alle aandelen in [autosloperij] B.V. Belanghebbende en [autosloperij] B.V. vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende is gevestigd op het adres [adres 1] te ([postcode]) [plaats B]. [autosloperij] B.V. exploiteert een autosloperij op het adres [adres 2] te ([postcode]) [plaats R]. De omzet van deze onderneming werd in de jaren 2002 tot 2005 volgens de administratie behaald met:

- vergoedingen die werden ontvangen van Autorecycling Nederland (hierna: ARN) voor de aangeleverde materialen en vloeistoffen die afkomstig zijn van aangeleverde auto’s;

- vergoedingen die van particulieren en ondernemers werden ontvangen voor de geleverde gedemonteerde auto-onderdelen en andere materialen;

- vergoedingen voor het leveren van schroot.

2.3. Bij een onderzoek bij de onderneming [bedrijf X] B.V. te [plaats W] ([bedrijf X]) heeft de inspecteur lijsten gevonden die betrekking hadden op leveringen van gebruikte katalysatoren aan [bedrijf X]. De inspecteur heeft geschoonde kopieën hiervan gevoegd bij het verweerschrift en een iets minder geschoonde versie naar aanleiding van de uitspraak van de geheimhoudingskamer. Op de ene lijst met als aanhef “[XXX]” staan de volgende gegevens vermeld:

[XXX] Datum: Drivers

Naam kontakt pers. straat telefoon nr plaats aantal prijs aantal Fe prijs Fe Totaal

"

""

[autosloperij] Jan/Henk [adres 2] [telefoonnummer] [plaats R]

""

""

De naam “[autosloperij]” is vermeld op de 11e regel van het blad.

Op de andere lijsten staat op de rechterhelft een overzicht dat gelijkenis vertoont met de rechterhelft van de lijst ”[XXX]”. Daarop staan tevens vermeld een datum, plaats, aantallen en prijzen. Op een aantal van die lijsten staat op de 12e regel als plaats vermeld “[plaats R]”. De inspecteur is er - uiteindelijk – van uitgegaan dat de op de 12e regel van die lijsten vermelde leveringen ”[plaats R]” betrekking hebben op leveringen van katalysatoren door belanghebbende aan [bedrijf X].

2.4. In november 2006 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij belanghebbende. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2002 tot en met 2005. Gebleken is dat belanghebbende geen omzet ter zake van verkoop van katalysatoren in haar administratie heeft verwerkt. Voorts zijn onder meer de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen onderzocht van [erflater] voor de jaren 2002 tot en met 2005. Van deze controle is een rapport opgemaakt (hierna: het controlerapport).

2.5. Op basis van het controlerapport zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2002 tot en met 2005. Deze zijn na daartegen gemaakte bezwaren verminderd bij uitspraken op bezwaar. Daarbij zijn uiteindelijk de volgende winstcorrecties in aanmerking genomen:

2002: € 8.284

2003: € 12.887

2004: € 14.053

2005: € 26.555

3. Geschil

3.1. In geschil tussen partijen is of bij belanghebbende in de onderhavige jaren sprake is van verzwegen omzet. In verband met de navorderingsaanslag over het jaar 2005 is tussen partijen ook in geschil of voldaan wordt aan de eisen voor navordering. Voorts is in geschil of de vergrijpboeten terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken, alsmede naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boeten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. De inspecteur heeft na de mondelinge behandeling nadere stukken ingestuurd naar aanleiding van de uitspraak van de geheimhoudingskamer. De rechtbank is het met belanghebbende eens dat die stukken eerder toegezonden hadden moeten worden, maar de verklaring van de inspecteur ter zitting dat hij uit de uitspraak van de geheimhoudingskamer niet had begrepen dat hij nog nadere informatie moest toezenden, is - gezien de tekst van de uitspraak van de geheimhoudingskamer - geloofwaardig. Ter zitting heeft de rechtbank de inspecteur uitgelegd welke informatie nader verstrekt diende te worden, en de inspecteur heeft die informatie na de zitting toegezonden. De rechtbank ziet geen reden deze aanvullende stukken buiten aanmerking te laten aangezien belanghebbende ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zich er over uit te laten.

Omkering van de bewijslast

4.2.1. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de sanctie van de zogenoemde omkering van de bewijslast ex artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de in artikel 52 van de AWR omschreven administratieverplichting. Ter onderbouwing heeft de inspecteur gewezen op hetgeen onder onderdeel 5.1 en 5.2 van het controlerapport is opgenomen.

4.2.2. Omtrent de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek schrijft de controlerend ambtenaar in het controlerapport van 1 juni 2007 (hierna: het controlerapport) dat het niet mogelijk is te beoordelen of de getoonde kasadministratie een correcte vastlegging is van de daadwerkelijke geldbeweging omdat (1) agenda’s met primaire aantekeningen niet zijn bewaard, (2) primaire aantekeningen met betrekking tot de betaalde inkopen niet zijn bewaard, (3) primaire aantekeningen met betrekking tot de geldbeweging op momenten dat het kasboek niet ter beschikking staat, niet zijn bewaard, (4) er weliswaar kascontrole plaatsvindt, echter niets wordt vastgelegd, (5) interne controle met betrekking tot de ontvangsten ontbreekt, (6) de verkopen van katalysatoren aan [bedrijf X] niet zijn geboekt, (7) de behaalde brutowinst geen houvast biedt, omdat de betaalde inkopen niet door bescheiden zijn gedekt, het aantal ingekochte Duitse auto’s in 2003 en 2004 niet is vast te stellen en de voorraad niet is opgenomen, maar is geschat.

4.2.3. Artikel 52 AWR verplicht een administratieplichtige als belanghebbende om van de vermogenstoestand van het bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belastingen overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

4.2.4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de in 4.2.2. onder 4 en 5 vermelde feiten geen reden om te oordelen dat niet aan de verplichtingen van artikel 52 AWR is voldaan. Dat belanghebbende intern bepaalde controles niet uitvoert of vastlegt, zegt immers niets over de kwaliteit van de administratie. De constateringen in de punten 1 tot en met 3 zijn door belanghebbende niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden. Ten aanzien van punt 7 heeft belanghebbende slechts gesteld dat de voorraad wel jaarlijks wordt opgenomen. Belanghebbende bestrijdt niet dat inkopen niet door bescheiden zijn gedekt en dat de inkopen van Duitse auto’s niet zijn te achterhalen. De rechtbank acht de vastlegging van dergelijke gegevens van wezenlijk belang voor een bedrijf als dat van belanghebbende waarbij de omzet volledig afhankelijk is van het verwerken van ingekochte auto’s.

4.2.5. Wat betreft die inkoopadministratie acht de rechtbank vooral van belang de omstandigheden dat, hoewel nagenoeg alles per kas geschiedt, (i) met betrekking tot de door de (vaste) verkoper verkochte onderdelen niets wordt genoteerd (tenzij de koper om een factuur vraagt), (ii) in de onderhavige jaren de inkoopprijzen van auto’s niet afzonderlijk werden genoteerd (doch als één bedrag per dag in het kasboek werden vermeld) en (iii) van de ingekochte Duitse auto’s uitsluitend het totaal aantal auto’s in een agenda werd vermeld. Daarbij verdient met betrekking tot (ii) opmerking dat de omstandigheid dat de website van de Belastingdienst vermeldt dat geen inkoopverklaring hoeft te worden opgemaakt indien het inkoopbedrag lager dan € 227 is, niet wegneemt – nog ervan afgezien dat deze informatie betrekking heeft op de omzetbelasting – dat een deugdelijke administratie van de inkopen dient plaats te vinden.

4.2.6. De rechtbank acht de onder 4.2.4. en 4.2.5. weergegeven gebreken aan de administratie van zodanig belang dat niet gezegd kan worden dat in de jaren 2002 tot en met 2005 op een zodanige wijze een administratie is gevoerd dat de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens uit de administratie duidelijk blijken. Op grond van het bepaalde in artikel 27e AWR verklaart de rechtbank de beroepen dan ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast). De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de geconstateerde gebreken in de administratieplicht zodanig klein van gewicht zijn dat zij geen omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigen.

Voorwaarden voor navordering jaar 2005

4.3. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag over het jaar 2005 vernietigd dient te worden omdat een zogenoemd nieuw feit ontbreekt. De inspecteur heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat, primair, sprake is van een zogenoemde schrijf- of tikfout en dat, subsidiair, sprake is van kwade trouw. Het standpunt van belanghebbende en het primaire standpunt van de inspecteur hoeven geen bespreking omdat de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende te kwader trouw was in de zin van artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de AWR. Zoals in 4.4.2. wordt overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ook in 2005 katalysatoren heeft verkocht. Niet in geschil is dat belanghebbende de resultaten behaald met de verkoop van katalysatoren niet heeft aangegeven in haar aangifte. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende dit opzettelijk heeft gedaan, nu de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende zowel destijds wist – bewust ervan was – dat zij daarmee de juiste inlichtingen aan de inspecteur onthield, als dat haar wil daarop ook gericht was.

Verkopen aan [bedrijf X] / redelijke berekening

4.4.1. Belanghebbende heeft niet bewezen dat de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen onjuist zijn. De rechtbank dient dan nog te beoordelen of de inspecteur de correcties redelijk heeft berekend.

4.4.2. De bij [bedrijf X] aangetroffen lijst ‘[XXX]’ vermeldt onder meer de naam [autosloperij], het adres [adres 2] waar het autodemontagebedrijf werd uitgeoefend en een telefoonnummer dat, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, van [autosloperij] BV is. De inspecteur heeft een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat in 2003 en 2004 diverse malen telefonisch contact is geweest tussen belanghebbende en [bedrijf X]. Vast staat bovendien dat katalysatoren uit gebruikte auto’s geld opbrachten. En tot slot blijkt uit de overige bij [bedrijf X] aangetroffen lijsten dat [bedrijf X] regelmatig katalysatoren liet ophalen in [plaats R]. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, aannemelijk dat het autodemontagebedrijf van belanghebbende onderdeel uitmaakte van het zogenoemde ‘[XXX]’. De overgelegde werklijsten van chauffeurs van [bedrijf X] – waarop de inkopen van katalysatoren zijn vermeld – bevatten geen namen van personen of bedrijven waarvan de desbetreffende katalysatoren zijn gekocht, maar slechts plaatsnamen. Op die manier werden de leveranciers van [bedrijf X] op papier anoniem gehouden. De rechtbank acht aannemelijk de verklaring van de inspecteur dat door de lijst ‘[XXX]’ te houden naast de werklijsten achterhaald kan worden van wie de katalysatoren zijn gekocht. Op enkele van die werklijsten komt op de twaalfde regel gedrukt [plaats R] voor. Dat zijn de werklijsten van 18 maart, 10 april, 13 juni, 19 augustus, 8 september, 15 oktober en 10 november 2003, en 9 maart 2004. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank voor de jaren 2003 en 2004 aannemelijk dat belanghebbende katalysatoren heeft verkocht aan [bedrijf X]. Dat acht de rechtbank ook aannemelijk voor het jaar 2005. Belanghebbende heeft immers verklaard in 2006 katalysatoren aan [bedrijf X] te hebben verkocht. Het is dan – nu bovendien aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken – aannemelijk dat belanghebbende ook in het tussenliggende jaar 2005 katalysatoren heeft verkocht.

4.4.3. Elk van de bestreden navorderingaanslagen is erop gebaseerd dat belanghebbende katalysatoren heeft verkocht in het desbetreffende jaar. Voor zover het de jaren 2003, 2004 en 2005 betreft kunnen de navorderingaanslagen in zoverre niet worden aangemerkt als onredelijk jegens belanghebbende, aangezien immers aannemelijk is dat belanghebbende in die jaren katalysatoren aan [bedrijf X] heeft verkocht (zie 4.4.2).

4.4.4. Voor het jaar 2002 is niet zonder meer aannemelijk dat belanghebbende katalysatoren aan [bedrijf X] heeft verkocht. Dat neemt echter niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank de inspecteur niet onredelijk handelt jegens belanghebbende door wel ervan uit te gaan dat belanghebbende katalysatoren heeft verkocht. Dat is niet onredelijk omdat naar het oordeel van de rechtbank rekening mag worden gehouden met de reële kans dat belanghebbende katalysatoren heeft verkocht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende in staat moet worden geacht inzicht te geven over het moment waarop zij tot demontage en verkoop van katalysatoren is overgegaan. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat zij vóór 2006 katalysatoren niet demonteerde en verkocht, maar de rechtbank acht dit niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank is door de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat evenvermelde kans reëel is. De administratie van belanghebbende vormt een onvoldoende waarborg om uit te sluiten dat verkopen van katalysatoren niet zijn gebeurd in 2002. De aankopen door [bedrijf X] van katalysatoren in 2003 laat zien dat er een markt voor katalysatoren bestaat. Het is niet zonder meer aannemelijk dat die markt in 2002 nog niet bestond. Het is evenmin zonder meer aannemelijk dat als die markt toen bestond belanghebbende niet op de hoogte zou zijn van de mogelijkheden om katalysatoren te verkopen, gelet op enerzijds belanghebbendes bedrijf dat juist onder meer gericht was op verkoop van onderdelen van auto’s en anderzijds de omstandigheid dat belanghebbende aangesloten is bij Auto Recycling Nederland. Verder blijkt uit het – in juli 2002 in werking getreden – Besluit beheer autowrakken (Stb. 2002, 259), art. 5, lid 1, in verbinding met onderdeel 6 van Bijlage C, dat aan een vergunning voor een inrichting tot opslaan van vijf of meer autowrakken of voor het bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken het voorschrift wordt gesteld dat autowrakken binnen de inrichting worden ontdaan van katalysatoren. Belanghebbende heeft desgevraagd bevestigd over de hiervoor genoemde vergunning te beschikken.

4.4.5. De navorderingsaanslag over 2003 – zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar – is gebaseerd op 645 verkochte katalysatoren aan [bedrijf X] voor een bedrag van € 12.877,50. Nu dit aantal en dit bedrag zijn gebaseerd op de informatie van de werklijsten van [bedrijf X], kan niet worden gezegd dat de berekening van de navorderingsaanslag over 2003 onredelijk is.

4.4.6. De navorderingsaanslagen over de andere jaren – zoals die luiden na de uitspraken op de bezwaren – zijn gebaseerd op een berekening die gedeeltelijk uitgaat van gegevens over het jaar 2003, vooral wat betreft het aantal katalysatoren uit Duitse auto’s. Dat is op zichzelf niet onredelijk, in aanmerking genomen dat niet gesteld of gebleken is dat volledige gegevens over verkochte aantallen in de jaren 2002, 2004 en 2005 voorhanden zijn. De inspecteur is uitgegaan van de verkoop van een katalysator uit elke ingekochte Nederlandse auto van na 1991. De berekening is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op een rationele methode en redelijke uitgangspunten. Hierbij verdient opmerking dat het (kennelijke) uitgangspunt dat 100% van de ingekochte Nederlandse auto’s van 1991 en jonger een katalysator heeft die bovendien ook nog te verkopen is, weliswaar ruw oogt, maar dat een lager percentage weinig effect heeft op de uitkomst omdat – in de gehanteerde methode – een lager percentage gecompenseerd wordt door een hoger aantal ‘Duitse’ katalysatoren.

Boeten

4.5.1. Aan belanghebbende is voor elk van de jaren 2002 tot en met 2004 een vergrijpboete opgelegd ter hoogte 25% van de nagevorderde belasting op grond van art. 67e van de AWR. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat belanghebbende door de verkoopopbrengsten van de katalysatoren niet in de aangifte te verantwoorden willens en wetens een onjuiste aangifte heeft ingediend.

4.5.2. Voor het jaar 2002 is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet erin is geslaagd het bewijs van het beboetbare feit te leveren. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, gelet op de waarborgen die artikel 6, lid 2, van het EVRM aan een beboete biedt, een belanghebbende in het geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206). De rechtbank is van oordeel dat weliswaar aannemelijk is gemaakt dat er een reële kans is dat belanghebbende in 2002 katalysatoren heeft verkocht (zie 4.4.4), maar dat de ingebrachte bewijsmiddelen geen zodanige bewijskracht hebben dat het niet zonder redelijke twijfel is dat belanghebbende daadwerkelijk katalysatoren heeft verkocht in 2002. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat (i) niet uit te sluiten is dat belanghebbende eerst in 2003 is gestart met de verkoop van katalysatoren, (ii) dat concreet bewijs ontbreekt dat belanghebbende katalysatoren in 2002 heeft verkocht en (iii) dat de omstandigheid dat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven op bepaalde punten (vgl. onderdeel 4.4.4 hiervoor) haar in het kader van de beoordeling van de boete niet kan worden tegengeworpen. Bij dit laatste is van belang dat naar het oordeel van de rechtbank zich niet het geval voordoet dat – met betrekking tot het jaar 2002 – uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking jegens belanghebbende voortvloeit dat die vraagt om uitleg van belanghebbende.

4.5.3. De rechtbank is van oordeel dat de boeten voor de jaren 2003 en 2004 terecht zijn opgelegd. De rechtbank acht op grond van hetgeen in 4.4.2 is overwogen bewezen dat belanghebbende in die jaren katalysatoren heeft verkocht en dat derhalve de primitieve aanslagen voor die jaren tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Verder acht de rechtbank het bewezen dat het aan opzet van de belastingplichtige te wijten is dat de primitieve aanslagen voor de jaren 2003 en 2004 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Vast staat dat belanghebbende de resultaten behaald met de verkoop van katalysatoren niet heeft aangegeven in haar aangifte over die jaren. De rechtbank acht bewezen dat belanghebbende dit opzettelijk heeft gedaan, nu de rechtbank bewezen acht dat belanghebbende destijds wist – bewust ervan was – dat zij daarmee de juiste inlichtingen aan de inspecteur onthield en dat haar wil daarop ook gericht was.

4.5.4. De rechtbank is van oordeel dat de voor de jaren 2003 en 2004 opgelegde boeten passend en geboden zijn. De omstandigheid dat de grondslag van elk van de boeten – de verschuldigde belasting – is beoordeeld met inachtneming van de toepassing van de sanctie van omkering van de bewijslast, vormt geen aanleiding voor een (verdere) matiging van de boeten van 25% nu ook zonder toepassing van de sanctie van omkering van de bewijslast het bedrag van de verschuldigde belasting niet lager zou zijn vastgesteld.

4.5.5. Een beboete heeft op grond van onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, behoudens bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de inspecteur jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als een zodanige handeling dient in elk geval aangemerkt te worden de kennisgeving als bedoeld in artikel 67k, lid 1, van de AWR. In het onderhavige geval heeft een dergelijke kennisgeving plaatsgevonden bij brief van 2 maart 2007 (aldus het controlerapport van 1 juli 2007). Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur daarvoor al een handeling als zojuist bedoeld heeft verricht en evenmin dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de evenvermelde tweejaarstermijn rechtvaardigen. Gelet op het tijdsverloop tussen 2 maart 2007 en de datum van de onderhavige uitspraak, te weten 5 oktober 2011, is de redelijke termijn derhalve met ongeveer twee en een half jaar overschreden. Hierin ziet de rechtbank reden de boeten te verminderen met 25%. Dit betekent dat de boeten van 25% verminderd worden tot 18,75% van het bedrag van de desbetreffende navorderingsaanslag (zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar).

Onzorgvuldig handelen

4.6. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur onbehoorlijk heeft gehandeld door, kort gezegd, de bestreden navorderingsaanslagen op te leggen en te handhaven zonder rekening te houden met de reacties van belanghebbende. De rechtbank volgt belanghebbende niet in dit standpunt. Uit het voorgaande volgt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Bovendien kan niet worden gezegd – gelet op het controlerapport en de correspondentie in de bezwaarfase – dat de inspecteur de navorderingsaanslagen en de uitspraken op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan belanghebbende kan wel worden toegegeven dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag over het jaar 2005 verzuimd heeft in te gaan op belanghebbendes stelling over de afwezigheid van een nieuw feit. Belanghebbende is daardoor evenwel niet benadeeld. De rechtbank verbindt – zo nodig met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht – daarom geen gevolgen aan dat verzuim. De rechtbank ziet, anders dan belanghebbende, in het verzuim – en ook overigens – geen aanleiding om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen.

Slotsom

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep met betrekking tot de boete over het jaar 2002 gegrond te worden verklaard, dienen de overige beroepen ongegrond te worden verklaard en dienen de boeten over de jaren 2003 en 2004 verminderd te worden.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep betreffende de boete over het jaar 2002 redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, en verwerpt daarom het standpunt van belanghebbende dat de kosten integraal moeten worden vergoed. De rechtbank stelt het bedrag van de kosten waarin de inspecteur wordt veroordeeld, vast overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief. Nu de rechtbank het gewicht van deze zaak als gemiddeld beschouwt, komt dit neer op € 1.093 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij een punt gelijk is aan € 437).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep betreffende de boetebeschikking over het jaar 2002 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot die boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking over het jaar 2002;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vermindert de boeten over de jaren 2003 en 2004 tot 18,75% van het bedrag van de navorderingsaanslag over het desbetreffende jaar;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1093;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 298 aan haar vergoedt;

Aldus gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en door de voorzitter en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 oktober 2011

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.