Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8854

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
10/1359 WMO en 10/1360 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende beschikt over een deeltaxipas en scootmobiel en heeft een eigen bus. Hij vraagt een rolstoeltoegankelijke bus ter vervanging van de oude. Gemeente wijst aanvraag af en zet deeltaxipas om in pas voor rolstoeldeeltaxi waarin scootmobiel kan worden meegenomen. Vervolgens wordt de aanvraag voor wijziging van de rolstoeldeeltaxipas in een financiële tegemoetkoming in verband met het gebruik van de eigen bus afgewezen. Gemeente heeft onvoldoende onderzocht waarom er geen aanleiding is om af te wijken van het primaat van het collectief vervoer. Er is sprake van veelvuldig medisch vervoer. Bovendien is belanghebbende voor zijn verplaatsingen afhankelijk van een combinatie van vervoersvoorzieningen, waaronder collectief vervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 10/1359 WMO en 10/1360 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. B.P.A. van Beers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 maart 2010 (bestreden besluit 1), inzake de toekenning van een vervoerspas rolstoeldeeltaxi en de weigering van een rolstoeltoegankelijke bus (procedurenummer 10/1360 WMO) en tegen het besluit van 26 februari 2010 (bestreden besluit 2), inzake de weigering van een financiële tegemoetkoming vervoer (procedurenummer 10/1359 WMO).

De rechtbank heeft aanleiding gezien deze zaken op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen met de zaken met procedurenummers 10/938 WMO, 10/1361 WMO en 10/2867 WMO ter zitting van

2 december 2010. Daarbij waren aanwezig eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder

[naam persoon].

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevoegde zaken gesplitst teneinde in de zaken 10/938 WMO, 10/1361 WMO en 10/2867 WMO afzonderlijk uitspraak te doen. In de hiervoor vermelde zaken wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser beschikt in verband met diverse aandoeningen over een vervoerspas voor de deeltaxi (collectief (aanvullend) vervoer) en over een scootermobiel. Verder beschikte hij tot medio 2010 over een eigen bus waarin hij zijn scootermobiel kon vervoeren, maar deze was aan vervanging toe.

Inzake procedurenummer 10/1360 WMO

Eiser heeft in mei 2009 een rolstoeltoegankelijke bus aangevraagd opdat hij de scootermobiel daarin mee kan nemen.

Argonaut heeft op 29 september 2009 geadviseerd dat er geen medische indicatie is voor een eigen bus waarin eiser de scootermobiel kan meenemen. Collectief aanvullend vervoer waarin de scootermobiel kan worden meegenomen is adequaat.

Bij primair besluit van 19 oktober 2009 heeft verweerder eisers deeltaxipas omgezet in een pas voor vervoer met de rolstoeldeeltaxi.

Bij een ander primair besluit van 19 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag voor een rolstoeltoegankelijke bus afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft in bezwaar nadere inlichtingen ingewonnen bij de arts van Argonaut.

De hoorcommissie bezwaarschriften van verweerders gemeente heeft op 5 februari 2010 advies uitgebracht. Volgens de commissie heeft Argonaut op een zorgvuldige en gemotiveerde wijze rapport uitgebracht over de vraag of eiser gebruik kan maken van het collectief vervoer. Eiser heeft geen medisch objectiveerbare feiten of omstandigheden vermeld op grond waarvan anders zou moeten worden besloten dan bij de primaire besluiten gedaan is. Met de scootermobiel, de rolstoeldeeltaxi, waarin eiser de scootermobiel kan meenemen, en het Valysvervoer, waarin de scootermobiel eveneens kan worden meegenomen, wordt voorzien in eisers vervoersbehoefte.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit 1, voor zover in dit geding van belang, eisers bezwaren tegen de besluiten van 19 oktober 2009 ongegrond verklaard. Verweerder heeft voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie.

