Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BU1287

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
02/811234-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander tijdens de zomervakantie in 2008 in Lloret de Mar (Spanje) een man meerdere malen geslagen en geschopt, waaraan hij is overleden. Verdachte was destijds 16 jaar oud. De rechtbank heeft dit feit als medeplegen aan doodslag gekwalificeerd en aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 811234-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd.

raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 oktober 2011, waarbij de officier van justitie, mr. De Brouwer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander [slachtoffer] heeft gedood.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] de heer [slachtoffer] heeft gedood en baseert zich daarbij onder andere op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte]. Uit deze verklaringen komt naar voren dat verdachte en [medeverdachte] na een avond stappen in Lloret de Mar en na het nuttigen van een grote hoeveelheid alcohol een Spaanse man, het latere slachtoffer [naam slachtoffer], tegenkwamen. Het slachtoffer wilde met hen chillen en sprak hen aan over drugs. Het slachtoffer liep achter hen aan een steeg in vlakbij het appartement waar [medeverdachte] verbleef. Daar raakte hij de achterzak van [medeverdachte] aan. Mogelijk wilde hij hieruit de portemonnee van [medeverdachte] pakken. Hierop draaide [medeverdachte] zich om en gaf het slachtoffer een stomp in zijn gezicht. Het slachtoffer sloeg hem terug. Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte] “helemaal los gegaan”. Ze hebben met hun vuist meerdere malen met kracht tegen het gezicht van het slachtoffer geslagen. Hierdoor ging het slachtoffer door zijn knieën en kwam hij op de grond terecht. Terwijl hij op de grond lag, hebben verdachte en [medeverdachte] meerdere malen tegen zijn hoofd geschopt, zulks terwijl diens gezicht al helemaal open lag. Op het moment dat het slachtoffer niet meer bewoog, zijn ze naar het appartement van [medeverdachte] gegaan. Daar aangekomen zagen zij dat hun broek en schoenen onder het bloed zaten. Dit werd ook gezien door de in het appartement aanwezige vrienden van verdachte. Verder wijst de officier van justitie voor de bewezenverklaring op de verklaring van getuige [getuige 1]. Deze getuige liep genoemde steeg voorbij en hoorde het geluid van klappen en slaan. Hij kon dit niet goed plaatsen en is teruggelopen om in de steeg te kijken. Daar zag hij dat twee jongens beurtelings met kracht tegen het hoofd van het slachtoffer trapten. De officier van justitie acht de bewezenverklaring van dit feit eveneens gebaseerd op het voorlopige autopsierapport en op de in het dossier aanwezige foto's van het slachtoffer. Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat niet verdachte en [medeverdachte], maar mogelijk twee Duitsers het slachtoffer hebben gedood, geeft de officier van justitie aan dat de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] nagenoeg geheel overeenstemmen met de verklaring van getuige [getuige 1]. [getuige 1] kan bij het geven van het signalement van de jongens zijn beïnvloed door zijn vrienden die, voordat hij in hun appartement aankwam, waren lastig gevallen door twee Duitsers. De officier van justitie gaat er vanuit dat getuige [getuige 1] verdachte en medeverdachte heeft gezien in plaats van deze twee Duitsers. Verder stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte geen geslaagd beroep toekomt op noodweerexces. Het slachtoffer heeft niet meer gedaan dan het aanraken van de achterzak van [medeverdachte]. Dit valt niet aan te merken als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Aldus is er dan ook geen sprake geweest van een noodweersituatie en derhalve evenmin van een noodweerexces.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet zonder enige vorm van twijfel kan worden aangenomen dat sprake is geweest van een voltooid delict. Verdachte en [medeverdachte] hebben niet kunnen vaststellen dat het slachtoffer is bezweken als gevolg van het door hen uitgeoefende geweld. Zij zijn namelijk in blinde paniek weggerend. Verder wordt nergens in het dossier duidelijk hoeveel tijd er heeft gezeten tussen het tijdstip waarop verdachte en [medeverdachte] in gevecht waren met het slachtoffer en het moment waarop de melding is binnengekomen bij de meldkamer van de politie. Verdachte en [medeverdachte] hebben los van elkaar verklaard dat het gebeuren niet lang heeft geduurd. Volgens de verdediging bestaat er de mogelijkheid dat tussen het moment waarop verdachte en [medeverdachte] in de steeg waren en het moment van binnenkomen van de melding nog iets is gebeurd. De verdediging wijst in dit verband op de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1]. Uit deze verklaringen valt af te leiden dat er die bewuste nacht kennelijk ook een tweetal andere personen zich in de nabijheid van de steeg hebben bevonden. Deze personen spraken Duits dan wel met een Duits accent, terwijl verdachte en [medeverdachte] deze taal niet spreken. De door deze getuigen opgegeven signalementen staan aan de suggestie dat die twee personen verdachte en [medeverdachte] zouden moeten zijn in de weg. [getuige 1] is daarnaast ooggetuige geweest van het schoppen door twee mannen tegen het hoofd van het slachtoffer. Volgens (getuige 1) spraken deze mannen Duits. Hij heeft enige tijd van een afstand naar hen staan kijken en de door hem opgegeven signalementen komen niet overeen met de signalementen van verdachte en [medeverdachte]. [medeverdachte] wordt door genoemde getuigen ook niet herkend. Aldus valt volgens de verdediging niet uit te sluiten dat er, nadat verdachte en [medeverdachte] een handgemeen hebben gehad met het slachtoffer, nog geweld is uitgeoefend op het slachtoffer door de twee Duitsers over wie door genoemde getuigen is gesproken. Mogelijk is dit de oorzaak geweest van het overlijden van het slachtoffer. Gelet hierop kan onmogelijk tot wettig en overtuigend bewijs worden gekomen van de tenlastegelegde voltooide doodslag. De verdediging verzoekt verdachte primair van het feit vrij te spreken. Subsidiair doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden verklaard dat het slachtoffer hen van achteren benaderde en hen trachtte te beroven. Toen dit niet lukte, heeft de man hen geslagen. Blijkens het dossier verkeerde het slachtoffer in een toestand waarin hij als zeer gewelddadig kon worden aangemerkt. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat het slachtoffer een hele rare blik in zijn ogen had. Gelet hierop is de verdediging van mening dat er sprake was van een noodweersituatie. Verdachte en [medeverdachte] hebben met het door hen toegepaste geweld echter de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, waardoor hen geen geslaagd beroep toekomt op noodweer. Dat zij de grenzen van een noodzakelijke verdediging hebben overschreden is evenwel het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door die aanranding. Verdachte en [medeverdachte] hebben los van elkaar verklaard dat ze angstig waren en in paniek. Zij waren doodsbang voor het slachtoffer en vreesden voor hun leven. Daardoor zijn zij volledig doorgeschoten in hun handelen zonder dat ze daar nog enig besef van hebben gehad. Aldus komt verdachte volgens de verdediging een geslaagd beroep toe op noodweerexces. De verdediging verzoekt hem dan ook subsidiair te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 1 september 2008 meldt een getuige zich bij de politie. Zij legt een korte verklaring af over wat er volgens haar in de nacht van 11 op 12 juli 2008 in Lloret de Mar in Spanje is gebeurd.

Op 20 mei 2010 wordt deze getuige, [getuige 5], opnieuw hierover verhoord. Zij verklaart dat zij in juli 2008 met een groep vriendinnen op vakantie was in Lloret de Mar in Spanje. In de nacht van 11 op 12 juli 2008 gingen zij met een groep jongens uit [plaatsnaam] op stap. Deze groep jongens bestond uit (namen jongens) en [medeverdachte]. Deze groep zat in een appartement boven het appartement van [getuige 5] en haar vriendinnen. Zij hadden op 11 juli 2008 tussen 23:00 uur en 23:30 uur in een kroeg met deze groep afgesproken. Omstreeks 2:00 à 3:00 uur ’s nachts ging [getuige 5] samen met (naam jongen) en (naam jongen) naar hun appartement. Zij viel in hun appartement op de bank in slaap. Toen ze wakker werd, waren alle jongens uit de groep uit [plaatsnaam] in het appartement aanwezig. (naam jongen) vertelde [getuige 5] dat er zojuist een Spanjaard door twee Duitsers was doodgeslagen. Na de vakantie had [getuige 5] via MSN contact met (naam jongen). (naam jongen) vertelde haar toen dat niet twee Duitsers de man hadden doodgeslagen, maar dat dit gedaan was door [medeverdachte] en een vriend van hem .

Deze vriend van [medeverdachte] blijkt verdachte te zijn. Verdachte en [medeverdachte] zijn over hetgeen is gebeurd in de vroege ochtend van 12 juli 2008 uitgebreid door de politie verhoord. Op basis van hun verklaringen stelt de rechtbank de feiten als volgt vast.

Verdachte was in de zomer van 2008 op vakantie met zijn vader en diens vriendin. Hij mocht van zijn vader één nacht op bezoek bij zijn vrienden (naam jongens) en [medeverdachte] in Lloret de Mar. Zijn vader heeft hem rond 17:00 uur in Lloret de Mar afgezet. Ze waren die nacht met de hele groep op stap . Op een gegeven moment is verdachte alleen met [medeverdachte] naar de [naam bar] gegaan. Hierna gingen ze een beetje rondlopen in Lloret de Mar. Onderweg kwamen ze een man tegen die hen aansprak over drugs. Deze man liep achter hen aan het steegje in. In het steegje wilde deze man de portemonnee van [medeverdachte] uit zijn achterzak pakken. De man had de portemonnee aangeraakt maar nog niet uit de achterzak gepakt. Hierop heeft [medeverdachte] de man geslagen. Ook verdachte gaf de man een klap. De man sloeg terug . Hierop hebben verdachte en [medeverdachte] de man meerdere keren hard met hun vuist op zijn gezicht geslagen.

Na een aantal klappen probeerde de man weg te komen. Dit lukte hem niet, omdat verdachte en [medeverdachte] hem bleven slaan. Op een gegeven moment zakte de man door de harde slagen die hij kreeg in elkaar. Zijn gezicht lag toen al open . Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] de man meerdere keren tegen zijn gezicht geschopt . Verdachte heeft hem tegen zijn gezicht getrapt, verdachte gebruikt zelf de omschrijving “volle sjas” . Toen de man op de grond terechtkwam, bewoog hij nog een beetje; nadat hij tegen zijn gezicht werd getrapt, bewoog hij niet meer . Toen zij met de man bezig waren kwam er iemand langs gelopen. Volgens [medeverdachte] heeft verdachte misschien iets tegen deze persoon gezegd .

Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens naar hun appartement gerend dat op nog geen 200 meter van de plaats aflag waar zij de man hadden geschopt en geslagen . Daar aangekomen zagen zij dat ze onder het bloed zaten. Niet alleen de schoenen en broeken van verdachte en [medeverdachte] zaten onder het bloed, verdachte had ook bloedspetters in zijn gezicht en hij bloedde aan zijn hand .

Ongeveer 10 dan wel 15 minuten nadat verdachte en [medeverdachte] in het appartement aankwamen, vernamen zij dat er politie en een ambulance bij het steegje waren aangekomen.

Op 12 juli 2008 om 3:16 uur ontving de meldkamer van Gerona een telefoontje dat in genoemde steeg in Lloret de Mar een man bloedend op de grond lag. Om 3:20 uur kwamen twee agenten ter plaatse. Zij troffen daar het mogelijk levenloze lichaam aan van een persoon. Om 3:28 uur arriveerde op deze plaats een ambulance en werd door een arts het overlijden van deze persoon bevestigd . Deze persoon werd geïdentificeerd als zijnde [naam slachtoffer] . Het lichaam van [slachtoffer] werd onderzocht en uit dit onderzoek kwam naar voren dat de dood vermoedelijk door geweld is veroorzaakt en dat de doodsoorzaak vermoedelijk een meervoudige TCE/hersenkneuzing is .

Op basis van het vooraanstaande stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer [naam slachtoffer] op 12 juli 2008 te Lloret de Mar door geweld, uitgeoefend tegen zijn hoofd, om het leven is gekomen.

Gelet op het door de verdediging gevoerde verweer staat de rechtbank thans voor de vraag gesteld of het aannemelijk is dat het slachtoffer niet door het toegebrachte geweld door verdachte en [medeverdachte] maar nadien door toedoen van twee Duitsers is komen te overlijden. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Vier jongens uit [[plaatsnaam], te weten [getuige 2], [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 3] kwamen in de betreffende nacht bij genoemd steegje twee mannen tegen. Deze mannen vroegen om cocaïne en scholden een paar van hen in het Duits uit. Eén van deze mannen droeg donkere kleding en de andere man droeg een lichtgekleurd T-shirt en een petje. De jongens uit [plaatsnaam] liepen vervolgens door naar hun appartement, dat in hetzelfde appartementencomplex zat als het appartement waar [medeverdachte] en zijn vrienden verbleven. Een poosje later kwam hun vriend [getuige 1] in het appartement aan. Hij vertelde zijn vrienden dat hij een persoon op de grond had zien liggen die door twee personen tegen zijn hoofd werd geschopt.

