Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU4655

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
11/2163
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag afvalstoffenheffing vernietigd omdat Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen geen bepaling bevat op grond waarvan de belastingschuld aan het begin van het belastingjaar ontstaat. De aanslag had eerst na afloop van het jaar opgelegd mogen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2800
Belastingblad 2012/24
FutD 2011-2856
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/2163

Uitspraakdatum: 6 oktober 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 8 maart 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing betre[het perceel]]

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep betreffende de aanslag afvalstoffenheffing gegrond;

- verklaart het beroep betreffende de aanslag rioolheffing ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag afvalstoffenheffing;

- vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 77,24;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende woonde op 1 januari 2011 in een studentenhuis aan de [het perceel] (hierna: het perceel). Hij was op die datum niet de bewoner die op het adres van het perceel het langst stond ingeschreven in het bevolkingsregister. De persoon die per 1 januari 2011 het langst stond ingeschreven, [de heer D], is per 12 januari 2011 geen bewoner meer van het studentenhuis. Na deze datum is belanghebbende wel de bewoner die het langst ingeschreven staat op het adres van het studentenhuis. Met dagtekening 19 januari 2011 is aan belanghebbende een “kennisgeving kamerbewoning 2011” toegezonden met de mededeling dat de onderhavige aanslagen aan hem zouden worden opgelegd.

2.2. In het bevolkingsregister is belanghebbende per 23 januari 2011 overgeschreven naar een ander adres in [woonplaats]. Uit onderzoek bij de woningbouwvereniging is evenwel gebleken dat belanghebbende ook na die datum nog steeds huurder en gebruiker is van het studentenhuis. Per 13 april 2011 is belanghebbende weer ingeschreven op het adres van het studentenhuis. Ter zitting heeft belanghebbende in dit verband verklaard dat hij gedurende het gehele jaar 2011 het feitelijk gebruik van het perceel heeft gehad.

2.3. Met dagtekening 28 februari 2011 zijn aan belanghebbende de onderhavige aanslagen opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij de uitspraken op bezwaar van 8 maart 2011 zijn de aanslagen verminderd met de heffing over de maand januari 2011.

2.4. Met dagtekening 30 april 2011 zijn aan [de heer D] voor het perceel aanslagen afvalstoffen- en rioolheffing voor de maand januari opgelegd. Hij heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Deze aanslagen staan onherroepelijk vast.

2.5.1. Belanghebbende stelt dat de aanslagen ten onrechte aan hem en niet aan [de heer D] zijn opgelegd. Dit omdat niet hij, maar [de heer D] op 1 januari 2011 de langst ingeschreven bewoner van het perceel was, zodat het opleggen van de aanslagen afwijkt van het door de heffingsambtenaar gevoerde beleid.

2.5.2. Indien er verschillende feitelijke gebruikers van één perceel zijn, dan zijn er voor de afvalstoffen- en rioolheffing evenzoveel belastingplichtigen. De gemeente kan hen gezamenlijk in de heffing betrekken of ingevolge artikel 253, lid 1, Gemeentewet de belastingaanslag ten name van één van hen stellen. Dit artikel is in artikel 15.33, lid 3, Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing verklaard op de afvalstoffenheffing. Bij het bepalen van de keuze aan wie de aanslag zal worden opgelegd, is de gemeente gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Zij moet beleidsregels opstellen voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een dergelijke keuzesituatie.

2.5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voor het perceel

belastingplichtig is voor de afvalstoffen- en rioolheffing. In het onderhavige geval heeft de gemeente beleidsregels opgesteld voor het maken van de keuze voor een bepaalde belastingplichtige. Deze regels luiden voorzover van belang:

“C. Reinigingsrechten (Afvalstoffenheffing)

1. De gebruiker van een perceel wordt naar de volgende volgorde vastgesteld:

1.1. (…).

1.2. Voor wat betreft een perceel dat wordt gebruikt door meerdere niet verwante personen (zgn. code 6-objecten): degene die volgens het GBA op het moment van ontstaan van de belastingplicht de langst aanwezige, geregistreerde bewoner van het pand is.

D. Rioolrechten

1. (…)

4. Voor wat betreft roerende of onroerende zaken die worden gebruikt door meerdere niet verwante personen (zogenaamde code 6-objecten):

4.1. degene die volgens het GBA op het moment van ontstaan van de belastingplicht de langst aanwezige, geregistreerde bewoner van het pand is.

E. Overig

(…)

3. Aangezien de voorkeursvolgorde erop gericht is de aanslag op te leggen aan een belastingplichtige die in staat mag worden geacht om de belasting te betalen, kan ook tot een andere keuze gekomen worden dan uit de voorkeursvolgorde zou volgen.”

2.5.4. Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 oktober 2008, nr 42 753, onder meer gepubliceerd in BNB 2008/300, overwogen:

“3.7. Voor zover het Hof een schending van artikel 3:4, lid 2, van de Awb aanwezig heeft geacht, geldt het navolgende. Het Hof grondt dit oordeel met name op de omstandigheid dat belanghebbende praktische problemen ondervindt bij het verhalen van gedeelten van het geheven bedrag op de medegebruikers van het perceel, in het bijzonder waar die medegebruikers stellen in aanmerking te komen voor kwijtschelding krachtens het ter zake geldende invorderingsbeleid van de gemeente, indien zij zelfstandig in de heffing zouden zijn betrokken. Een en ander raakt echter niet de rechtmatigheid van de aanslag, doch de invordering daarvan, die als zodanig niet ter beoordeling staat van de belastingrechter. Daarbij verdient opmerking dat het een gemeente vrijstaat om, als zij ervoor kiest om één van de gebruikers aan te slaan, bij de keuze welke gebruiker zij in de heffing betrekt (mede) rekening te houden met de kans dat de aanslag bij hem kan worden geïnd.”

(…)

Het voorgaande brengt mee dat de belastingrechter ook bij de toetsing van de keuze van een heffingsambtenaar welke bewoner(s) hij aanslaat, geen mogelijkheden heeft om rekening te houden met moeilijkheden bij verhaal van de heffing op medebewoners.

2.5.5. Uit voormeld arrest volgt dat het de heffingsambtenaar vrijstaat om bij de keuze van

de gebruiker die hij in de heffing betrekt rekening te houden met de kans dat de aanslag bij hem kan worden geïnd. Gelet hierop en de onder 2.1 en 2.2 vermelde feiten, is naar het oordeel van de rechtbank bij het opleggen van de aanslagen aan belanghebbende geen sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Bij het opleggen van de aanslagen was bij de gemeente immers al bekend dat [de heer D] was verhuisd en heeft de heffingsambtenaar in overeenstemming met de onder C en D geformuleerde beleidsregel de keuze voor belanghebbende gemaakt, aangezien hij op dat moment de langst ingeschreven bewoner was. Onderdeel E van de beleidsregels geeft de heffingsambtenaar deze ruimte. Gelet op de onder 2.1 en 2.2 vermelde feiten heeft de heffingsambtenaar bij gebruikmaking van deze ruimte, naar het oordeel van de rechtbank, niet willekeurig gehandeld door voor belanghebbende te kiezen.

2.5.6. De verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 1 februari 2000, LJN AA7751 kan hem niet baten, nu daarbij sprake was van een situatie waarbij er aanslagen zijn opgelegd aan de betreffende belanghebbende na vernietiging van de aanslagen die eerder aan een andere bewoner over dezelfde periode waren opgelegd. Die situatie wijkt af van de onderhavige situatie.

2.5.7. Mede gelet op het onder 2.5.4 genoemde arrest moet belanghebbende worden toegegeven dat de heffingsambtenaar niet de mogelijkheid heeft om zowel aan hem als [de heer D] aanslagen op te leggen zoals in het onderhavige geval gedaan. Nu echter de aanslagen eerder aan belanghebbende zijn opgelegd dan aan [de heer D] en uit het vorenoverwogene volgt dat het opleggen van de aanslagen aan belanghebbende op zichzelf is toegestaan, is de voornoemde omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de aan belanghebbende opgelegde aanslagen te vernietigen. Overigens wordt vermeld dat er geen sprake is van dubbele heffing nu de aanslagen van [de heer D] zien op de maand januari en de onderhavige aanslagen - na de bestreden uitspraak - niet meer.

2.6. Belanghebbende heeft tevens gesteld dat de aanslagen niet in stand kunnen blijven omdat ze in strijd met het beleid van de gemeente zijn opgelegd. Dit beleid houdt volgens belanghebbende in dat, indien de langstzittende huurder aan wie de aanslagen zijn opgelegd in de loop van het jaar verhuist, vervolgens geen nieuwe aanslagen aan de daarna langst ingeschreven bewoner worden opgelegd. Deze stelling slaagt niet, alleen al vanwege het feit dat in het voorliggende geval de aanslagen, anders dan in de door belanghebbende geschetste situatie, aan belanghebbende zijn opgelegd vóór het moment waarop aanslagen aan de langstzittende huurder zijn opgelegd. Het betreft dus niet een situatie waarop het door belanghebbende genoemde beleid, wat daar verder ook van zij, van toepassing is.

2.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is terecht een aanslag rioolheffing opgelegd. Voor dat geval staat niet ter discussie dat de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. De aanslag rioolheffing dient dan ook in stand te blijven.

2.8.1. Voor wat betreft de aanslag afvalstoffenheffing stelt belanghebbende voorts dat de Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen 2011 (hierna: de Verordening) geen fictie bevat die de volledige belastingschuld aan het begin van het belastingjaar doet ontstaan, zodat die aanslag pas na afloop van 2011 had kunnen worden opgelegd.

2.8.2. In de Verordening is in artikel 6 bepaald dat de belastingplicht bij de aanvang van

het belastingjaar ontstaat, of ingeval het gebruik van een perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, bij de aanvang van dat gebruik. Het belastingjaar is in artikel 4 gelijkgesteld aan het kalenderjaar. De belasting wordt bij aanslag geheven en bedraagt een vast bedrag per belastingjaar, namelijk € 262,22 per perceel. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt wordt de belasting geheven over zoveel twaalfde gedeelten als na aanvang nog volle kalendermaanden in het belastingjaar overblijven. Indien de belastingplicht eindigt in de loop van het belastingjaar wordt een ontheffing van belasting verleend over zoveel twaalfde gedeelten als na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

2.8.3. De rechtbank stelt voorop dat de grootte van de belastingschuld reeds bij aanvang

van het belastingjaar en niet eerst na afloop daarvan bekend is. De belasting bedraagt immers een vast bedrag per perceel. Dit betekent echter niet dat de belastingschuld bij aanvang van het belastingjaar ook is ontstaan. In het geval van de afvalstoffenheffing groeit de materiële belastingschuld immers gedurende het jaar aan. De materiële belastingschuld is aan het einde van het jaar volledig aangegroeid en ontstaat dan ook na afloop van het tijdvak. Nu in het onderhavige geval in de Verordening niet is vastgelegd dat de materiële belastingschuld op een eerder tijdstip dan voornoemd ontstaat, is de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing voortijdig opgelegd. Dit omdat in het stelsel van de AWR de aanslag de formalisering van de materiële belastingschuld betreft en zolang de belastingschuld nog niet rechtsgeldig bestaat er van een formalisering nog geen sprake kan zijn. De aanslag afvalstoffenheffing kan dan ook niet in stand blijven. Voor de volledigheid wordt vermeld dat de Verordening niet voorziet in de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen.

2.8.4. Nu de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing is vernietigd, is de heffingsambtenaar overigens bevoegd om na afloop van het heffingsjaar binnen de in artikel 11, lid 3, van de AWR genoemde termijn alsnog een aanslag afvalstoffenheffing over het onderhavige heffingsjaar op te leggen (vergelijk Hoge Raad 2 november 1994, nr 29 595, onder meer gepubliceerd in BNB 1995/12).

2.9. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding van € 77,24 voor de reis- en verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard hiermee akkoord te zijn, indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld.

2.10. Gelet op al het vorenoverwogene is beslist als voormeld.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 oktober 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.