Inzake procedurenummer 10/1359 WMO

Eiser heeft in oktober 2009 een aanvraag ingediend voor wijziging van de bij het besluit van 19 oktober 2009 toegekende pas voor de rolstoeldeeltaxi in een financiële tegemoetkoming vervoer in verband met het gebruik van de eigen rolstoeltoegankelijke bus.

Bij primair besluit van 2 november 2009 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van Argonaut van 29 september 2009, de aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming.

Eiser heeft bezwaar gemaakt.

De hoorcommisie bezwaarschriften van verweerders gemeente heeft op 3 februari 2010 advies uitgebracht. Volgens de commissie heeft Argonaut op een zorgvuldige en gemotiveerde wijze rapport uitgebracht over de vraag of eiser gebruik kan maken van het collectief vervoer. Met de scootermobiel, de rolstoeldeeltaxi, waarin eiser de scootermobiel kan meenemen, en het Valysvervoer, waarin de scootermobiel eveneens kan worden meegenomen, wordt voorzien in eisers vervoersbehoefte. Hij komt daarom niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming (persoonsgebonden budget (pgb)). Een veelvuldig beroep op een pgb kan bovendien het instandhouden van het systeem van collectief vervoer ondergraven. Er zijn dan ook overwegende bezwaren tegen het bieden van een keuzemogelijkheid tussen collectief vervoer en een pgb.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit 2 eisers bezwaren tegen het besluit van

2 november 2009 ongegrond verklaard. Verweerder heeft voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie.

2.2 Eiser heeft in beroep tegen beide besluiten, samengevat, aangevoerd dat de algemene voorziening in de vorm van rolstoeldeeltaxi voor hem niet toereikend is gelet op zijn vervoersbehoefte en het gebied dat met de rolstoeldeeltaxi, de scootermobiel en het Valysvervoer bestreken kan worden. Het onderzoek door Argonaut is bovendien onzorgvuldig geweest.

2.3 In artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is bepaald dat onder maatschappelijke ondersteuning (onder meer) valt:

5º. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem;

6º. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem, voor zover in dit geding van belang, in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.

In het tweede lid van artikel 4 is bepaald dat bij het bepalen van de voorzieningen het college van burgemeester en wethouders rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rucphen (Verordening).

In artikel 3 van de Verordening is bepaald dat een individuele voorziening verstrekt kan worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college stelt vast in welke situaties er vanwege overwegende bezwaren geen keuze wordt geboden tussen deze voorzieningen aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Rucphen neergelegde criteria (Besluit).

In artikel 23 van de Verordening is bepaald dat de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

b. een individuele vervoersvoorziening in natura;

c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele vervoersvoorziening;

d een financiële tegemoetkoming in de kosten van een individuele vervoersvoorziening.

In artikel 24 van de Verordening is bepaald dat een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 23, onder a, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen:

a. het gebruik van het openbaar vervoer of

b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.

In artikel 25 van de Verordening is bepaald dat een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 23, onder b, c en d, vermelde voorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer:

a. aantoonbare beperkingen het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder a, onmogelijk maken dan wel

b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder a, niet aanwezig is.

In artikel 26, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de in artikel 23, onder b, c en d, genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

a. een vervoersvoorziening in natura in de vorm van:

1 een al dan niet aangepaste bruikleenauto;

2 een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;

3 een open elektrische buitenwagen;

4. een ander verplaatsingsmiddel.

Voor de onder 3 en 4 genoemde voorzieningen geldt dat zij ook aanvullend op het collectief vervoer van artikel 23, onder a, verstrekt kunnen worden.

b. een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele vervoersvoorziening.

c. een financiële tegemoetkoming in de kosten van een individuele vervoersvoorziening.

1 aanpassing van een eigen auto;

2 gebruik van een bruikleenauto;

3 gebruik van een taxi of een auto;

4 gebruik van een rolstoeltaxi.

In artikel 26, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, sub c, onder 2 t/m 4, rekening wordt gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager en de mate waarin een voorziening als bedoeld in artikel 23, onder b en c, in die vervoersbehoefte kan voorzien.

