Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT7273

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
228519 / HA ZA 10-2291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Zorgplicht bank bij hypotheekverstrekking en in de executiefase"

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/17
JOR 2012/267 met annotatie van mr. C.W.M. Lieverse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228519 / HA ZA 10-2291

Vonnis van 7 september 2011

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.C.J. van den Assem,

tegen

1. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK ALTENA UA,

gevestigd te Werkendam,

2. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK NV,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. P.W. van Kooij.

Partijen zullen hierna [eisers] en Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 maart 2011 met de daarin genoemde stukken,

- de brief van mr. Van den Assem van 15 april 2011, met bijlagen,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eisers] vordert verklaring voor recht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat Rabobank jegens hem tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgverplichtingen als omschreven in de dagvaarding, althans onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en Rabobank hoofdelijk te veroordelen de dientengevolge door [eisers] geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.

2.2. Rabobank voert verweer.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

- [eisers] heeft sinds 1984 een eenmanszaak waarin hij een gevelrestauratiebedrijf exploiteert. Hij heeft zijn bankzaken steeds via Rabobank geregeld.

- Op 29 november 2004 heeft [eisers] de helft van het perceel Burgemeester van der Lelystraat 5 (hierna: “B5”) gekocht, met de bedoeling de bestaande woning te slopen en in eigen beheer een nieuwe woning te bouwen. De hypothecaire lening hiervoor werd verstrekt door Rabobank. [eisers] heeft B5 in onafgebouwde staat verkocht en geleverd op 6 juni 2006 met circa Euro 35.000,00 winst.

- Tegelijk met de verkoop van B5 heeft [eisers] het perceel Burgemeester van der Lelystraat 9 (hierna: “B9” dan wel “de woning”) geleverd gekregen na aankoop voor een bedrag van Euro 396.000,00. Ook ten aanzien van dit perceel was het de bedoeling dat [eisers] de nieuwe woning in eigen beheer zou bouwen, met name door zelfwerkzaamheid.

- Rabobank heeft ten behoeve van de aankoop, de sloop van de op het perceel aanwezige woning en de bouw van een nieuwe woning achtereenvolgens de volgende hypothecaire leningen aan [eisers] verstrekt:

- Euro 508.000,00 6 juni 2006

- Euro 75.000,00 10 januari 2007

- Euro 130.000,00 3 mei 2007

- Euro 75.000,00 6 februari 2008

- Op B9 werd in verband hiermee in juni 2006 een hypotheekrecht gevestigd ter hoogte van Euro 911.250,00 en één in mei 2007 ter hoogte van Euro 270.000,00.

- Rond 16 mei 2006 werd aan de eenmanszaak van [eisers] een bouwdepot verstrekt van Euro 75.000,00 voor de bouw van een schuur op B9 ten behoeve van de onderneming van [eisers]. Vanaf 7 juli 2007 beschikte de onderneming bovendien over een bedrijfskrediet van Euro 75.000,00.

- Bij koopovereenkomst van 11 maart 2008 heeft [eisers] de woning op de Burgemeester van der Lelystraat 3 (hierna: “B3”) gekocht. [eisers] wilde B3 splitsen om op beide helften een woning te bouwen met de bedoeling één of beide te verkopen en daarmee winst te maken. In de koopovereenkomst ter zake B3 is een financieringsvoorbehoud opgenomen.

- Rabobank weigerde de aankoop van B3 te financieren. BLG Hypotheekbank N.V. (hierna: “BLG”) heeft wel een overbruggingslening ter hoogte van Euro 312.000,00 en een aflossingsvrije lening van Euro 206.000,00 verstrekt. Ten gunste van BLG werd een eerste hypotheek gevestigd op B3 en een derde hypotheek op B9, ter hoogte van in totaal Euro 751.000,00.

- In augustus of september 2008 gaf Rabobank aan dat zij de totale hoogte van de schulden van [eisers] niet meer tolereerde. B3 en B9 werden te koop gezet. [eisers] kon de rentelasten niet meer voldoen en er ontstond een betalingsachterstand.

- Rabobank heeft bij brief van 3 februari 2009 de financiering opgezegd met sommatie al hetgeen [eisers] aan Rabobank verschuldigd is te voldoen. De executoriale verkoop van B9 werd door de notaris aangezegd per 23 februari 2010.

- Bij faxbrief van 22 februari 2010 geeft Rabobank aan dat zij bereid is de executoriale verkoop uit te stellen indien uiterlijk op 23 februari 2010 om 12:00 uur een bedrag van Euro 60.000,00 op de rekening van Rabobank is bijgeboekt. Ten aanzien van het aanbod van een derde op 22 februari 2010 om het bedrag van Euro 60.000,00 te lenen aan [eisers], blijft Rabobank bij haar standpunt dat dit bedrag uiterlijk op 23 februari 2010 om 12:00 uur op haar rekening moet zijn gestort.

- Op 23 februari 2010 in de ochtend laat [eisers] aan Rabobank weten dat een derde bereid is om B9 te kopen voor een bedrag van Euro 900.000,00. Rabobank laat de veiling niet opschorten.

- B9 is op de veiling verkocht aan Bodemgoed B.V., een dochteronderneming van Rabobank Nederland, voor een bedrag van Euro 770.000,00.

3.2. [eisers] grondt zijn vordering op toerekenbare tekortkoming door Rabobank in de op haar als bank rustende zorgplicht. Hij voert daartoe aan dat Rabobank in strijd met de Wet op het financieel toezicht en de Gedragscode Hypothecaire Financieringen aan hem meer krediet heeft verstrekt dan op grond van zijn financiële positie verantwoord was. Rabobank heeft volgens hem vóór het verstrekken van de kredieten onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn maximale leencapaciteit.

Daarnaast heeft Rabobank vóór de aankoop door [eisers] van B3 de indruk gewekt dat zij wel bereid zou zijn deze aankoop te financieren, terwijl zij na het sluiten van de koopovereenkomst de financiering hiervan heeft geweigerd.

Ten slotte heeft Rabobank in de executiefase de woning op onzorgvuldige wijze gepresenteerd, de executie op een te laag bedrag ingezet en de onderhandse verkoop voor Euro 900.000,00 laten passeren. Hiermee heeft zij haar plicht geschonden om een zo hoog mogelijke veilingopbrengst en daarmee een zo beperkt mogelijke restschuld na te streven.

3.3. Rabobank betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden. Zij heeft steeds voorafgaand aan het verstrekken van een lening voldoende onderzoek gedaan aan de hand van door [eisers] aan haar verstrekte gegevens. De normen van de door Rabobank gehanteerde beoordelingssystemen zijn daarbij niet overschreden. Deze normen werden wel overschreden bij het verstrekken van de extra aflossingsvrije geldlening ter hoogte van Euro 75.000,00 in februari 2008, maar dit werd in de offerte ook duidelijk aangegeven. Het oplopen van de financiering is volgens Rabobank het gevolg van de hoge door [eisers] gedane uitgaven voor de bouw van de woning. De betalingsproblemen zijn eerst ontstaan na de keuze van [eisers] om over te gaan tot de aankoop van B3, terwijl Rabobank het onverantwoord vond om daarvoor financiering te verstrekken.

Rabobank betwist dat zij vóór de aankoop door [eisers] van B3 de indruk heeft gewekt dat zij wel bereid zou zijn deze aankoop te financieren.

Ten slotte betwist Rabobank dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de executieverkoop van de woning. De wijze waarop de woning is gepresenteerd heeft geen invloed gehad op het resultaat van de executieverkoop. Het feit dat de woning moeilijk verkoopbaar was, heeft mede een rol gespeeld bij het bepalen van de bij de executie te hanteren bodemprijs. Er was volgens Rabobank geen andere partij dan Bodemgoed B.V. die bereid was om meer te betalen voor de woning dan Euro 770.000,00.

Zorgplicht ter zake de financiering

3.4. De rechtbank overweegt dat Rabobank als verstrekker van een hypothecaire geldlening gehouden is om zodanig onderzoek te doen en zodanige informatie in te winnen dat zij een afgewogen beslissing kan nemen over de vraag of de hypotheeknemer naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zal kunnen beschikken om aan de verplichtingen uit de overeenkomst van hypothecaire geldlening te kunnen voldoen. Er rust op banken niet in algemene zin een bijzondere zorgplicht ten opzichte van cliënten. Een dergelijke bijzondere zorgplicht bestaat slechts in situaties waarin een cliënt tegen vergoeding de medewerking van de bank inroept voor een aangelegenheid waarvoor geldt enerzijds dat de cliënt daarbij, voor de bank kenbaar, gezien zijn inkomen en/of vermogen grote financiële risico's loopt en hij vanwege zijn gebrek aan kennis en inzicht en/of zijn lichtzinnigheid bescherming tegen zichzelf behoeft, en anderzijds dat de bank ter zake over de benodigde deskundigheid en ervaring beschikt (A-G bij HR 13 mei 2011, LJN: BP6921). Een dergelijke bijzondere situatie doet zich in dit geval niet voor. Aan [eisers] zijn hypothecaire geldleningen verstrekt, die niet complex dan wel ondoorzichtig van aard waren. Er was sprake van eenvoudige financiële producten waaraan voor [eisers] duidelijke voorwaarden waren verbonden.

3.5. Anders dan [eisers] is de rechtbank van oordeel dat de Wet op het financieel toezicht en de Gedragscode Hypothecaire Financieringen geen rol spelen bij de bepaling van de inhoud van de op de bank rustende verplichtingen ten opzichte van haar cliënten. Deze regelingen zijn slechts normbepalend in het kader van het financieel toezicht op banken. Voor de beantwoording van de vraag of Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar jegens [eisers] rustende verplichtingen als hypotheekverstrekker dient dan ook te worden beoordeeld of Rabobank aan de hiervoor onder 3.4. genoemde norm heeft voldaan.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat Rabobank geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de toets die zij heeft aangelegd bij het verstrekken van de hypothecaire leningen aan [eisers]. Zoals ook de heer [Q] in het door [eisers] overgelegde rapport aangeeft, kan de hypotheekverstrekker meer krediet verlenen dan mogelijk is op basis van de maximale leencapaciteit zoals berekend volgens de door haar gebruikelijk gehanteerde berekeningswijze, indien daarvoor aanleiding is. Rabobank heeft in het onderhavige geval in aanmerking genomen dat [eisers] een ondernemer is die met goede naam in de regio bekend staat en over goede bouwkundige capaciteiten beschikt. Hij had B5 en het buurpand daarvan ook zelf gebouwd en B5 met winst verkocht. Het doel van de bouw van B9 was ook, eventueel op termijn, de verkoop van het pand. Het bij aanvang door [eisers] geleende bedrag was in beginsel voldoende om door zelfwerkzaamheid een woning op B9 te bouwen. Bovendien was [eisers] zelf in hoge mate overtuigd van de haalbaarheid van zijn plannen. De keuze van Rabobank om ook de laatste lening ter hoogte van € 75.000,00 te verstrekken was gerechtvaardigd, gelet op het belang van zowel [eisers] als Rabobank bij het realiseren van een zo hoog mogelijk resultaat bij verkoop van de woning. De rechtbank acht tevens van belang dat [eisers] de hypothecaire lasten steeds tijdig heeft kunnen voldoen, totdat in 2008 de leningen door BLG werden versterkt. Hieruit en uit het feit dat BLG wel bereid was om de aanvullende leningen te verstrekken, kan worden afgeleid dat Rabobank de eerder verstrekte leningen op goede gronden aan [eisers] heeft verstrekt.

3.7. [eisers] had vanaf het begin duidelijk het doel voor ogen om met de bouw van B9 een zo hoog mogelijke winst te behalen. Nu hij de bouw zelfstandig ter hand heeft genomen, had hij daarbij ook de verantwoordelijkheid om overzicht te houden over de daarvoor te maken kosten en deze, waar nodig, zoveel mogelijk te beperken. Rabobank mocht, gelet op de goede naam van [eisers] en het door hem behaalde resultaat bij de bouw van B5, er ook op vertrouwen dat hij deze verantwoordelijkheid kon dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Rabobank bij het verstrekken van de hypothecaire leningen haar zorgplicht niet heeft geschonden.

3.8. [eisers] stelt tevens dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden door vóór de aankoop door [eisers] van B3 de indruk te wekken dat zij wel bereid zou zijn deze aankoop te financieren, terwijl zij na het sluiten van de koopovereenkomst de financiering hiervan heeft geweigerd. Rabobank betwist deze indruk te hebben gewekt.

3.9. De rechtbank volgt [eisers] niet in zijn stellingname. Op aangeven van [eisers] was immers in de koopovereenkomst een financieringsvoorbehoud opgenomen, zodat een weigering van Rabobank om tot financiering over te gaan ontbinding van de overeenkomst open liet. Het feit dat BLG de aankoop van B3 wel wilde financieren, kan in dat kader niet aan Rabobank worden tegengeworpen, maar moet juist tot de conclusie leiden dat haar geen verwijt kan worden gemaakt.

Zorgplicht in de executiefase

3.10. Vervolgens voert [eisers] aan dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden in de executiefase, waarvoor hij allereerst aanvoert dat de woning op onzorgvuldige wijze is gepresenteerd. Op de veilingsite ontbrak een foto en een omschrijving van de woning en er stond foutief vermeld dat het een tussenwoning betrof.

Daarnaast voert [eisers] aan dat Rabobank de executie op een te laag bedrag heeft ingezet. Rabobank heeft een zichttaxatie laten uitvoeren door makelaar [P], die de woning taxeerde op een executiewaarde van Euro 853.000,00 en een vrije verkoopwaarde van Euro 1.137.000,00. [eisers] had echter al vier taxaties laten uitvoeren waarbij steeds de woning op een veel hogere vrije verkoopwaarde en executiewaarde werd gewaardeerd. Hij was zich er niet van bewust dat Rabobank slechts genoegen wilde nemen met een taxatie in haar opdracht en hij betwist dat de hoedanigheid van de opdrachtgever tot andere taxatiewaarden zou leiden. [eisers] stelt zich op het standpunt dat Rabobank gelet hierop niet in overleg met Bodemgoed B.V. op de veiling had mogen inzetten met een bedrag van Euro 750.000,00.

Ten slotte voert [eisers] aan dat in de ochtend op de dag van de veiling door een derde een onderhands bod werd gedaan om de woning te kopen voor een bedrag van Euro 900.000,00. Dit bod was er specifiek op gericht om de veiling te voorkomen, gelet op de reputatieschade die een veiling met zich mee bracht voor [eisers]. Rabobank is ten onrechte niet op dit bod ingegaan en heeft desondanks de veiling door laten gaan. Het was [eisers] niet duidelijk dat de eerder tussen partijen besproken mogelijkheid van het voor 12:00 uur storten van het bedrag van Euro 60.000,00 op de rekening van Rabobank de onderhandelingen over het onderhandse bod mogelijk had kunnen maken. Bovendien had Rabobank eenvoudig kunnen vaststellen dat de betreffende derde voldoende zekerheid bood.

3.11. Rabobank betwist dat de woning op onzorgvuldige wijze is gepresenteerd. Naast de onvolledige publicatie op de website van vastgoedveiling is er deugdelijk geadverteerd in een landelijk dagblad en op de website van veilingnotaris. Bovendien was de woning al bekend in de markt, omdat deze al een jaar in de verkoop stond via verschillende makelaars.

In verband met het feit dat Rabobank in eigen opdracht een taxatie wilde laten uitvoeren en [eisers] weigerde daaraan mee te werken, heeft een zichttaxatie door makelaar [P] plaatsgevonden. Deze heeft tevens gebruik gemaakt van de gegevens van de woning die op de website van Drieklomp Makelaars vermeld stonden. Rabobank stelt zich op het standpunt dat er een verschil kan zijn in de getaxeerde waarden afhankelijk van de hoedanigheid van de opdrachtgever en het doel van de taxatie. Rabobank betwist dat de door haar gehanteerde bodemprijs bij de veiling te laag is ingezet. Zij wijst erop dat ook achteraf is gebleken dat de woning moeilijk verkoopbaar is. De woning is immers nog steeds niet verkocht.

Rabobank stelt zich op het standpunt dat zij niet gehouden was om van de veiling af te zien toen zij vernam dat er een onderhands bod werd gedaan. Zij voert aan dat [eisers] niet aan haar heeft medegedeeld dat het onderhandse bod van Euro 900.000,00 enkel werd gedaan om een veiling te voorkomen. Dit bod kwam te laat om onderhandse verkoop in orde te maken, mede omdat er niet voldoende tijd was om zekerheid te krijgen omtrent de vraag of deze derde ook daadwerkelijk zou kunnen en willen betalen en/of afnemen. Het was volgens Rabobank voor [eisers] duidelijk dat hij enkel door in te gaan op het eerder door Rabobank gedane aanbod van het tijdig storten van het bedrag van Euro 60.000,00 op de rekening van Rabobank de veiling had kunnen voorkomen. De Rabobank wijst erop dat de betreffende derde niet op de veiling heeft meegeboden en ook nadien niet is overgegaan tot aankoop van de woning voor het bedrag van Euro 900.000,00.

3.12. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ook in de executiefase een zorgplicht op Rabobank rustte. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of Rabobank deze zorgplicht heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de woning met een onvolledige en onjuiste omschrijving op de website van vastgoedveiling stond vermeld, op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat Rabobank daarmee zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat zij haar zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden.

3.13. Ten aanzien van de taxatie van de woning stelt de rechtbank voorop dat het Rabobank vrij stond om ter voorbereiding op de veiling een taxatie uit te laten voeren in eigen opdracht, ondanks het feit dat [eisers] al beschikte over een aantal taxatierapporten. Niet alle taxaties waren immers recent uitgevoerd, terwijl de hoedanigheid van de opdrachtgever en het doel van de taxatie invloed kan hebben op het resultaat van de taxatie. Nu [eisers] niet heeft betwist dat hij niet wenste mee te werken aan een nieuwe taxatie, kan aan Rabobank niet het verwijt worden gemaakt dat zij een zichttaxatie heeft laten uitvoeren. Bovendien was al veel informatie over de woning beschikbaar omdat de woning al enige tijd in de verkoop stond. Dat Rabobank vervolgens op de veiling heeft ingezet met een bedrag van Euro 750.000,00, al dan niet in overleg met Bodemgoed B.V., acht de rechtbank niet in strijd met de zorgplicht van Rabobank. Het risico bestond immers dat bij een hogere inzet geen enkele koper bereid zou zijn de woning af te nemen, hetgeen meer executiekosten met zich mee zou brengen.

3.14. De rechtbank stelt voorop dat de communicatie tussen partijen op de dag van de veiling als gevolg van irritatie over en weer niet vlekkeloos is verlopen. De keuze van Rabobank om de veiling niet op te schorten ondanks de mededeling van [eisers] dat een onderhands bod werd gedaan van Euro 900.000,00 acht de rechtbank echter niet onzorgvuldig jegens [eisers]. Mede gelet op het feit dat noch op noch na de veiling de betreffende derde is overgegaan tot aankoop van de woning voor genoemd bedrag, heeft Rabobank terecht vooraf duidelijkheid willen verkrijgen of deze derde voldoende zekerheid bood ten aanzien van de wil en mogelijkheid om af te nemen, terwijl de tijd hiervoor ontbrak.

3.15. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ook voornoemde omstandigheden in samenhang bezien niet tot de conclusie kunnen leiden dat Rabobank haar zorgplicht in de executiefase jegens [eisers] heeft geschonden.

3.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat Rabobank niet jegens [eisers] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplichten en ook niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. De vordering van [eisers] zal dan ook worden afgewezen.

3.17. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:

- griffierecht Euro 560,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal Euro 1.328,00

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op Euro 1.328,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vincent, mr. Meyboom en mr. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.