[getuige 1] heeft tegenover de Spaanse politie verklaard dat hij die nacht langs het steegje liep en het geluid van klappen/slagen hoorde. Hij kon dit geluid niet plaatsen en liep een stukje terug. Hij keek in de steeg en zag hoe twee personen tegen het hoofd van een man aan het schoppen waren. Hij heeft ongeveer 20 of 30 seconden staan kijken . Tegenover de Nederlandse politie heeft deze getuige verklaard, dat hij geen signalement van die mannen kan geven, omdat hij te ver van hen af stond en het te donker was. Verder heeft hij verklaard dat op enig moment de mannen [getuige 1] zagen staan. [getuige 1] werd vervolgens door één van die mannen aangeroepen . Dit zou volgens [getuige 1] in de Duitse taal zijn gebeurd. [getuige 1] schrok hiervan en is vervolgens hard naar zijn appartement gerend.

[getuige 3] en [getuige 1] hebben verder verklaard dat zij, na ongeveer een kwartier dan wel een half uurtje nadat [getuige 1] in het appartement aankwam, naar buiten zijn gegaan, waar zij de politie en de ambulance al bij het steegje zagen staan.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [getuige 2], [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 3] af dat met de twee Duitsers, gelet op de gegeven signalementen, niet verdachte en [medeverdachte] worden bedoeld. Deze jongens hebben verder niet verklaard, dat zij in het steegje gezien of gehoord hebben dat een man door twee personen werd belaagd noch hebben zij verklaard dat zij een man op de grond hebben zien liggen. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat het incident tussen verdachte, [medeverdachte] en het slachtoffer op dat moment nog niet had plaatsgevonden. Het contact tussen [getuige 2], [getuige 4], [getuige 6] en [getuige 3] en de twee Duitsers heeft in tijd dus eerder plaatsgevonden dan genoemd incident. Ook het tijdsverloop tussen de aankomst van [getuige 1] in het appartement en het aantreffen van politie en een ambulance bij het steegje, maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat het contact met de Duitsers eerder plaatsvond dan genoemd incident. Verdachte en [medeverdachte] hebben namelijk aangegeven, dat hen na 10 à 15 minuten nadat zij in het appartement aankwamen duidelijk werd dat er politie bij de steeg was aangekomen. Gelet op dit tijdsverloop gaat de rechtbank er ook vanuit dat [getuige 1] verdachte en [medeverdachte] heeft gezien in plaats van de twee Duitsers. Daartoe acht de rechtbank tevens redengevend dat de verklaring van [getuige 1] nagenoeg naadloos aansluit op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte]. De rechtbank wijst in dit verband op het toegepaste geweld, eerst slaan dan schoppen tegen het hoofd, en de toeschouwer naar wie door één van de daders iets werd geroepen. Weliswaar heeft [getuige 1] tegenover de Spaanse politie hetzelfde signalement van de daders opgegeven als het signalement dat door zijn vrienden van de twee Duitsers is opgegeven, echter in zijn latere verklaring tegenover de Nederlandse politie heeft hij verklaard geen signalement te kunnen geven. Daarbij kan [getuige 1] naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van dit signalement zijn beïnvloed door zijn vrienden. Dit geldt ook voor de taal die [getuige 1] door één van de daders hoorde spreken. De verklaring van [getuige 1] dat hij in het appartement hoorde dat zijn vrienden ruzie hadden gehad met twee Duitsers en dat hij daarom dacht dat dit dezelfde mannen waren als die hij later had gezien, sterkt de rechtbank in haar oordeel. Overigens is het ook mogelijk dat [getuige 1], woonachting in [plaatsnaam], het dialect dat verdachte spreekt, verdachte woont in (woonplaats), heeft aangehoord als Duits.

Gelet op wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank dus niet aannemelijk dat het slachtoffer door toedoen van twee Duitsers is komen te overlijden. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging.

Wel acht de rechtbank, gelet op het vooraanstaande, wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is gedood door het door verdachte en [medeverdachte] toegepaste geweld tegen zijn hoofd.

Ten aanzien van het beroep van de verdediging op noodweerexces overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft aangevoerd dat het slachtoffer verdachte en [medeverdachte] trachtte te beroven. Toen dat hem niet lukte, heeft het slachtoffer hen geslagen. De rechtbank acht deze feitelijke gang van zaken niet aannemelijk. Zoals uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt, gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer enkel een beweging in de richting van de achterzak van [medeverdachte] heeft gemaakt. Hierbij heeft niet het slachtoffer [medeverdachte] en verdachte geslagen, maar hebben [medeverdachte] en verdachte het slachtoffer geslagen. De rechtbank beschouwt genoemde beweging van het slachtoffer niet als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Aldus is geen sprake van een noodweersituatie en heeft reeds hierom genoemd beroep op noodweerexces vervolgens evenmin kans van slagen. Nu de rechtbank de lezing van verdachte niet aannemelijk acht, komt hem dan ook geen geslaagd beroep toe op noodweer. Wanneer wordt uit gegaan van de door de rechtbank vastgestelde feiten komt verdachte evenmin een geslaagd beroep toe op noodweerexces.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 juli 2008 te Lloret de Mar (Spanje) tezamen en in vereniging met een

ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen en met kracht tegen diens hoofd geschopt/getrapt en gestompt/geslagen, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweerexces niet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 24 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangegeven, dat verdachte eerst moet boeten voor het gruwelijke feit dat hij heeft gepleegd. Daarna kan verdachte met begeleiding van de jeugdreclassering weer verder gaan met het opbouwen van zijn toekomst. De officier van justitie is verder van mening dat de jeugddetentie dient te worden uitgezeten in een justitiële jeugdinrichting en niet in een penitentiaire inrichting zoals door de deskundige is geadviseerd. In een penitentiaire inrichting verblijven immers veroordeelden met een zwaarder crimineel verleden dan verdachte en zij kunnen een slechte invloed hebben op verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de omstandigheden dat de zaak dateert uit juli 2008 en verdachte pas in juli 2011 hiervoor is aangehouden, verdachte ten tijde van het tenlastegelegde pas 16 jaar oud was, er ongetwijfeld een beangstigende werking is uitgegaan van het slachtoffer en verdachte een blanco strafblad heeft op het gebied van geweldsdelicten. Tevens merkt de verdediging op dat een langdurige detentie geen meerwaarde heeft en vanuit pedagogisch standpunt eerder kwaad dan goed zal doen. Zo zijn er in een justitiële jeugdinrichting voor verdachte onvoldoende mogelijkheden voor scholing en werk. Verdachte beseft verder dat hij moet werken aan zijn middelengebruik en agressie. Hij staat open voor begeleiding door de jeugdreclassering en voor een agressieregulatietraining vanuit het Dok. De verdediging acht de eis van officier van justitie veel te fors en verzoekt om aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering ook als dat inhoudt deelname aan een agressieregulatietraining bij het Dok.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] een man gedood. De aanleiding hiervoor was dat het slachtoffer mogelijk de portemonnee van [medeverdachte] wilde stelen. Hierop zijn verdachte en [medeverdachte] volledig door het lint gegaan. Zij hebben net zo lang tegen het hoofd van het slachtoffer gestompt en geschopt totdat hij het leven liet. De foto's van het slachtoffer en de omstandigheid dat de schoenen en broeken van verdachte en [medeverdachte] onder het bloed zaten getuigen dat zij enorm tekeer zijn gegaan. Het slachtoffer is door dit buitensporige geweld op een gruwelijke wijze om het leven gekomen. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. Dit zal zeker een rol hebben gespeeld bij het feit. Dit neemt niet weg dat verdachte zich zelf in deze situatie heeft gebracht.

Het doden van het slachtoffer heeft de nabestaanden leed en verdriet gebracht. Daarbij zal dit feit, dat plaatsvond tijdens de zomervakantie in de Spaanse badplaats Lloret de Mar, een enorme schok teweeg hebben gebracht. Ook voor de vrienden van verdachte die hem en [medeverdachte] na het gebeuren bebloed in hun appartement aantroffen, moet het een schok zijn geweest. Zij wisten dat verdachte en [medeverdachte] iemand flink te grazen hadden genomen en mogelijk hadden gedood. Uit loyaliteit voor hen hebben zij drie jaar lang hun mond gehouden. Ook verdachte heeft al die tijd dit feit verzwegen. Pas nadat hij hiervoor door de politie werd aangehouden, heeft hij hierover verklaard.

De rechtbank zal bij de strafbepaling rekening houden met het deskundigenrapport van psycholoog [naam] dat over verdachte is geschreven. Hieruit komt naar voren dat er bij verdachte op dit moment geen sprake is van een ziekelijke stoornis dan wel van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Wel is er bij verdachte sprake van een gebrekkige impulsbeheersing en een gebrekkig beoordelingsvermogen. Ook is er al langere tijd sprake van onverantwoord gedrag. Volgens de psycholoog zijn er aanwijzingen dat er ten tijde van het tenlastegelegde wel sprake was van een gedragsstoornis. Het tenlastegelegde dateert echter van drie jaar geleden, waardoor dit niet meer met zekerheid is vast te stellen. Hierdoor kan de psycholoog geen betrouwbare uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte op het moment van het tenlastegelegde. Wel is duidelijk geworden dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sterk onder invloed was van alcohol en softdrugs. Hierdoor werd zijn gedrag beïnvloed, met name voor wat betreft de remming van zijn gedrag. De psycholoog acht het van belang dat verdachte controle blijft houden over zijn middelengebruik en meer inzicht krijgt op de gevolgen van het middelengebruik op zijn gedrag. Verder zou verdachte baat hebben bij het volgen van een agressieregulatietraining om op een goede manier om te leren gaan met zijn boosheid en frustratie. Daarnaast is het volgens de psycholoog aan te raden dat verdachte zich in een vrijwillig kader laat behandelen voor de traumatische symptomen die hij al drie jaar naar aanleiding van dit feit ervaart. De psycholoog adviseert om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering. De psycholoog heeft zich verder afgevraagd of verdachte bij een langdurige detentie wel leeftijdsadequate aansluiting kan vinden binnen een justitiële jeugdinrichting. Mogelijk is overplaatsing naar een jongvolwassen groep binnen een penitentiaire inrichting wenselijk.

Ook zal de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening houden met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad). De raad heeft hierin aangegeven, dat het noodzakelijk wordt geacht, dat verdachte na de detentieperiode wordt begeleid door de (jeugd)reclassering. De raad adviseert dan ook aan verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de (jeugd)reclassering. De jeugdreclassering dient onder andere hulp in te zetten voor het middelengebruik, de agressieregulatie (eventueel bij het Dok), de traumaverwerking, het zoeken naar woonruimte en werk en begeleiding bij zijn financiën. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de vriendenkeuze en voor het probleembesef van verdachte.

Ter zitting hebben een vertegenwoordiger van de raad en een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering aangegeven, dat zij de voorkeur geven aan het uitzitten van de jeugddetentie in een justitiële jeugdinrichting. In een justitiële jeugdinrichting worden trainingen gegeven waar verdachte zijn voordeel mee kan doen. Daarbij wordt de kans op negatieve beïnvloeding door andere gedetineerden kleiner geacht in een justitiële jeugdinrichting dan in een jongvolwassen groep binnen een penitentiaire inrichting.

De rechtbank overweegt dat het nemen van een leven van een ander een zo ernstig strafbaar feit is dat in beginsel alleen een langdurige jeugddetentie als straf in aanmerking komt. De rechtbank zal verdachte dan ook deze straf opleggen. Wel zal zij een kortere jeugddetentie opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daartoe overweegt zij dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft, hij 16 jaar oud was ten tijde van het plegen van het feit en hij zijn leven op de rit lijkt te hebben. De omstandigheid dat het feit in 2008 is gepleegd en verdachte pas in juli 2011 hiervoor is aangehouden is voor de rechtbank geen reden om tot strafvermindering over te gaan. Verdachte heeft immers zelf drie jaar over betrokkenheid bij dit feit gezwegen. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de rechtbank tot strafvermindering dient over te gaan, omdat de zaak niet binnen een redelijke termijn is afgedaan, overweegt de rechtbank dat verdachte eerst in juli 2011 is aangehouden. Op dat moment is de termijn gaan lopen. Mitsdien is nog geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een jeugddetentie van 20 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend is voor verdachte. De rechtbank acht het met de psycholoog en de raad van belang dat verdachte na het uitzitten van de jeugddetentie wordt begeleid door de jeugdreclassering. Zij zal begeleiding door de jeugdreclassering dan ook als bijzondere voorwaarde van het voorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie opleggen. Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het voor verdachte gewenst dat de jeugddetentie wordt uitgezeten in een justitiële jeugdinrichting, nu dit meer bij zijn huidige ontwikkelingsniveau past.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Schoonen en mr. Bogaert, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Venekamp-Vriends, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 oktober 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op 12 juli 2008 te Lloret de Mar (Spanje) tezamen en in vereniging met een

ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen en/of met kracht op/tegen diens hoofd en/ of lichaam

geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht