Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8299

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
Awb 10/1436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft beroep tegen vordering meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2007. Bij beschikking van 29 november 2007 van de rechtbank Amsterdam, Sector Kanton, is de arbeidsovereenkomst van eiseres (student) met haar werkgever met ingang van 1 januari 2008 ontbonden en is een vergoeding toegekend. De vergoeding is in januari 2008 betaald, maar DUO stelt zich op het standpunt dat de vergoeding meteen na het vonnis vorderbaar en inbaar is geworden als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 10 en 13a van de Wet op de loonbelasting. De rechtbank is van oordeel dat de aan de ontbinding gekoppelde vergoeding, gelet op de aard daarvan, niet vóór 1 januari 2008 vorderbaar en tevens inbaar is geworden en verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10 / 1436

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2011 in de zaak tussen

[eiseres], te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. D.R. Changoer),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2007 opgelegd.

Bij besluit van 19 juli 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van de rechtbank van 30 december 2010 is het beroep met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de rechtbank bij uitspraak van 26 mei 2011 gegrond verklaard, waarna de behandeling van het beroep is hervat in de stand waarin zich dit voor de uitspraak van 30 december 2010 bevond.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2011, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

Overwegingen

1. Eiseres is vanaf 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst als caissière werkzaam geweest bij [naam werkgever] (de werkgever). De werkgever heeft op 28 november 2007 een ontbindingsverzoek ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek ingediend. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam, Sector Kanton, van 29 november 2007 is arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever met ingang van 1 januari 2008 ontbonden. Verder is aan eiseres een vergoeding ten laste van de werkgever toegekend ten bedrage van € 6.000,00 bruto en is de werkgever veroordeeld tot betaling van deze vergoeding aan eiseres.

2. In beroep is aangevoerd dat het toetsingsinkomen onjuist is vastgesteld, omdat de ontslagvergoeding niet aan (december) 2007 had mogen worden toegerekend, omdat in de beëindigingsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever is opgenomen dat “binnen vier weken na de beëindiging een vergoeding zal worden betaald ad € 6.000,00 bruto”. Eiseres betoogt dat in strijd met de afspraak is gehandeld doordat de werkgever de vergoeding aan de maand december 2007 heeft toegerekend en wijst erop dat betaling na 1 januari 2008 heeft plaatsgevonden. Volgens eiseres was die betaling op grond van de beëindigingsovereenkomst pas opeisbaar nadat vier weken na datum ontbinding, 1 januari 2008, waren verstreken. Om die reden betoogt eiseres dat de ontslagvergoeding niet tot het toetsingsinkomen 2007 kan worden gerekend. Subsidiair is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000. Eiseres betoogt in dit verband dat zij het meerinkomen niet kon voorkomen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ontslagvergoeding terecht tot het inkomen over het studiefinancieringstijdvak 2007 is gerekend, omdat de vergoeding meteen na het vonnis van de kantonrechter opeisbaar is geworden. Met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule stelt verweerder zich, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, op het standpunt dat eiseres in de loop van december 2007 bekend raakte met de uitbetaling van haar ontslagvergoeding en op dat moment had kunnen beseffen dat dit gevolgen kon hebben voor haar studiefinanciering. Volgens verweerder zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan eiseres niet vóór 1 april 2008 in staat zou zijn geweest om de aanvraag studiefinanciering per eind november 2007 te beëindigen om zodoende met haar inkomen onder het vrijgestelde bedrag te kunnen blijven.

4. Ingevolge artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 10 en 13a van de Wet op de loonbelasting dient ter bepaling van het toetsingsinkomen het inkomen - met uitzondering van belastbare winst uit onderneming en het voordeel uit sparen en beleggen - te worden toegerekend aan de maand waarin het inkomen is betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. Vast staat dat de vergoeding in januari 2008 is betaald. Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer bedoelde vergoeding vorderbaar en tevens inbaar is geworden. Daargelaten welke betekenis aan genoemd onderdeel van de beëindigingsovereenkomst toekomt, is de rechtbank van oordeel dat uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam, Sector Kanton, van 29 november 2007, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever met ingang van 1 januari 2008 is ontbonden, volgt dat de aan deze ontbinding gekoppelde vergoeding niet vóór 1 januari 2008 vorderbaar en tevens inbaar is geworden. De toegekende vergoeding ziet immers naar zijn aard op de gevolgen van de ontbinding, waarmee niet verenigbaar is dat deze reeds vóór de datum van de ontbinding opeisbaar zou zijn. Hieruit volgt dat verweerder de schadeloosstelling ten onrechte heeft meegeteld bij het toetsingsinkomen over 2007 en ten onrechte een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 2007 aan eiseres heeft opgelegd.

5. Op grond van voorgaande overwegingen dient het ingestelde beroep voor gegrond te worden gehouden. De rechtbank ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder c, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 24 juni 2010 te herroepen.

6. De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (0,5 punt voor het verzetschrift, 0,5 punt voor de behandeling van het verzet ter zitting en 1 punt voor de behandeling van het beroep ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

7. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.

w.g. mr. F.A. Timmers,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.