Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8993

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
24-10-2011
Zaaknummer
240671 HA RK 11-158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in bestuursrechtelijke procedure ABW 11/3004 WAJONG toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/274 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

zaak/rolnummer 240671 HA RK 11-158

beslissing van de wrakingskamer

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen verzoeker,

gemachtigde mr. I.M. van den Heuvel.

1. Het verloop van het geding

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- het op 5 september 2011ingekomen wrakingsverzoek van verzoeker;

- de brief van 14 september 2011 namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV);

- de brieven van 27 september en 4 oktober 2011, met bijlagen, van de gemachtigde van verzoeker;

- de op 5 oktober 2011 ingekomen schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. M. Breeman, rechter in deze rechtbank;

- de processtukken zoals opgenomen in het zaaksdossier betreffende de hierna te noemen zaak, waaronder het proces-verbaal van de zitting van 31 augustus 2011, en

- de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 6 oktober 2011, waarbij zijn verschenen, verzoeker, zijn gemachtigde en mr. Breeman, voornoemd.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Breeman als behandelend rechter van de bij het team bestuursrecht van deze rechtbank tussen verzoeker als eiser en de Raad van bestuur van het UWV als verweerder aanhangige beroepszaak onder procedurenummer ABW 11/3004 WAJONG.

Mr. Breeman, verder ook te noemen de rechter, berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3. De feiten en de gronden van de wraking

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om een Wajong-uitkering, ongegrond is verklaard.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 31 augustus 2011.

De gemachtigde van verzoeker heeft in het door hem namens verzoeker op 5 september 2011 ingediende wrakingsverzoek het volgende aangevoerd.

- Aan het begin van de zitting begon de rechter uitvoerig te benadrukken dat de stukken die de gemachtigde kort voor de behandeling had toegezonden veel te laat waren ingediend. Dat dit het geval was, was de gemachtigde natuurlijk zelf ook al bekend, maar hij had de rechter al meegedeeld waarom dit zo laat was gebeurd. De rechter ging op dat laatste op geen enkele manier in, maar in plaats van te doen wat in een dergelijk geval goed gebruik is, namelijk dat de (lijdelijke) rechter aan de wederpartij vraagt a) of zij deze de stukken óók heeft ontvangen en b) of deze bezwaar heeft tegen het in het geding brengen, bleef de rechter maar hameren op dat te laat ingediend zijn en pas toen informeerde de rechter bij de wederpartij met genoemde vragen.

- Even later op de zitting, toen de rechter de gemachtigde van verzoeker het woord gaf om de zaak toe te lichten, zei deze dat hij op papier had gezet wat hij vertelde en waarbij hij aanbood het memo aan de griffier te geven. Dat viel bij de rechter in verkeerde aarde en de rechter deelde mede: de gemachtigde moest niet denken dat hij kon verhinderen dat de rechter zou vragen wat hij wilde vragen. De enkele veronderstelling alléén al is volgens de gemachtigde te gek om over te praten. De rechter had ook geen enkele aanleiding voor die veronderstelling en de gemachtigde heeft er maar niets over gezegd.

- Het derde incident was reden om de rechter te wraken. Namelijk zijn uitval tegen de gemachtigde persoonlijk dat hij zat te zeuren.

Het is de gemachtigde onbekend waarom de rechter dit zei. De gemachtigde was aan het betogen dat een verzekeringsarts van het UWV en de huisarts van verzoeker vooringenomen waren geweest in hun rapportage over verzoeker, waarbij hij dit motiveerde aan de hand van de stukken waaruit hij letterlijk citeerde. Indien de rechter het betoog van de gemachtigde niet kon volgen of indien hij van mening was dat de gemachtigde niet juist argumenteerde, dan had de rechter in zakelijke termen kunnen reageren in plaats van de gemachtigde persoonlijk aan te vallen en verzoeker in verlegenheid te brengen door zijn gemachtigde persoonlijk in diskrediet te brengen. Het vertrouwen van verzoeker dat de rechter een onpartijdig oordeel zal vellen, is door zijn “zeuren”-opmerking volledig verloren, te meer tegen de achtergrond van wat er op de zitting aan onaangenaamheden al was voorbijgekomen.

Bij gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde nog aangevoerd dat rechter met zijn uitlatingen, met name met zijn “zeuren-opmerking” er blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor de rechtzoekende en diens gemachtigde/advocaat en de argumentatie van de zijde van verzoeker niet serieus te nemen. In de opvatting van de gemachtigde is dit onacceptabel en niet onpartijdig in de meest elementaire vorm die denkbaar is, nu daaruit blijkt dat de rechter niet naar een partij wil luisteren.

4. Het standpunt van de rechter

De rechter voert het volgende aan.

Ingevolge artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken worden ingediend. Indien stukken later worden ingediend kan de bestuursrechter beslissen deze toch toe te laten. In die beslissing is de rechter, anders dan gemachtigde van verzoeker stelt, niet lijdelijk. De rechter stelt dat hij in een dergelijk geval gewoon is eerst aan te geven dat de stukken te laat zijn om daarna te bezien of deze wellicht toch kunnen worden toegelaten. In het onderhavige geval heeft hij dit ook gedaan en beslist om de stukken toe te laten. Volgens hem valt niet in te zien op welke wijze hieruit partijdigheid van zijn kant zou kunnen worden afgeleid.

Sedert een ongeveer een half jaar hanteert het team bestuursrecht van de rechtbank het zogenaamde “anders werken”, waarbij als uitgangspunt geldt dat een zaak ter zitting niet wordt behandeld door middel van het pleiten door beide partijen, al dan niet met behulp van pleitnota’s, maar dat de behandeling plaatsvindt aan de hand van vragen van de rechter. Partijen krijgen daarna de gelegenheid nog naar voren te brengen wat nog niet aan de orde is geweest. Deze werkwijze is aan alle ketenpartners, waaronder de advocatuur, bekend gemaakt en ook in de uitnodiging voor de zitting wordt erop gewezen dat er geen of weinig ruimte bestaat voor het voorlezen van een pleitnota. De rechter betoogt dat hij ter zitting deze werkwijze ook heeft gehanteerd en dat hij niet inziet dat daaruit partijdigheid of vooringenomenheid kan worden afgeleid. De rechter betwist dat hij zou hebben gezegd dat de gemachtigde niet moest denken dat deze kon verhinderen dat hij de vragen zou stellen die hij wilde.

De rechter heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren dat hij tegen de gemachtigde heeft gezegd dat deze “zat te zeuren”. De rechter stelt dat hij wel heeft gezegd dat de gemachtigde op alle slakken zout legde, zoals ook in het proces-verbaal is opgenomen. De gemachtigde moet het ongetwijfeld bekend zijn -omdat hij vaker zittingen met de rechter heeft gehad- dat de rechter ter zitting steeds een stijl van communiceren hanteert, waarin hij sterk hecht aan helderheid, waarbij hij duidelijk aangeeft wat er speelt, zo nodig kritische vragen aan partijen stelt en reageert op de ingenomen stellingen. Het was, aldus de rechter, niet zijn bedoeling de gemachtigde persoonlijk aan te vallen en het spijt hem wanneer zijn uitlatingen verkeerd bij de gemachtigde zijn overgekomen. De rechter vindt het jammer dat de gemachtigde zijn wrevel hierover niet direct op de zitting heeft kenbaar gemaakt. De rechter kan de gemachtigde niet volgen in diens standpunt dat door zijn uitlatingen het vertrouwen in een onpartijdig oordeel is verloren.

De rechter meent dan ook dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

5. De beoordeling en de gronden daarvoor

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Naar heersende rechtsopvatting geldt daarbij als uitgangspunt dat de rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert.

Aan de door gemachtigde van verzoeker aangevoerde wrakingsgrond dat de rechter bij aanvang van de zitting bleef hameren op het te laat indienen van stukken moet in dat kader onvoldoende gewicht worden toegekend. Zeker in het licht van het processuele voorschrift van artikel 8:58 Awb, waarbij wordt bepaald dat stukken uiterlijk tot 10 dagen vóór de zitting moeten worden ingediend, kan niet gezegd worden dat de rechter door daarop ter zitting te wijzen, blijk heeft gegeven van partijdigheid en of vooringenomenheid, ook al heeft hij dit in de visie van verzoeker en zijn gemachtigde te nadrukkelijk gedaan.

Verzoekers tweede argument faalt reeds daarom, omdat de rechter uitdrukkelijk heeft ontkend de gestelde uitlating dat de gemachtigde niet moest denken dat deze kon verhinderen dat de rechter zou vragen wat hij wilde vragen, te hebben gedaan. Deze uitlating is dan ook in onvoldoende mate komen vast te staan.

Dit ligt echter anders ten aanzien van de verweten uitlating aan het adres van de gemachtigde dat hij zat te zeuren. Ter zake daarvan heeft de rechter bij gelegenheid van de behandeling ter zitting van het wrakingsverzoek verklaard, dat hij zich die uitlating niet kan herinneren, maar dat hij ook niet kan uitsluiten dat hij dit gezegd heeft. Desgevraagd heeft de rechter nog verklaard niet bij de griffier te hebben geverifieerd of hij zich in die zin heeft uitgelaten.

Daar tegenover staat de uitdrukkelijke stelling van de gemachtigde, ondersteund door verzoeker, dat de rechter op de zitting zich als voormeld heeft uitgelaten en hun bewijsaanbod om dit onder ede te bevestigen.

Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de rechter de betrokken uitlating aan het adres van de gemachtigde heeft gedaan.

Met die uitlating heeft de rechter, naar het oordeel van de wrakingskamer, er niet alleen blijk van gegeven hetgeen door de gemachtigde ter adstructie van het door verzoeker ingestelde beroep werd aangevoerd niet relevant te achten, maar heeft daarmee tevens gediskwalificeerd wat door de gemachtigde naar voren werd gebracht.

De wrakingskamer is van oordeel dat naar objectieve maatstaven bezien de rechter met die uitlating blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, nu hij daarmee bij verzoeker de indruk heeft gewekt dat hij zich reeds op dat moment, in voor verzoeker negatieve zin, al een oordeel over de zaak had gevormd.

Gebleken is dan ook van een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld op grond waarvan het wrakingsverzoek behoort te worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven op 13 oktober 2011 door mrs. P.P.M.H. van Hooff, E.J.G. Eijssen-Vruwink en D. Hund, in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

--