Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU2933

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-09-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
10/3415
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY0552
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1174, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting

De verkoop van kortingskaarten zonder nominale waarde, waarmee bij bepaalde horecabedrijven de tweede maaltijd gratis is of bij bepaalde bedrijven korting kan worden gekregen, is niet vrijgesteld van omzetbelasting. De kaart is geen waarde- of handelspapier en geen betaalmiddel in de zin van de Wet Ob. De kaart is geen cadeaubon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-2689
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3415

Uitspraakdatum: 26 september 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]F.01.5501) in de omzetbelasting opgelegd van € 886.485 en bij gelijktijdige beschikking € 112.209 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 augustus 2010 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 643.567 en de heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 81.486.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 18 augustus 2010, beroep ingesteld.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan Baker & McKenzie Amsterdam N.V. te Amsterdam, alsmede namens de inspecteur [gemachtigden].

1.6.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

1.7.Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.8.De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende hield zich bezig met de uitgifte en verkoop van zogenoemde [kortingskaart]. De houder van een [kortingskaart] had recht op korting bij bestellingen bij of in de op de desbetreffende kaart vermelde bedrijven, zoals restaurants, bioscopen, hotels, sauna’s etcetera. De korting werd verleend voor op de kaart vermelde aanbiedingen. Houders van de kaarten konden de kortingen realiseren op vertoon van de kaart, door inlevering van een bij de kaart behorende coupon of door een door de desbetreffende aanbieder te plaatsen aantekening op de kaart. De aanbiedingen hadden een verschillend karakter, al naar de desbetreffende aanbieder met belanghebbende was overeengekomen. In veel gevallen werd bij aankoop van vier of twee eenheden de prijs berekend voor respectievelijk twee eenheden en één eenheid. In een aantal gevallen kon gedurende de geldigheidsperiode van de kaart verschillende keren of zelfs dagelijks gebruik gemaakt worden van de daarop vermelde aanbieding(en). Belanghebbende ontving van de desbetreffende bedrijven geen vergoeding noch bracht zij aan die bedrijven enig bedrag in rekening ter zake van de [kortingskaart].

2.2.De [kortingskaart] werden in opdracht van verkoopkantoren door distributeurs, ook wel promotors of wederverkopers genoemd, aan de consument verkocht voor een prijs variërend van € 15 tot € 25. De geldigheid van de [kortingskaart] was ongeveer zes maanden. De verkoopkantoren ontvingen van belanghebbende een bedrag per verkochte kaart.

2.3.Belanghebbende heeft over de vraag of zij omzetbelasting verschuldigd was over de bij de verkoop van [kortingskaart] ontvangen bedragen eerder geprocedeerd. In de arresten van 15 juni 1998, nr. 33 390 en 33 391 heeft de Hoge Raad – kort gezegd – geoordeeld dat het beroep van belanghebbende op de Resolutie van 22 december 1992, nr. VB92/2060 (gepubliceerd in VN 1993, blz. 65, verder: de Resolutie) slaagde en dat de verkoop van de [kortingskaart] was vrijgesteld van omzetbelasting. In de Resolutie was de volgende definitie gegeven van (van omzetbelasting vrijgestelde) cadeaubonnen: “tegen betaling te verkrijgen bonnen die zijn bestemd om te worden gebruikt als betaling voor de aankoop van (bepaalde) goederen en diensten.” Volgens de Hoge Raad vielen de [kortingskaart] onder deze definitie.

2.4.Onder meer naar aanleiding van de in 2.3 vermelde arresten heeft de staatssecretaris van Financiën de Resolutie vervangen door het Besluit van 30 december 1999, nr. VB99/2649 (gepubliceerd in VN 2000/6.15, verder: het Besluit). In het Besluit is vermeld dat ten opzichte van de Resolutie de volgende wijziging is aangebracht: “De aanpassing betreft in de eerste plaats het buiten beschouwing laten van het besluit op kortingskaarten.” Vervolgens is de volgende definitie gegeven van (van omzetbelasting vrijgestelde) cadeaubonnen: “bonnen die de houder het recht geven deze tot de daarop vermelde nominale bedragen voor de aankoop van goederen en diensten in betaling te geven”.

2.5.Naar aanleiding van een in 2005 door de inspecteur ingesteld boekenonderzoek over het onderhavige tijdvak heeft de inspecteur omzetbelasting nageheven over de met verkoop van [kortingskaart] behaalde omzet.

3.Geschil

3.1.In geschil is

a. of de uitgifte en verkoop van de [kortingskaart] onder de vrijstelling valt van artikel 11, eerste lid, onderdeel i dan wel j, ten tweede, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), hetgeen belanghebbende verdedigt doch de inspecteur betwist;

b. of, zo het gelijk met betrekking tot het geschilpunt onder a. aan de inspecteur is, de inspecteur gehandeld heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel door geen vrijstelling toe te passen, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur bestrijdt.

Ter zitting hebben partijen de overige door hen ingenomen stellingen, met name die met betrekking tot de verhouding tussen belanghebbende en de aanbieder van de goederen en diensten, laten varen.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van naheffingsaanslag en van de beschikking heffingsrente.

3.4.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid rechtbank

4.1.Eerst kort voor de zitting is onderkend dat eiseres gevestigd is te [woonplaats] en dat zij haar beroepschrift had moeten richten aan de rechtbank te Haarlem. Ter zitting hebben partijen deze rechtbank gevraagd de behandeling van het beroep voort te zetten en de zaak niet door te sturen naar de rechtbank te Haarlem, ten einde verdere vertraging te voorkomen. De rechtbank heeft aan dit verzoek om reden van proceseconomie gevolg gegeven.

Ten gronde

4.2.Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat de functie van de [kortingskaart] is dat deze de houder het recht verschaft bij de op de kaart vermelde aanbieder(s) goederen te betrekken of diensten af te nemen tegen een vergoeding die lager is dan de normaal in rekening gebrachte vergoeding. De vermindering van de vergoeding kan het karakter hebben van een korting op het normaal voor het goed of de dienst te betalen bedrag, maar kan ook – met name in horecabedrijven – worden verleend door voor meerdere goederen of diensten slechts voor de helft daarvan een vergoeding in rekening te brengen. De vermindering van de vergoeding wordt verleend op vertoon van de kaart. Wanneer er met betrekking tot het aantal af te nemen goederen en diensten beperkingen zijn gesteld, wordt voor elk gebruik van een aanbieding een aantekening op de kaart geplaatst dan wel een coupon van de kaart afgeknipt en ingenomen. De kaart zelf wordt door de houder niet ingewisseld en verliest haar waarde na ommekomst van de op de kaart vermelde termijn.

4.3.Met betrekking tot de toepassing van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onderdelen i en j, van de Wet stelt de rechtbank voorop dat daarin geen vrijstelling is opgenomen voor de uitgifte of overdracht van betaalmiddelen als zodanig. Een vrijstelling geldt onder voorwaarden voor de handelingen met betrekking tot deviezen, bankbiljetten en munten, maar tussen partijen is klaarblijkelijk niet in geschil dat van dergelijke handelingen hier geen sprake is. Partijen stellen zich daarbij op een juist standpunt.

4.4.Belanghebbende stelt dat de [kortingskaart] is te rangschikken onder ‘effecten en andere waardepapieren’ in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten tweede van de Wet. Deze bepaling komt overeen met die van artikel 13, B, onderdeel d, onder 5, van de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting, zoals die bepaling destijds luidde. De rechtbank stelt voorop dat een vrijstelling van omzetbelasting beperkt dient te worden uitgelegd. De rechtbank merkt verder op dat het begrip waardepapieren noch in de Wet noch in de richtlijn is gedefinieerd. Bij een restrictieve uitleg van het begrip waardepapieren ligt het in de rede dat voor de beoordeling of van een ‘ander waardepapier’ sprake is, wordt aangesloten bij het karakter van effecten, hetgeen blijkens de redactie van evenvermeld wetsartikel een waardepapier is. De Engelse en de Franse versie van meervermelde richtlijnbepaling bieden steun aan een dergelijke uitlegging. Daarvan uitgaande dienen onder ‘effecten en andere waardepapieren’ te worden verstaan documenten die een bewijs van een deelgerechtigheid vormen of een bewijs van een vordering. Gelet op het onder 4.2. overwogene is daarvan geen sprake bij de [kortingskaart]. Deze kaart heeft in wezen geen ander karakter dan een in een dag- of weekblad of op een verpakking opgenomen bon, op vertoon waarvan een goed of een dienst met korting kan worden betrokken. In dat geval kan bezwaarlijk van een effect of ander waardepapier in de hier bedoelde zin worden gesproken.

4.5.Belanghebbende stelt dat de [kortingskaart] is te rangschikken onder ’cheques en andere handelspapieren’ in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten tweede van de Wet. Deze bepaling is gelijk aan die van artikel 13, B, onderdeel d, onder 3, van de Zesde richtlijn inzake omzetbelasting, zoals die bepaling destijds luidde. Uit de zinsnede ‘cheques en andere handelspapieren’ leidt de rechtbank af dat de wetgever en de richtlijngever met handelspapieren in dit verband het oog hebben gehad op papieren die een met een cheque overeenkomende of vergelijkbare functie vervullen in het betalingsverkeer. Daarvan uitgaande kan de [kortingskaart] naar het oordeel van de rechtbank niet als ‘ander handelspapier’ in evenbedoelde zin worden aangemerkt. Die kaart belichaamt niet een door een bank uit te betalen geldvordering op haarzelf, doch biedt slechts de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vermindering van een schuld, die voortvloeit uit een door de houder aan te gane rechtsverhouding met een derde, aan welke rechtsverhouding of schuld belanghebbende part noch deel heeft.

4.6.Uit het vorenoverwogene volgt dat de in geding zijnde diensten van belanghebbende niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

4.7.Belanghebbende beroept zich op het Besluit van 30 december 1999 en stelt dat zij aan de inhoud van dat besluit het vertrouwen mocht ontlenen dat de in geding zijnde diensten ook vanaf evengenoemde datum zouden worden vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende ontleent dit vertrouwen aan de definitie die in paragraaf 2 van het besluit aan cadeaubonnen wordt gegeven. In dit verband merkt de rechtbank op dat de staatssecretaris in paragraaf 1 van het besluit een onderscheid heeft gemaakt tussen cadeaubonnen en kortingsbonnen, waarbij producten als de [kortingskaart] door hem onmiskenbaar als kortingbonnen zijn gekwalificeerd. Dit betekent dat belanghebbende aan de gegeven omschrijving van cadeaubonnen niet het in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat de uitgifte en verkoop van de [kortingskaart] als een vrijgestelde dienst zou worden aangemerkt. Dit te minder nu uit paragraaf 1 van het besluit geen andere conclusie valt te trekken dan dat de staatssecretaris kaarten als de [kortingskaart] niet als waardepapieren aanmerkt. Hieruit volgt dat de inspecteur niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de vrijstelling in het onderhavige geval niet toe te passen.

4.8.Belanghebbende stelt dat de inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de [kortingskaart] niet te behandelen als een cadeaubon. Naar de rechtbank begrijpt had de staatssecretaris het onderscheid tussen een cadeaubon en een kortingsbon niet mogen maken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen cadeaubonnen en kortingbonnen, zoals deze beide door de staatssecretaris zijn omschreven, een zodanig verschil dat niet gezegd kan worden dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De inspecteur heeft derhalve niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door de [kortingskaart] niet als een cadeaubon in de zin van het Besluit te behandelen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de [kortingskaart] niet onder de door de staatssecretaris gegeven definitie van cadeaubonnen kan worden gebracht, aangezien die kaart geen nominale waarde heeft. De stelling van belanghebbende dat de nominale waarde afgeleid kan worden van bijvoorbeeld de prijslijsten van de betrokken ondernemers acht de rechtbank onjuist.

4.9.Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de inspecteur is. Het beroep is derhalve ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. D.B. Bijl en

mr.dr. K.M. Braun, rechters, en door de voorzitter en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, de voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.