Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8492

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
10 / 4205 WW, 10 / 4206 WW en 10 / 4207 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit deeltijd WW is niet een uitvoeringsregeling van de WW. De vereiste verkorting werktijd met ten hoogste 50% staat los van het vijfurencriterium van artikel 16 WW.

In deeltijd-WW-besluiten is werknemers meegedeeld dat zij geen wijzigings- of inkomsten­formulier hoeven in te sturen. Op hen rustte dus geen inlichtingenplicht ter zake van het aantal gewerkte uren. Verweerder was daarom niet bevoegd de uitkeringen in te trekken op grond van artikel 22a, eerste lid, onderdelen a en c van de WW. Echter wel op grond van onderdeel b van dat artikellid. Dan is van belang of werknemers redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Dat was ter zake niet het geval. Intrekking mocht daarom eerst met ingang van de dag waarop werknemers werd meegedeeld dat ten onrechte uitkering is verstrekt.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat UWV-kantoren met betrekking tot de verplichting inlichtingen te verstrekken omtrent wijziging van gewerkte uren geen uniforme uitvoering geven aan het Besluit deeltijd WW.

Het UWV heeft hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 10 / 4205 WW, 10 / 4206 WW en 10 / 4207 WW

uitspraken van de meervoudige kamer

in de zaken van

[naam persoon],

wonende te [plaatsnaam], eiseres in zaak 10 / 4205 WW,

[naam persoon],

wonende te [plaatsnaam], eiseres in zaak , 10 / 4206 WW en

[naam persoon],

wonende te [plaatsnaam], eiseres in zaak 10 / 4207 WW

gemachtigde mr. C.W.I. van Vlokhoven,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van verweerder van 27 juli 2010 (bestreden besluiten), inzake de intrekking van deeltijd-WW-uitkering.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 maart 2011, waar eisers werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde en waar verweerder werd vertegenwoordigd door [naam persoon].

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers zijn werkzaam in loondienst van Montis Meubelen B.V. te Dongen (Montis). Zij hebben op 10 augustus 2009 bij verweerder op basis van het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2009, nr. IVV/I/2009/7428 (Besluit deeltijd WW) een aanvraag deeltijd-WW ingediend.

In een bijgevoegde werkgeversverklaring heeft Montis verklaard dat van eisers de werktijd gedurende de periode van

10 augustus 2009 tot 9 november 2009 met 25% (ten minste 20% doch ten hoogste 50%) wordt verkort.

Bij besluiten van respectievelijk 9 september 2009, 10 september 2009 en 18 september 2009 is aan eisers de gevraagde deeltijd-WW toegekend. Bij latere besluiten heeft verweerder op verzoek van Montis de deeltijd-WW-periode verlengd, eerst over de periode van 9 november 2009 tot en met 7 februari 2010, later over de periode van 8 februari 2010 tot en met 9 mei 2010.

Naar aanleiding van een door Montis ingediend overzicht van gewerkte uren heeft verweerder geconstateerd dat gedurende de periode waarin deeltijd-WW werd verleend niet (voortdurend) sprake was van een urenverlies van minimaal vijf uur per week. Eisers hadden daarom, volgens verweerder, geen recht meer op deeltijd-WW, en bij primaire besluiten van respectievelijk 7 mei 2010, 16 april 2010 en 25 maart 2010 heeft verweerder de uitkering met ingang van respectievelijk

9 november 2009, 10 augustus 2009 en 10 augustus 2009 beëindigd (de rechtbank leest: ingetrokken). Meegedeeld is dat Montis binnenkort een terugvordering krijgt.

Bij brieven van respectievelijk 12 mei 2010, 16 april 2010 en 2 april 2010 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat Montis zal worden gevraagd bedragen van respectievelijk € 645,60, € 1.162,55 en € 2.872,65 terug te betalen over de periodes van respectievelijk 8 februari 2010 tot en met 2 mei 2010, 10 augustus 2009 tot en met 4 april 2010 en

10 augustus 2009 tot en met 7 maart 2010.

Eisers en Montis hebben tegen de primaire besluiten bezwaarschriften ingediend.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

2.2 Eisers hebben in beroep, samengevat, aangevoerd dat verweerder zijn standpunt kennelijk ontleent aan artikel 16 van de Werkloosheidswet (WW). Het feit dat artikel 16 van de WW in één en dezelfde zin ook als voorwaarde aanvaardt dat de werknemer ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, impliceert dat deze bepaling in het kader van de deeltijd-WW niet alleen het minimum van vijf uren verlies van arbeid, maar ook het minimum van 50% van de arbeidsuren zou moeten hanteren. Nu de deeltijd-WW het minimum van 50% niet kent is, naar het oordeel van eisers, duidelijk dat ook het minimum van vijf uren niet kan gelden. Volgens eisers is artikel 16 van de WW niet van toepassing in het kader van de deeltijd-WW. Ook in de toelichting op het Besluit Deeltijd WW wordt geen melding gemaakt van een eis van minimaal vijf uren verlies van arbeid.

Nu verweerder daadwerkelijk tot uitkering overging, heeft hij bij eisers het vertrouwen opgewekt dat recht op uitkering op voet van de WW bestond. Montis heeft daarop voortgebouwd door ook in de daarop volgende perioden werktijdverkorting toe te passen.

2.3 In artikel 1, eerste lid, van het Besluit deeltijd WW is bepaald dat in afwijking van artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) het een werkgever is toegestaan eenmalig de werktijd van een of meer van zijn werknemers gedurende een van tevoren schriftelijk vastgelegde periode over een periode van 13 weken gemiddeld met ten minste 20% en ten hoogste 50% te verkorten indien aan enige in dat artikellid beschreven voorwaarden is voldaan.

In artikel 16, eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW) is bepaald dat werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

In artikel 22a, eerste lid, van de WW is bepaald dat het UWV een besluit tot toekenning van uitkering intrekt, onder meer:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat..

In artikel 22a, tweede lid, van de WW is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

In artikel 25 van de WW is bepaald dat de werknemer verplicht is aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op, onder meer, het recht op uitkering.

In artikel 3, eerste lid, van de ter uitvoering van artikel 22a van de WW vastgestelde Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen (Beleidsregels) is bepaald dat, indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, intrekking of herziening van de uitkering plaatsvindt met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, de uitkering wordt ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering wordt ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

In het vierde lid van dat artikel is bepaald dat bij samenloop van een of meer situaties als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, de uitkering wordt ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de vroegste dag.

In artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels is bepaald dat onverminderd het bepaalde in artikel 3, indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering wordt ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop UWV hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, doch niet later dan de dag met ingang waarvan de uitkering werd geschorst.

2.4 De rechtbank zal eerst stilstaan bij de stelling van eisers, dat de definitie van het begrip ‘werkloos’ in artikel 16 van de WW geen betekenis heeft bij de vaststelling van het recht op deeltijd-WW, althans dat het vijfurencriterium niet mag worden gehanteerd.

Het Besluit deeltijd WW maakt een tijdelijke, gedeeltelijke ontheffing mogelijk van het ontslagverbod van het BBA, waardoor bereikt kan worden dat de betrokken werknemers ondanks het ontbreken van een ontslagvergunning recht hebben op een WW-uitkering. Het Besluit deeltijd WW is dan ook niet te beschouwen als een uitvoeringsregeling van de WW, en brengt geen wijziging in de werking van wat in de WW is bepaald. Het vereiste, opgenomen in artikel 1 van het Besluit deeltijd WW, van verkorting van de werktijd met ten hoogste 50% staat dan ook geheel los van het werkloosheidscriterium dat in artikel 16 van de WW is geformuleerd. De relatie die eisers hebben gelegd tussen de criteria van artikel 1 van het Besluit deeltijd WW en artikel 16 van de WW, alsmede de consequentie die zij daaraan hebben verbonden dat het vijfurencriterium niet van toepassing is, heeft bij de totstand¬koming van het Besluit deeltijd WW niet voor ogen gestaan, en moet voor onjuist worden gehouden.

Ook uit de toelichting bij het Besluit deeltijd WW blijkt van de bedoeling dat uitkering wordt verleend “naar de normale regels van de WW.”

2.5 Dat eisers, anders dan bij de toekenning en de verlenging van de deeltijd-WW-uitkering werd verondersteld, minder dan vijf uren per week arbeidsuren hebben verloren is niet in geschil. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan.

2.6 Het bovenstaande betekent dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de WW. Ter zitting heeft verweerder erkend dat die wetsbepaling niet is genoemd in de bestreden besluiten, evenmin als de Beleidsregels. Uit de stukken blijkt evenmin dat verweerder zich heeft afgevraagd of het ten onrechte of teveel verstrekken van uitkering is veroorzaakt door het niet-nakomen van de inlichtingenplicht door eisers, danwel of eisers redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hen ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

De rechtbank stelt vast dat daarom sprake is van een motiveringsgebrek dat aanleiding geeft de bestreden besluiten te vernietigen. De beroepen zullen daarom gegrond worden verklaard.

De rechtbank zal de bestreden besluiten ook verder inhoudelijk beoordelen om te bezien of het mogelijk is het geschil definitief te beslechten. Zij overweegt in dat verband het volgende.

2.7 Met betrekking tot de vraag of eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden staat de rechtbank allereerst stil bij de vraag naar de reikwijdte van de inlichtingenplicht in de specifieke situatie van eisers.

In de besluiten tot toekenning van deeltijd-WW is aan eisers meegedeeld: “Omdat uw uitkering aan uw werkgever betaald wordt, zal deze ook zorg dragen voor een overzicht van de door u gewerkte uren aan UWV. U hoeft dus zelf geen wijzigingsformulier of inkomsten¬formulier hiervoor in te sturen.” Na de mededeling omtrent de einddatum van de uitkering bij ongewijzigde omstandigheden is aan eisers meegedeeld: “De uitkering stopt als u na de urenvermindering weer volledig gaat werken.” De laatste mededeling is ook opgenomen in de besluiten tot verlenging van de deeltijd-WW.

De rechtbank overweegt dat in het licht van deze mededelingen op eisers geen verplichting rustte om inlichtingen te verstrekken omtrent wijzigingen in het aantal gewerkte uren, terwijl bovendien de indruk is gewekt dat een wijziging in het aantal gewerkte uren pas leidt tot beëindiging van de deeltijd-WW als eisers weer volledig gaan werken.

Nu op eisers geen inlichtingenplicht rustte ter zake van het aantal gewerkte uren, en nu ook niet is gebleken van schending van een andere op hen rustende verplichting, was verweerder niet bevoegd tot intrekking van de uitkeringen op grond van artikel 22a, eerste lid, onderdelen a en c van de WW, en kon verweerder die bevoegdheid tot intrekking enkel ontlenen aan onderdeel b van dat artikellid.

In het licht van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels is dan van belang of eisers redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hen ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

Bij de beantwoording van die vraag acht de rechtbank van belang dat Montis zich in de afsprakenovereenkomst met de vertegenwoordigers van werknemers heeft verbonden om het loon onverminderd door te betalen, ook als de werknemers geen recht hebben op een uitkering op grond van de WW over de uren waarmee de werktijd is verkort. Verweerder keerde de deeltijd-WW-uitkering uit aan Montis en Montis betaalde het gebruikelijke salaris aan eisers. Eisers konden dus geen financiële gevolgen ervaren van de voortzetting van deeltijd-WW waar zij geen recht op hadden. Voorts heeft verweerder, zoals de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld, door mededelingen in de toekennings- en verlengingsbesluiten bij eisers de indruk gewekt dat het recht op deeltijd-WW pas zou wijzigen als eisers weer volledig gingen werken (welke situatie zich in de te beoordelen periode niet heeft voorgedaan). Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat eisers redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hen ten onrechte of teveel uitkering werd verstrekt.

Er is dan ook geen feitelijke grondslag voor toepassing van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels.

Eisers bevinden zich in de situatie die is beschreven in artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels, zodat verweerder bevoegd is de uitkering in te trekken met ingang van de dag waarop verweerder eisers voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hen ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. Gelet op de data van de primaire besluiten kan de uitkering van eiseres [naam persoon] worden ingetrokken met ingang van 7 mei 2010, kan de uitkering van eiseres [naam persoon] worden ingetrokken met ingang van 16 april 2010 en kan de uitkering van eiseres [naam persoon] worden ingetrokken met ingang van 25 maart 2010.

Van dringende redenen om af te zien van intrekking over die periodes is de rechtbank niet gebleken.

2.8 Met betrekking tot het beroep dat eisers hebben gedaan op het vertrouwen dat verweerder heeft opgewekt door daadwerkelijk uit te keren, overweegt de rechtbank dat door toepassing van artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels volledig wordt tegemoetgekomen in de opvatting van eisers dat geen intrekking dient plaats te vinden over de periode waarin zij in de veronderstelling mochten verkeren dat zij recht hadden op deeltijd-WW.

2.9 De rechtbank overweegt dat de bestreden besluiten geen betrekking hebben op terugvordering van eisers van ten onrechte verleende uitkering, zodat de rechtbank daarover geen oordeel zal geven.

2.10 In overweging 2.6 werd vastgesteld dat de beroepen gegrond verklaard dienen te worden en dat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Gelet op de in overweging 2.7 bereikte conclusies, zal de rechtbank, om de procedures niet langer te laten duren dan strikt noodzakelijk is, zelf in de zaken voorzien door zelf op de bezwaren te beslissen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres [naam persoon[ wordt het ten aanzien van haar genomen primaire besluit herroepen voor zover het betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 7 mei 2010. Het besluit tot intrekking van het recht op deeltijd-WW over de periode van 7 mei 2010 tot en met 9 mei 2010 wordt gehandhaafd.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres Van Dun-Mertens wordt het ten aanzien van haar genomen primaire besluit herroepen voor zover het betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 16 april 2010. Het besluit tot intrekking van het recht op deeltijd-WW over de periode van 16 april 2010 tot en met 9 mei 2010 wordt gehandhaafd.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres [naam persoon] wordt het ten aanzien van haar genomen primaire besluit herroepen voor zover het betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 25 maart 2010. Het besluit tot intrekking van het recht op deeltijd-WW over de periode van 25 maart 2010 tot en met 9 mei 2010 wordt gehandhaafd.

2.11 Ten overvloede, maar van belang uit een oogpunt van uniforme uitvoering van het Besluit deeltijd WW, overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals in overweging 2.7 van deze uitspraak is overwogen rustte op eisers in deze zaak geen inlichtingenplicht met betrekking tot de wijziging van gewerkte uren. Deze rechtbank doet heden ook uitspraak in de beroepszaken met procedurenummers 10 / 2507 WW, 10 / 4235 WW, 10 / 4236 WW en 10 / 4237 WW, die eveneens betrekking hebben op intrekking van het recht op deeltijd-WW nadat een arbeidsurenverlies van minder dan vijf uren werd geconstateerd, alsmede op de daarop volgende terugvordering. Het is de rechtbank opgevallen dat in die zaken de werknemers niet door verweerder, kantoor Breda, zijn ontheven van de inlichtingenplicht met betrekking tot wijziging van gewerkte uren. Dit verschil in behandeling kan er toe leiden dat intrekkings- en terugvorderingsbesluiten rechtmatig zijn wanneer ze door het ene UWV-kantoor worden genomen, terwijl ze onrechtmatig zijn als ze door een ander UWV-kantoor worden genomen. Dit is uit een oogpunt van uniforme toepassing van regelgeving ongewenst te achten.

2.12 Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eisers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

herroept het primaire besluit ten aanzien van eiseres Brouwers, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het recht op uitkering in de periode voorafgaand aan 7 mei 2010, en handhaaft dat besluit voor zover het betrekking heeft op de periode van 7 mei 2010 tot en met 9 mei 2010;

herroept het primaire besluit ten aanzien van eiseres [naam persoon] voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het recht op uitkering in de periode voorafgaand aan 16 april 2010, en handhaaft dat besluit voor zover het betrekking heeft op de periode van 16 april 2010 tot en met 9 mei 2010;

herroept het primaire besluit ten aanzien van eiseres [naam persoon] voor zover het betrekking heeft op de intrekking van het recht op uitkering in de periode voorafgaand aan

25 maart 2010, en handhaaft dat besluit voor zover het betrekking heeft op de periode van

25 maart 2010 tot en met 9 mei 2010;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

gelast dat verweerder aan eisers het door ieder van hen betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 874,-.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. J.G.M. Wouters en

M. Breeman, rechters, en door de voorzitter en mr. P. Oudkerk, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij gronden van uw beroep (ook ‘grieven’ genoemd) uitdrukkelijk verworpen. Indien u daarin niet wilt berusten, moet u tegen de uitspraak binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen.

Afschrift verzonden op: