Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU5272

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
10/3380
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen, artikel 16, lid 4, AWR.

Uitspraken na verwijzing Hoge Raad.

De inspecteur gebruikt meer tijd dan noodzakelijk voor het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting over in het buitenland aangehouden spaartegoeden. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2902
V-N 2011/66.3.1
FutD 2011-2875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 10/3041, 10/3376, 10/3377, 10/3378, 10/3379 en 10/3380

Uitspraakdatum: 2 maart 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

De erven van [erflater], wonende te [woonplaats],

eisers,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Zwolle,

verweerder.

Eisers worden hierna belanghebbenden genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden aanslagen

De aan [erflater] (erflater) met dagtekening 13 mei 2005 opgelegde navorderingsaanslagen en de gelijktijdig bij beschikkingen in rekening gebrachte heffingsrente:

- Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, aanslagnummer [nummer].H77;

- Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998, aanslagnummer [nummer].H87;

- Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, aanslagnummer [nummer].H97;

- Vermogensbelasting 1998, aanslagnummer [nummer].K87;

- Vermogensbelasting 1999, aanslagnummer [nummer].K97 en

- Vermogensbelasting 2000, aanslagnummer [nummer].K07.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbenden, mevrouw [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Rotterdam, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde]. De zaken, geregistreerd bij de rechtbank onder procedurenummers 10/3041, 10/3376 tot en met 10/3380 en 10/2569 tot en met 10/2576 zijn gezamenlijk behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 724;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 74 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. De rechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 9 oktober 2006 de beroepen van belanghebbenden tegen de ten name van erflater opgelegde navorderingsaanslagen (zie hierboven) ongegrond verklaard. Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraak rechtstreeks beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft ter zake prejudiciële vragen gesteld die door het Hof van Justitie bij arrest van 11 juni 2009, nr. C-157/08 (BNB 2009/222) zijn beantwoord en daarop het cassatieberoep bij arrest van 26 februari 2010, nummer 43.671, gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Arnhem vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank Breda ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.2. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest onder meer de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van artikel 16, vierde lid, van de AWR:

“3.4.2. Uit de hiervoor onder 2 aangehaalde verklaring voor recht van het Hof van Justitie moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.”

3.4.3. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.”

3.4.4. Het hiervoor in 3.4.3 overwogene geldt:

- ongeacht het antwoord op de vraag of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, en

- zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat het bankgeheim kent”

(Vergelijk het met dit arrest samenhangende arrest van de Hoge Raad, 26 februari 2010, nr. 43.670bis, BNB 2010/200).

2.3. Op grond van de verwijzingsopdracht dient de rechtbank te onderzoeken of de termijn die is verlopen tussen 10 januari 2003 (het tijdstip waarop aanwijzingen zijn verschaft) en 13 mei 2005 (dagtekening van de navorderingsaanslagen) langer is geweest dan de termijn die voortvloeit uit hetgeen in rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest is overwogen. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat de inspecteur deze termijn heeft overschreden, de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

2.4. Vaststaat dat belanghebbenden de inspecteur op of omstreeks 10 januari 2003 schriftelijk op de hoogte hebben gebracht van het bestaan van bankrekeningen bij de Deutsche Bank en dat op of omstreeks 18 juli 2003 de bankrekeningnummers zijn meegedeeld, blijkbaar na een telefonische reactie van de inspecteur op de brief van

10 januari 2003. Belanghebbenden bestrijden niet dat de termijn die is verlopen tussen 10 januari 2003 en 18 juli 2003 “ noodzakelijk” was, maar stellen dat wel ten aanzien van de daarna verstreken termijn.

2.5. In de brief van 18 juli 2003 hebben belanghebbenden vermeld: “Tot op heden is achterhaald dat sinds eind 1[echtgenote] tegoeden zijn geadministreerd bij de Deutsche Bank. Deze tegoeden zijn in eerste instantie door haar echtgenoot op haar naam gesteld en geadministreerd onder rekeningnummer [nummer] bij de Deutsche Bank.(...) In 1999 is genoemde rekening door [echtgenote] opgeheven en zijn de tegoeden (ter waarde van Euro 265.579) opgenomen en vervolgens geadministreerd onder een nieuw rekeningnummer ([nummer] 00 ) bij de Deutsche Bank. Aan deze rekening is een effectendepot gekoppeld (depotnummer [nummer] 90).”

Belanghebbenden hebben in die brief voorgesteld dat de inspecteur ter zake informatie zou opvragen in Duitsland.

2.6. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 14 augustus 2003 de FIOD-ECD verzocht een inlichtingenverzoek te doen aan de Duitse autoriteiten omtrent rekeningnummer [nummer]. Daarbij heeft de inspecteur de volgende vraagstelling geformuleerd:

“Om tot een juiste belastingheffing te kunnen komen, verzoek ik u de volgende vragen te doen beantwoorden:

1 Rekeningnummer [nummer] bij de [Deutsche Bank]: Hoe hoog was het saldo op 1 januari van ieder jaar te beginnen met 1-1-1991? Hoeveel rente is jaarlijks vergoed voor deze rekening te beginnen met 1991? Tot welke bedragen zijn stortingen gedaan en opnamen gedaan vanaf 1-1-1991?

2 Zijn in Duitsland andere rekeningen of depots bekend die op naam staan van [erflater], [echtgenote] of [familielid]?

3 Indien vraag 2 met ja wordt beantwoord, graag onder vermelding van het nummer dezelfde vragen beantwoorden die in vraag 1 zijn gesteld.”

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft de FIOD-ECD het verzoek doorgeleid naar de bevoegde Duitse autoriteiten.

2.7. De Duitse autoriteiten hebben hierop geantwoord dat het gevraagde rekeningnummer is geopend op [datum] 1997 op naam van [echtgenote] en op [datum] 1999 is gesloten en dat er geen gegevens beschikbaar waren van [erflater]. De inspecteur is bij brief van 15 april 2004 door de FIOD-ECD van dit antwoord op de hoogte gebracht.

2.8. Vervolgens heeft de inspecteur bij brief van 17 juni 2004 de FIOD-ECD verzocht inlichtingen in te winnen over de bankrekeningen met nummers [nummer]-00 en [nummer]-90 ten name van [echtgenote]. In deze brief heeft de inspecteur de volgende passage opgenomen:

“(….). De gevraagde gegevens betreffende deze brief, kopie bankafschriften Deutsche Bank [nummer], heb ik inmiddels ontvangen (HEF 22475).

Uit onderzoek is echter gebleken dat er naast de deze bankrekening nog een tweede bankrekening bestaat n.l. Deutsche Bank [nummer] 00 met een hieraan gekoppelde effectendepot onder nummer [nummer] 90 t.n.v. [echtgenote]. Ik verzoek u, ten behoeve van de Nederlandse belastinginning, inlichtingen te vragen bij de Deutsche Bank in Duitsland over rekeningnummer [nummer]-00 en [nummer]-90.”

Dit verzoek is bij brief van de FIOD-ECD van 19 juli 2004 doorgeleid naar de bevoegde Duitse autoriteiten.

2.9. Bij brief van 7 december 2004 heeft de FIOD-ECD de inspecteur op de hoogte gesteld van het antwoord van de Duitse autoriteiten, dat onder meer inhield dat de bedoelde rekeningen, op naam van [echtgenote], in februari 1999 geopend en in augustus 2004 weer gesloten zijn.

2.10. Op 12 januari 2005 is namens de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften van [echtgenote] en erflater over de jaren 1993 tot en met 2003. Daarbij is overleg geweest met de gemachtigde van belanghebbenden. Op 18 januari 2005 heeft de inspecteur de berekeningen die ten grondslag zouden liggen aan de op te leggen navorderingsaanslagen aan belanghebbenden verstrekt. Op 13 mei 2005 zijn de navorderingsaanslagen opgelegd.

2.11. Belanghebbenden stellen dat de inspecteur de termijn die noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen overschreden heeft. Immers, zo voeren belanghebbenden aan, de inspecteur wist in januari 2003 van het bestaan van de drie voornoemde rekeningen en had daarom de informatie over deze rekeningen in één keer op dienen te vragen. Door dit na te laten is de termijn voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen verlengd met een periode die niet noodzakelijk is geweest. Voorts stellen belanghebbenden dat de inspecteur niet voortvarend te werk is gegaan met het opleggen van de navorderingsaanslagen voor die belastingjaren waarvoor enkel de gegevens omtrent de eerste bankrekening [nummer] van belang waren. Deze gegevens waren immers, zo voeren belanghebbenden aan, reeds in april 2004 bekend en de inspecteur heeft pas in mei 2005 de navorderingsaanslagen opgelegd.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat het begrip “noodzakelijkerwijs”, gelet op de beperking van het vrije verkeer die de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR met zich meebrengt, strikt dient te worden uitgelegd. Belanghebbenden hebben bij brief van 18 juli 2003 de rekeningnummers vermeld van de op naam van [echtgenote] aangehouden rekeningen bij de Deutsche Bank. De inspecteur heeft in zijn brief van 14 augustus 2003 aan de FIOD-ECD echter slechts één van die nummers genoemd als basis voor het informatieverzoek. Die omissie is pas later ontdekt en dat heeft tot het tweede informatieverzoek geleid. De inspecteur heeft gewacht met het opleggen van de aanslagen totdat de informatie op dit tweede verzoek binnen was. Dat was acht maanden nadat de inspecteur de informatie op het verzoek van 14 augustus 2003 had ontvangen. Aldus is door de onvolledigheid van het informatieverzoek van 14 augustus 2003 een (aanzienlijke) vertraging ontstaan die, naar het oordeel van de rechtbank, niet noodzakelijk was. Over de aldus ontstane vertraging zijn geen afspraken met belanghebbenden gemaakt. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat in elk geval het tijdsverloop in de periode van 15 april 2004 (het antwoord van de FIOD-ECD op het eerste inlichtingenverzoek van de inspecteur) tot en met 7 december 2004 (het antwoord van de FIOD-ECD op het tweede inlichtingenverzoek van de inspecteur) voor het verkrijgen van de nodige inlichtingen niet noodzakelijk is geweest.

2.13. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij met belanghebbenden had afgesproken de navorderingsaanslagen over alle belastingjaren in een keer op te leggen. De rechtbank zal in het midden laten of dat tot het oordeel zou kunnen leiden dat de inspecteur met de nodige voortvarendheid te werk is gegaan betreffende de belastingjaren waarvoor slechts de informatie van bankrekening [nummer] noodzakelijk was. Immers, hetgeen in 2.12 is overwogen omtrent het niet noodzakelijk geachte tijdsverloop geldt voor alle in het geding zijnde belastingjaren. De navorderingsaanslagen zijn aldus naar het oordeel van de rechtbank te laat opgelegd en dienen te worden vernietigd.

2.14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.15. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank Arnhem, 0,5 punt voor het indienen van een nadere zienswijze na verwijzing van de Hoge Raad, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting bij deze rechtbank, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Toepassing van een factor 1,5 wegens meer dan 3 samenhangende zaken leidt dan tot een totale proceskostenvergoeding van € 1.449. De rechtbank merkt de onderhavige zaken en de zaken met de nummers 10/2569 tot en met 10/2576 aan als samenhangende zaken. Van de proceskostenvergoeding wordt € 724 in de onderhavige zaken toegekend. Voor een integrale proceskostenvergoeding, zoals belanghebbende die voorstaat, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Aldus gedaan door mr. D. Hund, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door deze en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 maart 2011

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.