Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU3995

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
241188 / KG ZA 11-576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Zorgaanbieder vordert van CZ toekenning van een prijsopslag voor "keten integrale vroeghulp’ conform het Zorginkoopdocument 2012. Vordering niet toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 241188 / KG ZA 11-576

Vonnis in kort geding van 8 november 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING GEMIVA-SVG GROEP,

gevestigd te Gouda,

eiseres,

advocaat mr. O.L. Doubrovskaia te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CZ ZORGKANTOOR BV,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Gemiva-SVG en CZ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Gemiva-SVG

- de pleitnota van CZ.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Gemiva-SVG vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad CZ gebiedt de voorlopige uitkomsten tariefsbepaling 2012 extramurale zorg en verblijfszorg ongedaan te maken en deze aldus te wijzigen:

voor wat betreft de inkoop extramuraal Gemiva-SVG een opslag

- voor de regio Zuid-Hollandse Eilanden in het tarief voor het onderdeel ‘keten integrale vroeghulp’ (GZ) 3% toe te kennen indien Gemiva-SVG binnen een termijn van vier weken na het bekend worden van de standpunten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten aanzien van integrale vroeghulp een (met andere participanten op te stellen) plan van aanpak bij CZ aanlevert;

- voor de regio Haaglanden in het tarief voor het onderdeel ‘keten integrale vroeghulp’ (GZ) een nader vast te stellen percentage toe te kennen indien Gemiva-SVG binnen een termijn

van vier weken na het bekend worden van de standpunten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten aanzien van integrale vroeghulp een (met andere participanten op te stellen) plan van aanpak bij CZ aanlevert;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van CZ in de kosten van dit geding.

2.2. CZ voert verweer.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De feiten

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. CZ is één van de zorgkantoren die op grond van een mandaats- en volmachtovereenkomst de voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna te noemen: AWBZ) toegelaten zorgverzekeraar vertegenwoordigen in de regio waarvoor zij als verbindingskantoor zijn aangewezen.

b. Voor de zorg waarop aanspraak bestaat uit hoofde van de AWBZ wordt het tarief dat een zorgverzekeraar ten hoogste in rekening mag brengen en een zorgkantoor ten hoogste mag betalen, vastgesteld door de Nederlandse Zorg Autoriteit.

c. Voor het gebruik van haar contracteerbevoegdheid heeft CZ een inkoopprocedure vorm gegeven die opgenomen is in het Zorginkoopdocument 2012, gepubliceerd op 1 juni 2012, dat van toepassing is voor de sector waarbinnen zorg wordt geboden.

d. In het Zorginkoopdocument 2012 is aangegeven dat een zorgaanbieder door deel te nemen aan de inkoopprocedure te kennen geeft in te stemmen met de voorwaarden die in het inkoopdocument zijn opgenomen. In paragraaf 7.3 is aangegeven dat tot uiterlijk 15 juni 2011 de mogelijkheid bestaat tot het stellen van vragen over Inkoopdocument 2012 door zorgaanbieders en mogelijkheid van bezwaar tegen het Inkoopdocument 2012.

e. In het Zorginkoopdocument 2012 heeft CZ aangegeven dat sturing via de prijs een van de instrumenten is die zij in het kader van haar inkoopbeleid inzet. Voor het bepalen van de prijs als factor van de productieafspraak hanteert CZ een methode die zowel opslagen als afslagen kent.

f. In het Inkoopdocument 2012 is beschreven onder welke voorwaarden aanbieders in aanmerking kunnen komen voor een prijsopslag van 3% voor de prestatie “keten integrale vroeghulp” voor de extramuraal te verlenen zorg, ondermeer dient de deelnemende zorgaanbieder uiterlijk 1 september 2011 per keten integrale vroeghulp een implementatieplan met onderbouwing aan te leveren.

g. Gemiva-SVG heeft tijdig een volledige inschrijving ingediend en aldus kenbaar gemaakt voor een overeenkomst voor 2012 in aanmerking te willen komen.

h. Gemiva-SVG heeft bij brief van 29 juli 2011 betreffende de regio Haaglanden aangegeven dat zij op basis van een “grammaticale uitleg” meent aanspraak te hebben op een prijsopslag ook als zij slechts meelift op een keten die door anderen is vormgegeven.

i. Gemiva-SVG heeft bij brief van 29 juli 2011 aan CZ medegedeeld dat zij met betrekking tot de regio Zuid-Hollandse Eilanden niet voornemens was een plan van aanpak voor het onderdeel “keten integrale vroeghulp’ in te dienen.

j. Bij brief van 6 oktober heeft CZ aan Gemiva-SVG medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een prijsopslag op het onderdeel “keten integrale vroeghulp” voor de regio Zuid-Hollandse Eilanden omdat zij niet tijdig een plan van aanpak heeft ingediend en evenmin voor de regio Haaglanden omdat zij in de bestuursverklaring de betreffende prijsopslag niet heeft aangevinkt.

4. De beoordeling

4.1. Gemiva-SVG stelt dat zij reeds bij inschrijving op 29 juli 2011 aan CZ heeft aangegeven dat zij niet in staat verwachtte te zijn om een plan van aanpak voor 1 september 2012 aan te leveren omdat op dat moment de contouren van de upgrading van alle lopende integrale vroeghulp projecten nog niet duidelijk zouden zijn. Zolang de besluitvorming van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar aanleiding van het advies van Chiel Bos nog niet heeft plaatsgevonden is het opstellen van een pan van aanpak volgens Gemiva-SVG compleet betekenisloos, omdat de besluiten van genoemd ministerie immers in buitengewoon grote mate de wijze zullen beïnvloeden waarop het plan van aanpak dient te worden ingevuld. Het handelen van CZ door vooruitlopend op de beslissingen van het Ministerie van VWS toch een plan van aanpak als voorwaarde te stellen is volgens Gemiva-SVG onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Gemiva-SVG acht het redelijk dat CZ daarvoor de aanbieders een termijn gunt van vier weken na het bekend worden van de standpunten van het Ministerie van VWS. Gemiva-SVG betwist de stelling van CZ dat andere zorgaanbieders er wel in zijn geslaagd om tijdig een plan van aanpak in te dienen. Indien dit al zo zou zijn, merkt Gemiva-SVG op dat CZ door haar voorwaarden calculerend gedrag van zorgaanbieders uitlokt en kennelijk beloont.

Ten aanzien van de regio Haaglanden stelt Gemiva-SVG dat zij geen vanzelfsprekende deelnemer is aan een VVI-project omdat zij in deze regio uitsluitend zorg levert aan volwassenen met een lichamelijke beperking. Participatie aan een dergelijk project ligt dan ook in zoverre niet voor de hand dat het niet vanzelfsprekend was dat Gemiva-SVG reeds aan het begin van 2011 aan een dergelijk project deelnam. Gemiva-SVG heeft zich als participant bij het samenwerkingsverband integrale vroeghulp in de regio Haaglanden aangemeld en is daarmee een zorgaanbieder geworden die aan een VVI-project deelneemt. Aldus zou Gemiva-SVG thans in de regio Haaglanden voor een toeslag in het kader van “keten integrale vroeghulp” in aanmerking kunnen komen. Omdat de hoogte van het opslagpercentage waarvoor Gemiva-SVG in de regio Haaglanden in aanmerking zou komen afhankelijk is van het VVI-project welke, mede gelet op de recente deelname van Gemiva-SVG daaraan, vooralsnog niet is uitgekristalliseerd kon Gemiva-SVG op het moment van inschrijving (nog) niet het percentage aangeven in de bestuursverklaring waarvoor zij in aanmerking komt. Gemiva-SVG heeft hierover in de eerste plaats een opmerking gemaakt op de ingevulde bestuursverklaring en is bovendien in de begeleidende brief uitvoerig op dit punt ingegaan.

Gemiva-SVG stelt zich op het standpunt dat de voorwaarden die CZ in het inkoopdocument heeft neergelegd ‘meeliften’ niet uitsluiten en zelfs mogelijk maakt. De feitelijke bijdrage aan een project (in geld of inzet) van een zorgaanbieder staat immers niet per definitie in verhouding tot de bijdrage aan verbeteringen in een bestaande keten of bijdrage aan de opzet van een nieuwe keten.

Subsidiair is Gemiva-SVG van mening dat CZ een prijsopslag heeft gekoppeld aan een criterium waaraan veel zorgaanbieders per definitie, enkel en alleen gelet op het type cliënten waaraan zij zorg bieden, niet kunnen voldoen. CZ handelt dan ook onrechtmatig door zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg die (in een bepaalde regio) geen zorg bieden aan de doelgroep waarop het onderdeel ‘keten integrale vroeghulp’ ziet feitelijk per definitie uit te sluiten van een maximum prijsopslag van 3% in dat kader.

4.2. CZ voert als verweer dat de prijsopslagen ‘keten integrale vroeghulp’ terecht niet zijn toegekend omdat Gemiva-SVG voor de regio Haaglanden in de bestuursverklaring niet heeft aangegeven dat zij bereid was de prestatie ‘keten integrale vroeghulp’ te leveren en dat Gemiva-SVG voor de regio Zuid-Hollandse Eilanden heeft nagelaten een plan van aanpak in te dienen als voorgeschreven in het Inkoopdocument 2012. CZ stelt dat de door Gemiva-SVG gegeven verklaring waarom zij geen plan van aanpak kon indienen -het ontbreken van advies van Chiel Bos- andere aanbieders in dezelfde regio er niet van heeft weerhouden plannen in te dienen die voldeden aan alle voorwaarden van het Inkoopdocument 2012.

CZ licht toe dat Gemiva-SVG haar inschrijvingen vergezeld heeft doen gaan van een tweetal brieven waarin zij voor de regio Haaglanden heeft aangegeven dat zij als voorstander van een grammaticale uitleg van de inkoopdocumenten van mening was dat zij ook als zij slechts meelift op een keten die door anderen is vormgegeven, derhalve zonder enige inspanning te verrichten, in aanmerking kon komen voor de prijsopslag voor de prestatie ketenintegrale vroeghulp. Gemiva-SVG baseert zich blijkens haar brief op een stroomschema dat opgenomen is op pagina 14 van de Nota van Inlichtingen en dat duidelijk vermeldt dat aan het schema “ geen rechten kunnen worden ontleend.” In dit geval is van belang, dat CZ niet alleen door middel van het stroomschema heeft aangegeven wanneer een aanbieder voor de prijsopslag in aanmerking komt maar zij bovendien een duidelijke maatstaf heeft geformuleerd die inhoudt dat een zorgaanbieder concrete verbeteringen dient aan te brengen in een bestaande keten of een nieuwe keten dient op te zetten. De “grammaticale uitleg” van Gemiva-SVG kan niet anders worden uitgelegd dan dat een aanbieder die meelift geen aanspraak kan maken op de prijsopslag indien hij als meelifter niet tevens concrete verbeteringen aanbrengt. Gemiva-SVG heeft in haar brief bovendien aangegeven dat zij het aan CZ overliet om “het toepasselijke percentage” in te vullen. CZ meent dat Gemiva-SVG op onjuiste gronden wel de juiste conclusie heeft getrokken door niet aan te geven dat zij voor een opslag in aanmerking wil komen en op basis van alleen de bestuursverklaring van Gemiva-SVG is de opslag dan ook niet toegekend.

Voor de regio Zuid-Hollandse Eilanden heeft Gemiva-SVG tot uitdrukking gebracht niet in de gelegenheid te zijn een plan van aanpak in te dienen omdat zij, ofschoon zij de eis “niet onlogisch” vond, oordeelde dat “het (….) natuurlijk ridicuul (is) om van elke zorgaanbieder zo’n plan te verwachten”. Daarmee was al duidelijk dat Gemiva-SVG niet zou voldoen aan de criteria die in de inkoopprocedure waren gesteld en dienovereenkomstig heeft CZ ook besloten.

CZ stelt dat de woordkeus en de inhoud van beide brieven doen vermoeden dat Gemiva-SVG wil achterhalen waar de grenzen van de inkoopprocedure liggen. Indien Gemiva-SVG echter in rechte aan de orde wilde stellen dat CZ een andere procedure zou dienen te volgen voor de verdeling van de beperkte financiële middelen die beschikbaar zijn, dan had Gemiva-SVG dit kunnen doen door haar opvattingen kenbaar te maken tijdens de consultatieronde die CZ voorafgaand aan de bekendmaking van het Inkoopdocument 2012 heeft georganiseerd en door gebruik te maken van de mogelijkheid in kort geding tegen het Inkoopdocument 2012 op te komen. In de consultatieronde heeft Gemiva-SVG gereageerd op de voorstellen voor prijscriteria, maar toen de zienswijze van Gemiva-SVG niet door CZ werd gevolg, heeft Gemiva-SVG nagelaten binnen 15 dagen na bekendmaking van het Inkoopdocument of binnen 15 dagen na de publicatie van de Nota van Inlichtingen in rechte tegen de inkoopprocedure op te komen.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide door Gemiva-SVG opgeworpen bezwaren betrekking hebben op de wijze waarop CZ haar Zorginkoopdocument heeft vorm gegeven. Gemiva-SVG stelt immers dat de door CZ daarin gestelde criteria en voorwaarden op onjuiste gronden berusten, dan wel getuigen van onrechtmatig handelen.

CZ stelt echter terecht dat, nu Gemiva-SVG geen bezwaar heeft gemaakt tegen het inkoopdocument 2012, zij door haar inschrijving heeft ingestemd met de voorwaarden die in het Zorginkoopdocument 2012 zijn opgenomen. Voor dit kort geding is van belang dat daaruit volgt dat Gemiva-SVG de procedurevoorschriften en de criteria voor toekenning van een prijsopslag voor het onderdeel ‘keten integrale vroeghulp’ heeft aanvaard en dat Gemiva-SVG thans geen bezwaren meer kan aanvoeren die inhoudelijk betrekking hebben op het Zorginkoopdocument 2012 zelf. Die bezwaren had Gemiva-SVG immers binnen 15 dagen na bekendmaking van het zorginkoopdocument kenbaar moeten maken. Uit het voorgaande volgt dat de thans ingestelde vorderingen, die neerkomen op inhoudelijk bezwaar tegen bepaalde voorwaarden in het Zorginkoopdocument 2012, niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen.

5. De kostenveroordeling

5.1. Gemiva-SVG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CZ worden begroot op:

- griffierecht EUR 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.376,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Gemiva-SVG in de proceskosten, aan de zijde van CZ tot op heden begroot op EUR 1.376,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2011 in aanwezigheid van de griffier, mr. Van de Kreeke-Schütz.