Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU1599

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
10/4653
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9024, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zijn onderneming verkocht en een deel van de verkoopsom gestort op een depot bij de notaris. Belanghebbende heeft onder meer over de fiscale afwikkeling van het depot een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur. De rechtbank houdt belanghebbende aan de vaststellingsovereenkomst nu van dwaling of van misbruik van omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is. De rechtbank legt de vaststellingsovereenkomst aldus uit dat alle uitbetalingen, inkomsten en kosten die samenhangen met de afwikkeling van het depot fiscaal in aanmerking zullen worden genomen in het jaar van afwikkeling. De rechtbank komt hiermee terug op het oordeel van de voorzieningenrechter. Voorts kent de rechtbank belanghebbende een schadevergoeding toe voor kosten die ten laste van belanghebbende zijn gekomen doordat de ontvanger invorderingsmaatregelen heeft genomen voor te hoge aanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2625
V-N 2011/60.2.2
FutD 2011-2643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 10/4653, 11/2444, 11/2445 en 11/2446

Uitspraakdatum: 26 augustus 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Hongarije),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 2 februari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2006 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]H.62).

De uitspraken van de inspecteur van 25 maart 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de bijbehorende boetebeschikking (aanslagnummer [nummer]H.86).

De uitspraak van de inspecteur van 22 maart 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2010 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]H.00).

De uitspraak van de inspecteur van 22 maart 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2010 opgelegde voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (aanslagnummer [nummer]W.00).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [advocaat], advocaat te ’s-Gravenhage, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

Belanghebbende heeft aangegeven dat [advocaat] als zijn vertegenwoordiger optreedt voor zover het beroep ziet op het jaar 2006 en dat hij voor het overige enkel in de zittingszaal aanwezig zal zijn en bereid is eventuele vragen te beantwoorden.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover het betreft de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010;

-vermindert de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.792 en een premie-inkomen van nihil;

-vernietigt de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 537;

-gelast de inspecteur aan belanghebbende een schadevergoeding te voldoen van € 695;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 in procedurenummer 10/4653 en van € 41 in procedurenummer 11/2444 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is in 2006 geëmigreerd naar Hongarije. Hij heeft op 30 juni 2006 zijn onderneming (een assurantieportefeuille) in Nederland verkocht. Een deel van de verkoopsom, groot € 75.000, is gestort op de derdengeldenrekening van notariskantoor [notariskantoor]. Over de vraag aan wie het depotbedrag toekwam, is een civiele procedure gevoerd. Belanghebbende heeft over de fiscale afwikkeling van het depot (en andere geschilpunten) op 25 augustus 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de inspecteur. Deze vaststellingsovereenkomst is cijfermatig nader uitgewerkt in een tweede vaststellingsovereenkomst van 8 oktober 2008. De tekst van de vaststellingsovereenkomst van 25 augustus 2008 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

Deze rekensom leidt tot de conclusie dat wij het erover eens geworden zijn dat uw belastbare inkomen uit werk en woning over 2006 dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 50.013. Daarnaast zal nog rekening worden gehouden met verrekening van het verlies uit 2005 ten bedrage van € 5.296.

Naast het vorenstaande hebben wij afgesproken dat de fiscale afrekening van het depot van € 75.000 plaatsvindt in het jaar waarin dat daadwerkelijk wordt afgewikkeld.

(…)

Op uw vraag hoe met eventuele nagekomen bedrijfslasten in 2008 of later zal worden omgegaan, gelet op de in dat jaar beperkte mogelijkheden tot verliesverrekening, heb ik u toegezegd dat ik zal nagaan of op dit punt overgangsrecht is dat u kan baten. Ik zal u dit bij aparte brief nog laten weten. ”

2.2.De afrekening van het depot heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank

’s-Hertogenbosch en in hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het Gerechtshof heeft op 22 december 2009 het vonnis van de rechtbank van 27 augustus 2008 bekrachtigd. De rechtbank heeft beslist dat belanghebbende uit het depot een bedrag van € 14.524 toekomt. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende veroordeeld in de kosten van de wederpartij tot een bedrag van in totaal € 3.534,80. Het Gerechtshof heeft belanghebbende veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van de wederpartij tot een bedrag van in totaal € 1.197 (€ 303 verschotten en € 894 salaris advocaat). Op 22 maart 2010 is belanghebbende tegen het arrest van het Gerechtshof in cassatie gegaan. Belanghebbende heeft het beroep in cassatie eind 2010 ingetrokken.

2.3.In de civiele procedure is belanghebbende bijgestaan door [advocaat], advocaat verbonden aan [X] Advocaten en Belastingadviseurs te ’s-Hertogenbosch ([X]). Bij onderhandse akte van 15 december 2008 heeft belanghebbende ten gunste van [X] zekerheid gesteld voor de voldoening van de facturen van [X] van (op dat moment) € 15.110,56 in de vorm van een pandrecht op zijn aandeel van het in het depot gestorte geldbedrag van € 75.000. Blijkens de door belanghebbende en [advocaat] getekende fax van 17 december 2010 is op 16 december 2010 een regeling getroffen ter algehele beëindiging en voorkoming van alle lopende respectievelijk mogelijke geschillen, juridische, klacht- en tuchtrechtelijke procedures, aangiften, negatieve publiciteit en wat diens meer zij. Die regeling houdt in dat het bedrag in depot van (tenminste) € 11.041,68 door de notaris wordt overgemaakt naar [X] waarna [X] een bedrag van € 5.000 zal overmaken naar de derdenrekening van [advocatenkantoor], namens belanghebbende optredend jegens [X].

2006

2.4.Op 30 oktober 2006 heeft belanghebbende een verzoek gedaan tot het opleggen van een voorlopige aanslag over 2006 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000. Met dagtekening 17 november 2006 heeft de inspecteur een voorlopige aanslag 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.000. Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. Op 2 februari 2007 heeft de inspecteur uitspraak op het bezwaar gedaan. De uitspraak is gedaan in de vorm van een verminderingsbeschikking. De inspecteur heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.000 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 4.000. Op de beschikking is, voor zover relevant, vermeld:

“U kunt tegen deze vermindering geen bezwaar maken en niet in beroep gaan. Wel kunt u een schriftelijk verzoek indienen bij uw belastingkantoor om het bedrag van de vermindering te wijzigen. Vermeld altijd de reden van uw verzoek en om welke kennisgeving het gaat.”

2.5.Belanghebbende heeft op 27 oktober 2010 beroep ingesteld tegen de verminderingsbeschikking van 2 februari 2007. In geschil is of het beroep ontvankelijk is. De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkheid onder meer vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank stelt voorop dat voormelde verminderingsbeschikking de beslissing op het bezwaar is in de zin van de Awb (hierna ook: de uitspraak op bezwaar). De uitspraak op bezwaar had moeten vermelden door wie, binnen welke termijn en bij welke rechter beroep kan worden ingesteld (de rechtsmiddelverwijzing; artikel 6:23 Awb). Ten onrechte is bij de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar niet op het openstaande rechtsmiddel gewezen. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende hierdoor op het verkeerde been is gezet.

2.6.Nu vermelding van het openstaande rechtsmiddel achterwege is gebleven en belanghebbende aanvoert dat als gevolg daarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest met het indienen van het beroepschrift, dient niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven tenzij aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins tijdig op de hoogte was van de termijn waarbinnen het desbetreffende rechtsmiddel aangewend diende te worden (Hoge Raad 19 maart 2010, BNB 2010/240). De inspecteur heeft in dit verband gewezen op de meer dan gemiddelde fiscale kennis van belanghebbende en op het gegeven dat al in mei 2010 namens belanghebbende in een kort-gedingprocedure is verwezen naar de onjuiste rechtsmiddelverwijzing. Naar het oordeel van de rechtbank valt daaruit echter niet te concluderen dat belanghebbende tijdig op de hoogte was van de beroepstermijn. De rechtbank zal er derhalve vanuit gaan dat belanghebbende niet in verzuim is en dat het beroep ontvankelijk is.

2.7.De onderhavige voorlopige aanslag is verrekend met de definitieve aanslag over 2006, op basis van de onder 2.1. vermelde vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de vaststellingsovereenkomst van 25 augustus 2008 en de cijfermatige uitwerking daarvan in de overeenkomst van 8 oktober 2008 – waar partijen het over eens zijn – dat de vaststellingsovereenkomst een definitieve regeling behelst voor de afwikkeling van de belastingheffing over 2006, zodat die overeenkomst ook geldt voor de voorlopige aanslagen over dat jaar.

2.8.Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden de vaststellingsovereenkomst onverbindend te achten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling of van misbruik van omstandigheden. Belanghebbende is derhalve aan de vaststellingsovereenkomst gebonden. De rechtbank acht het beroepschrift om die reden ongegrond.

2008

2.9.Belanghebbende heeft in de jaren na 2006 kosten gemaakt in verband met de civiele procedure. De in 2008 aan belanghebbende gedeclareerde kosten beliepen € 17.836. Belanghebbende heeft in 2008 aftrek van dat bedrag geclaimd als nagekomen ondernemingskosten. De voorlopige voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 24 augustus 2009 geoordeeld dat de onder 2.1. vermelde overeenkomst van 25 augustus 2008 niet belette om ter zake van het bedrag van € 17.836 een voorlopig verlies over 2008 te constateren en van dat verlies 80% of € 14.278 voorlopig te verrekenen met het inkomen uit werk en woning van 2006. De inspecteur heeft vervolgens bij brief van 3 september 2009 aan de gemachtigde van belanghebbende bericht te berusten in de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter. Hij heeft een voorlopige verliesverrekeningsbeschikking afgegeven en het verlies voorlopig verrekend conform de uitspraak van de voorzieningenrechter.

2.10.Met dagtekening 24 december 2010 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2008 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende is vastgesteld op nihil. Er is geen verrekenbaar verlies vastgesteld. Tevens is aan belanghebbende een verzuimboete van € 226 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

2.11.Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur niet mag terugkomen op zijn brieven van 3 en 23 september 2009 waarin hij heeft berust in het oordeel van de voorzieningenrechter. De rechtbank acht die stelling onjuist. Een voorlopige voorziening als deze strekt naar zijn aard niet verder dan het voorlopig vaststellen van het voorlopige verrekenbare verlies over 2008 in het kader van de voorlopige aanslagregeling. Het staat de inspecteur vrij om bij de definitieve aanslagregeling een ander standpunt over de vaststelling van het te verrekenen verlies in te nemen dan bij de voorlopige aanslagregeling, tenzij hij in het kader van die voorlopige aanslagregeling een uitlating heeft gedaan waardoor bij belanghebbende het vertrouwen is gewekt dat het standpunt ook bij de definitieve aanslagregeling zal worden gevolgd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een dergelijke uitlating is gedaan. Integendeel: de inspecteur heeft belanghebbende in de brieven van 3 en 23 september 2009 gevraagd om een schriftelijke verklaring in het kader van de voorlopige verliesverrekening. Daarin is duidelijk aangegeven dat het bedrag van de teruggaaf bij de definitieve terugwenteling van het verlies lager zou kunnen zijn dan het bedrag van de voorlopige verliesverrekening. Ook het verzoek van de inspecteur aan belanghebbende om de bodemprocedure in te trekken kan bij belanghebbende in redelijkheid niet het vertrouwen hebben gewekt dat de inspecteur bij de definitieve aanslagregeling het standpunt van de voorzieningenrechter zou volgen. Die bodemprocedure betrof immers ook de voorlopige terugwenteling van verlies uit 2008 naar 2006 en zag niet op de definitieve aanslagregeling of daaruit voortvloeiende verliesverrekening.

2.12.De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst meebrengt dat alle uitbetalingen, inkomsten en kosten die samenhangen met de civiele procedure over het depot fiscaal in aanmerking zullen worden genomen zodra de civiele procedure definitief is afgewikkeld. Dat geldt dus ook voor de in 2008 gemaakte kosten. De inspecteur heeft onbestreden gesteld dat het beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in de civiele procedure in 2010 is ingetrokken. Die uitspraak is dan in 2010 definitief komen vast te staan zodat pas in dat jaar de inkomsten en kosten ten aanzien van het depot in aanmerking kunnen worden genomen. Voor zover belanghebbende in 2008 kosten heeft gemaakt die samenhangen met de civiele procedure over het depot, kunnen die kosten derhalve niet in 2008 in aanmerking worden genomen omdat de civiele procedure toen nog niet definitief was afgewikkeld. Derhalve kan er ook geen sprake zijn van een daaruit voortvloeiend verlies in 2008. De rechtbank komt hiermee terug op het oordeel van de voorzieningenrechter.

2.13.Naar het oordeel van de rechtbank is noch in de vaststellingsovereenkomst noch in de email van de inspecteur van 2 februari 2009 te lezen dat de inspecteur, in weerwil van de vaststellingsovereenkomst, aftrek van kosten en lasten die samenhangen met het depot zal accepteren in een eerder jaar dan dat waarin het depot wordt afgewikkeld.

2.14.Uit hetgeen onder 2.9. tot en met 2.13. is overwogen volgt dat de aanslag over 2008 terecht is vastgesteld naar een belastbaar verzamelinkomen van nihil. Nu bij de aanslag geen verlies is vastgesteld, wordt het vastgestelde verlies geacht ook nihil te zijn. Dat acht de rechtbank juist. Het beroep is ongegrond voor zover het de aanslag over 2008 en de vaststelling van een verlies over 2008 betreft.

2.15.Met betrekking tot de verzuimboete staat vast dat belanghebbende de aangifte – na daartoe te zijn aangemaand – te laat heeft ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. Daarom heeft de rechtbank de boete gehandhaafd.

2010

2.16.Met dagtekening 20 oktober 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2010 twee voorlopige aanslagen opgelegd: een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.524 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 14.524. De ontvanger heeft deze voorlopige aanslagen dadelijk en ineens invorderbaar verklaard.

2.17.Zoals in 2.12. is overwogen, moet in 2010 fiscaal rekening worden gehouden met de afwikkeling van het depot. Belanghebbende had volgens de uitspraak in de civiele procedure recht op ontvangst uit het depot van een bedrag van € 14.524. Daarop komen in mindering de bedragen die hij heeft betaald in het kader van de civiele procedure. Ter zitting is komen vast te staan dat voor wat betreft de voorlopige aanslagregeling in elk geval als kosten gelden: € 7.000 (advocaatkosten) + € 1.197 (veroordeling door het Gerechtshof tot vergoeding van kosten van de wederpartij) of in totaal € 8.197. Gezien de in 2.3. genoemde overeenkomst van belanghebbende met zijn advocaat acht de rechtbank niet aannemelijk dat belanghebbende een hoger bedrag aan advocaatkosten dan die € 7.000 verschuldigd is. Wel acht de rechtbank het redelijk naast voornoemde kosten van in totaal € 8.197 rekening te houden met de proceskostenveroordeling uitgesproken door de rechtbank ’s-Hertogenbosch van afgerond € 3.535. Dat betekent dat belanghebbendes inkomen over 2010 in het kader van de voorlopige aanslagregeling 2010 uitkomt op € 2.792 (€ 14.524 min € 8.197 min € 3.535).

2.18.De inspecteur heeft ter zitting erkend dat uitgaande van de afwikkeling van het depot in 2010 belanghebbende in dat jaar in Nederland niet premieplichtig is en geen bijdrage Zvw verschuldigd is. De voorlopige aanslag Zvw is daarom vernietigd en evenals het premiedeel in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

2.19.Het beroep is voor wat betreft 2010 gegrond.

Proceskosten en griffierecht

2.20.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). De inspecteur heeft ter zitting verklaard akkoord te gaan met een vergoeding van € 100 voor de door belanghebbende opgevoerde internationale telefoonkosten met betrekking tot de voorlopige aanslagen 2010. De rechtbank acht dit bedrag redelijk en in overeenstemming met het Besluit. De overige door belanghebbende gevraagde kosten komen op grond van het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking. De totale vergoeding van proceskosten bedraagt aldus € 537.

2.21.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de onjuiste rechtsmiddelverwijzing op de verminderingsbeschikking van de voorlopige aanslag over 2006 er mede toe geleid dat belanghebbende tegen deze beschikking beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. De rechtbank acht het dan redelijk dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 in de zaak met procedurenummer 10/4653 vergoedt. Daarnaast zal de inspecteur sowieso het griffierecht van eveneens € 41 moeten vergoeden in de procedures over 2010 waarin het beroep gegrond is.

Schadevergoeding

2.22.Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met de invorderingsmaatregelen die de ontvanger heeft genomen, waaronder de beslaglegging op het depot. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2007, nr. 43 170 (BNB 2007/255) af dat er aanleiding kan zijn voor een schadevergoeding indien door een te hoge aanslag onnodig kosten ten laste van belanghebbende zijn gekomen.

2.23.Met de vermindering van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 en de vernietiging van de voorlopige aanslag Zvw 2010 staat vast dat de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld. Op grond van art. 8:73 Awb dient de inspecteur dan ook de schade te vergoeden die in zodanig verband staat met de voormelde vermindering en vernietiging van de voorlopige aanslagen dat deze hem als een gevolg daarvan kan worden toegerekend. Het ligt op de weg van belanghebbende dit aannemelijk te maken, evenals de omvang van de schade.

2.24.Naar de rechtbank begrijpt heeft de notaris belanghebbende een bedrag van € 2.082,50 in rekening gebracht voor ingewonnen advies nadat diverse partijen aanspraak maakten op het bij hem in bewaring gegeven depot. Die partijen betroffen: [X], zich beroepend op diens pandrecht op het depot, de ontvanger, onder verwijzing naar het door hem gelegde derdenbeslag op het depot en belanghebbende, stellende dat de advocaat en de ontvanger rechtens niets van hem te vorderen hadden. De rechtbank acht het redelijk een causale relatie aan te nemen tussen de kosten voor adviesinwinning en de vernietiging/vermindering van de voorlopende aanslagen 2010 ter grootte van eenderde deel van de kosten, ofwel € 695. Voor toekenning van een hogere schadevergoeding acht de rechtbank de onderbouwing door belanghebbende onvoldoende specifiek om dat aannemelijk te achten.

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. A.C. van Rossum, rechters, en door de voorzitter en mr. M.J. van Balkom, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 september 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.