In artikel 27, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat bij de te verstrekken vervoersvoorziening ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening wordt gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Artikel 17 van het Besluit bepaalt dat voor de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto, bruikleenauto, taxi of rolstoeltaxi als bedoeld in art. 26.1 onder c sub 2 t/m 4 van de Verordening, een bedrag geldt van € 693,-- voor het gehele kalenderjaar voor een persoon met beperkingen die:

a. die behoort tot een gezin met een of meer inwonende kinderen tot 18 jaar en in welk gezin een auto aanwezig is;

b. die op grond van het bepaalde in artikel 25, sub a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geen gebruik kan maken van een collectief vervoerssysteem als bedoeld in artikel 23 onder a. van deze verordening.

In paragraaf 4.2 van het Verstrekkingenboek voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verstrekkingenboek) heeft verweerder als beleid inzake het vervoer naar therapie en bezoek aan medische behandelaars vermeld:

“ Vervoer van en naar medische behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen, zoals de Regeling Zorgverzekering.”

2.4 De rechtbank stelt vast dat de rechtsvraag waar het in beide procedures om draait de vraag is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn medische beperkingen in staat is om met het collectief aanvullend vervoer te reizen met medeneming van zijn scootermobiel, en zo ja, dat daartegen geen overwegende bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wmo.

2.5 Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN: BG6612) heeft geoordeeld brengt artikel 4 van de Wmo mee dat zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van mensen met een beperking de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het college daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het college om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt aan het college de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. Een besluit in het kader van artikel 4 van de Wmo dient maatwerk te zijn. Daarbij is van groot belang dat ingevolge artikel 3:2 van de Awb een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor de uitvoering van de Wmo relevante feiten en omstandigheden.

Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het college is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren.

2.6 Met inachtneming van hetgeen de CRvB in de uitspraken van 28 oktober 2009

(LJN BK2500, BK2502 en BK2504) heeft overwogen stelt de rechtbank vast dat het in de gemeente Rucphen in het leven geroepen systeem van collectief vervoer als een individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Wmo kan worden aangemerkt. Er is immers sprake van een in beginsel voor een ieder toegankelijke voorziening op basis van een beperkte toelatingsbeoordeling, waarbij acht wordt geslagen op de persoonskenmerken van de aanvrager en de voorziening naar haar aard is afgestemd op de kenmerken van de aanvrager.

2.7 In de Verordening is het primaat van het collectief vervoer neergelegd. Blijkens de Verordening heeft het collectief vervoer het primaat boven andere individuele voorzieningen, tenzij aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken.

2.8 De rechtbank zal dan ook allereerst de vraag beantwoorden of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser gelet op zijn medische beperkingen in staat is om met het collectief aanvullend vervoer te reizen met medeneming van zijn scootermobiel.

Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op onderzoek door Argonaut.

De arts heeft eiser onderzocht, het dossier bestudeerd en informatie opgevraagd bij eisers behandelend neuroloog Wouters. De arts heeft in de rapportage van 29 september 2009 aangegeven dat eiser in staat moet worden geacht om binnen de regio gebruik te maken van de deeltaxi. Op de plaats van bestemming is hij echter aangewezen op de scootermobiel, omdat hij niet in staat is om een handbewogen rolstoel zelf te verplaatsen. Voor het vervoer buiten de regio kan eiser gebruik maken van het Valys-vervoer. Ook daarbij kan hij de scootermobiel meenemen. Eiser moet op deze manier in staat worden geacht om zijn sociale contacten te onderhouden zonder dat er een sociaal isolement ontstaat. Er is derhalve geen medische indicatie voor een eigen bus waarin eiser de scootermobiel kan meenemen. Vervoer met de deeltaxi waarin de scootermobiel kan worden meegenomen is adequaat.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door Argonaut voldoende zorgvuldig is geweest. De arts heeft eiser onderzocht en zijn dossier bestudeerd. Bovendien is informatie opgevraagd bij – en verkregen van de behandelend neuroloog Wouters, wiens naam eiser op het machtigingsformulier van Argonaut had opgegeven. Verder zijn in de bezwaarfase inlichtingen opgevraagd bij de behandelend revalidatiearts Van de Pas. Dat laatstgenoemde ondanks aandringen van de kant van Argonaut uiteindelijk geen inlichtingen aan Argonaut heeft verstrekt, maakt naar het oordeel van de rechtbank het onderzoek door Argonaut niet onzorgvuldig, omdat dit een omstandigheid is die buiten de macht van Argonaut is gelegen. Bovendien kon Argonaut naar het oordeel van de rechtbank op basis van de informatie die wel beschikbaar was een goede inschatting maken van eisers beperkingen. Daarbij komt dat de arts van Argonaut bij mail van 1 juni 2010 heeft gereageerd op de brief van de revalidatiearts van 12 april 2010 die eiser ook in beroep bij de rechtbank heeft overgelegd.

De rechtbank ziet in de beschikbare gegevens dan ook geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van deze medische beoordeling door Argonaut. Argonaut had een duidelijk medisch beeld van eiser en heeft diens klachten in voldoende mate meegenomen in de beoordeling.

Dat verweerder de brief van de fysiotherapeut van 25 november 2009 die eiser in bezwaar heeft overgelegd niet aan Argonaut heeft voorgelegd, maakt verweerders besluitvorming niet onzorgvuldig, nu deze brief niet afkomstig is van een medicus en bovendien geen andere medische informatie bevat dan reeds bij Argonaut bekend was.

De rechtbank beantwoordt op grond van het voorgaande de vraag of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser gelet op zijn medische beperkingen in staat is om met het collectief aanvullend vervoer te reizen met medeneming van zijn scootermobiel bevestigend. Er is dus geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 25, onder a, van de Verordening dat aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk maken.

2.9 Indien verweerder concludeert dat de aanvrager in staat is om gebruik te maken van het collectief vervoer, dient verweerder ingevolge artikel 6 van de Wmo de aanvrager de keuze te bieden tussen het ontvangen van die voorziening in natura en het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb (waaronder de rechtbank voor de toepassing van artikel 6 van de Wmo tevens een financiële tegemoetkoming verstaat), tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Hierbij wordt niet alleen gedoeld op persoonsgebonden bezwaren, maar tevens op bezwaren van algemene aard, die kunnen berusten op doelmatigheidsoverwegingen. Daarbij kan worden begrepen de overweging dat een veelvuldig beroep op pgb’s het instandhouden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven.

2.10 Ten aanzien van de overwegende bezwaren van algemene aard is ter zitting namens verweerder gemotiveerd toegelicht waarom in de gemeente Rucphen bij een keuzevrijheid tussen pgb en het collectief vervoer het systeem van collectief vervoer in gevaar komt.

De rechtbank begrijpt dit standpunt van verweerder aldus dat wordt verwacht dat een substantieel deel van de deelnemers aan het collectief vervoer gebruik gaat maken van het pgb indien sprake is van een keuzemogelijkheid tussen het collectief vervoer en een pgb en dat daarmee het systeem van collectief vervoer wordt ondergraven. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van overwegende bezwaren als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wmo. Dat betekent dat verweerder in beginsel niet gehouden is om, indien met toekenning van deelname aan het collectief vervoer voldaan is aan de compensatieplicht, aan de personen in kwestie de keuzemogelijkheid te bieden tussen deelname aan het collectief vervoer en een pgb (of een financiële tegemoetkoming).

2.11 Bij de beoordeling van de vraag of met het aanbieden van deelname aan het collectief vervoer is voldaan aan de compensatieplicht dient verweerder te inventariseren hoe de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer zich verhouden tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften, een en ander tegen de achtergrond van de vraag welke voorziening in het concrete geval leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid van de aanvrager en zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Verweerder zal daarbij voorts rekening moeten houden met de capaciteiten van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in vervoersmaatregelen te voorzien.

2.12 De rechtbank acht in het geval van eiser onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om af te wijken van het primaat van het collectief vervoer.

Daartoe wordt overwogen dat eiser heeft aangegeven dat hij zeer vaak naar behandelaars in het ziekenhuis of andere medische behandelaars en therapeuten moet en dat dat met de deeltaxi niet mag. Volgens verweerders onder 2.3 weergegeven beleid valt dit vervoer inderdaad niet onder het vervoer onder de Wmo.

De CRvB heeft in haar uitspraak van 12 januari 2010 (LJN BL4037) als haar oordeel gegeven dat met betrekking tot de de kosten van het medisch vervoer de op dit aspect betrekkende hebbende jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten tot stand is gekomen (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 januari 2009 (LJN BH4270)) evenzeer geldt onder de Wmo. Dit betekent, dat het op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of eiser aanspraak kan maken op een aan de Wmo voorliggende wettelijke vervoersvoorziening betreffende het medisch vervoer. Als zo’n voorziening er niet is en dergelijk vervoer niet met het collectief vervoer mag plaatsvinden, is het collectief vervoer naar het oordeel van de rechtbank niet als een adequate voorziening aan te merken. Nu verweerder zo’n onderzoek heeft nagelaten, dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De bestreden besluiten dienen ook om een andere reden te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Daartoe wordt overwogen dat eiser ten tijde van de aanvragen in het bezit was van een bus en, zoals hij ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard, thans in het bezit is van een auto. Verder is hij voor vervoer over zeer korte afstand aangewezen op een scootermobiel. Eiser heeft gevraagd om een financiële tegemoetkoming in plaats van de pas voor collectief vervoer. Eiser voldoet niet aan de criteria van artikel 17 van het Besluit om voor een dergelijke tegemoetkoming in aanmerking te komen.

De rechtbank wijst er op dat blijkens de jurisprudentie van de CRvB (onder meer de onder 2.6 genoemde uitspraken) de zwaarwegende belangen die eraan in de weg kunnen staan om in plaats van collectief vervoer een pgb (of financiële tegemoetkoming) aan te bieden, niet zonder meer opgaan voor personen die voor hun verplaatsingen afhankelijk zijn van een combinatie van vervoersvoorzieningen, waaronder collectief vervoer. Verweerder dient hiertoe een afweging te maken, waarbij onder meer relevant kunnen zijn de tegenwaarde van het afzien van deelname aan het collectief vervoer en de mogelijkheden en bereidheid van de betrokkene om zelf een gedeelte van de kosten voor zijn rekening te nemen, waarbij in het geval van eiser de rechtbank opmerkt dat hij zelf inmiddels een auto heeft aangeschaft.

De rechtbank heeft uit de gedingstukken niet kunnen afleiden dat verweerder deze afweging heeft gemaakt.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom er in het geval van eiser niet is afgeweken van het primaat van het collectief vervoer.

2.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven wegens bovengenoemde gebreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om ter finale geschilbeslechting bij tussenuitspraak verweerder in de gelegenheid te stellen om deze gebreken te herstellen. Verweerder zal opnieuw op de bezwaarschriften van eiser dienen te beslissen en daarbij ook de huidige situatie dienen te betrekken, waarin eiser niet langer beschikt over zijn eigen bus maar wel over een eigen auto.

2.14 Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag, waarbij de rechtbank uitgaat van samenhang tussen beide zaken. Aangezien eiser met een toevoeging procedeert, moeten die kosten worden betaald aan de griffier, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. J.G.M. Wouters, rechter, en door deze en mr. R.J.Tolner, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op:

In deze uitspraak zijn de beroepen gegrond verklaard en zijn de bestreden besluiten vernietigd. De rechtbank heeft daarbij echter gronden van uw beroepen (ook ‘grieven’ genoemd) uitdrukkelijk verworpen. Indien u daarin niet wilt berusten, moet u tegen de uitspraak binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen.