Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BT1903

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-06-2011
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
09/1412
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dit is één van de 4 zaken (nrs. AWB 09/1412 t/m 09/1415).

Motorrijtuigenbelasting: ambulancevrijstelling.

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen MRB opgelegd voor haar ambulance omdat de ambulancevergunning niet voldeed aan de vereisten voor een vrijstelling. Gedeputeerde Staten heeft vervolgens de ambulancevergunning met terugwerkende kracht aangepast. De rechtbank oordeelt dat het niet aan de inspecteur (of de belastingrechter) is om te toetsen of terecht een vergunning door de GS is verleend. De inspecteur dient zich aan te sluiten bij de door GS met terugwerkende kracht verleende vergunning. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1954
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1412

Uitspraakdatum: 27 juni 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., statutair gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, kantoor Apeldoorn,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 17 april 2008 verzocht om vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor een motorrijtuig met kenteken [kenteken] (hierna: de ambulance-auto). De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende bij beschikking van 17 juni 2008 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft belanghebbende bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2009 de beschikking gehandhaafd.

1.2.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 1 april 2009, ontvangen bij de rechtbank op 2 april 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.3.De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.De gemachtigde van belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011 te Breda. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers 09/1412 t/m 09/1415. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [advocatenkantoor] B.V. te Bergen op Zoom, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.6.De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.7.Bij brief met dagtekening 31 mei 2011 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken om mondelinge uitspraak te doen en dat de rechtbank schriftelijk uitspraak zal doen op 27 juni 2011.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende houdt zich bezig met ambulancevervoer, meer in het bijzonder met repatriëring van patiënten vanuit het buitenland. Zij heeft in dat verband de beschikking over een aantal ambulance-auto’s, waaronder de ambulance-auto.

2.2.Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: GS) hebben aan belanghebbende op 4 maart 2008 een op 15 maart 2008 ingaande vergunning verleend tot het verrichten van ambulancevervoer. In de vergunning is onder II, punt 1, de volgende beperking opgenomen:

‘Er mag geen ambulancevervoer worden verricht anders dan met een opdracht van alarmcentrales, verzekeringsmaatschappijen of individuele opdrachten voor repatriëring van patiënten vanuit het buitenland.’

Voorts mag belanghebbende voor het verrichten van ambulancevervoer slechts gebruik maken van de ambulance-auto’s die worden genoemd in de bij de vergunning behorende aanhangsels. In één van de aanhangsels wordt de onderhavige ambulance-auto genoemd.

2.3.GS hebben met dagtekening 4 mei 2011 een zogenoemde ‘wijziging vergunning’ afgegeven. Daarin staat onder meer de volgende bepaling:

‘B. De aan [belanghebbende] op 4 maart 2008 verleende vergunning welke sedert 20 oktober 2009 op naam is gesteld van [onderneming X] BV, aldus te wijzigen dat voor het bepaalde onder II, punt 1, wordt gelezen: Er mag geen ambulancevervoer worden verricht anders dan met een opdracht van de Meldkamer ambulancezorg voor Midden- en West Brabant, welke gevestigd is in de gemeente Tilburg.

(…)

D. (…) te bepalen dat de wijziging ten aanzien van punt B ingaat met terugwerkende kracht op 4 maart 2008 voor [belanghebbende].’

2.4.Aan belanghebbende is met ingang van 4 mei 2011 vrijstelling verleend voor de ambulance-auto.

3.Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende, zo nodig met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, recht heeft op vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor de onderhavige ambulance-auto, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

3.2.Tussen partijen is niet in geschil:

-dat de onderhavige ambulance-auto is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en als zodanig uiterlijk herkenbaar is;

-dat de ambulance-auto voldoet aan de bepalingen gesteld in het Eisenbesluit ambulancevervoer;

-dat belanghebbende tot 4 mei 2011 (datum wijziging vergunning) niet reed in opdracht van een centrale post als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Ambulancevervoer.

3.3.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd. Belanghebbende stelt dat (a) zij ook zonder de wijziging van de vergunning van

4 mei 2011 recht had op toepassing van de vrijstelling en (b) dat de wijziging van de vergunning met terugwerkende kracht tot 4 maart 2008 tot gevolg heeft dat de vrijstelling van toepassing is vanaf 4 maart 2008.

3.4.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor de onderhavige ambulance-auto. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Wettelijk kader

4.1.Artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994) luidt:

‘1. Vrijstelling van belasting wordt op verzoek verleend voor:

a. motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn;’

4.2.Artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit MRB) luidt:

‘Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:

a. zij voldoen aan de bepalingen gesteld in het Eisenbesluit ambulancevervoer; en

b. een vergunning is verleend op de voet van artikel 2 van de Wet ambulancevervoer, dan wel het motorrijtuig behoort tot de in artikel 17a van die wet bedoelde categorieën van ambulancevervoer.’

4.3.Artikel 2, eerste lid, van de Wet ambulancevervoer luidt:

‘1. Het is verboden ambulancevervoer te verrichten:

a. zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie waar de centrale post is gelegen voor het gebied waarop de aanvrage betrekking heeft;

b. zonder opdracht, in het gegeven geval verstrekt door degene die belast is met de leiding van de in de vergunning aangewezen centrale post.’

4.4.Artikel 17a van de Wet ambulancevervoer luidt:

‘Onze Minister kan bepalen dat het bij of krachtens de voorgaande artikelen bepaalde niet geldt met betrekking tot in zijn besluit aangewezen ambulancevervoer of categorieën van ambulancevervoer.’

4.5.Artikel 1 van de Regeling Uitsluiting toepassing van bepalingen van de Wet ambulancevervoer ten aanzien van categorieën van ambulancevervoer luidt:

‘1. Het bij en krachtens de artikelen 2 tot en met 17 van de Wet ambulancevervoer bepaalde geldt niet voor:

a. ambulancevervoer met ambulance-auto's van het Nederlandse Rode Kruis (…);

b. ambulancevervoer met ambulance-auto's van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;

c. ambulancevervoer met ambulance-auto's die niet in Nederland zijn geregistreerd en grensoverschrijdend ambulancevervoer verrichten;

d. ambulancevervoer van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard.

2. Het bij en krachtens artikel 2 en de artikelen 4 tot en met 17 van de Wet ambulancevervoer bepaalde geldt niet voor ambulancevervoer met bedrijfsambulance-auto's, voor zover dit betreft

a. ambulancevervoer op het bedrijfsterrein;

b. ambulancevervoer van het bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de vervoerde patiënt.

5.Beoordeling van het geschil

5.1.De rechtbank zal allereerst de stelling van belanghebbende behandelen dat de wijziging van de vergunning met terugwerkende kracht doorwerkt naar de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.

5.2.De Wet MRB 1994 (art. 71, lid 1, aanhef en onderdeel a) koppelt de vrijstelling aan de inrichting en het feitelijk gebruik dat van de ambulanceauto wordt gemaakt. Niet in geschil is dat de ambulanceauto aan de in de Wet MRB 1994 vermelde vereisten voldoet.

5.3.Het Uitvoeringsbesluit MRB (artikel 8) stelt nadere voorwaarden en koppelt de vrijstelling aan de bepalingen van het Eisenbesluit ambulancevervoer en de vergunning van GS die staat in artikel 2 van de Wet ambulancevervoer. Vaststaat (i) dat de ambulanceauto voldoet aan de vereisten van het Eisenbesluit ambulancevervoer en (ii) dat belanghebbende inmiddels beschikt over een vergunning van GS als bedoeld in artikel 2 van de Wet ambulancevervoer die terugwerkt tot 4 maart 2008. De wijze waarop GS het vergunningenbeleid vormgeven, staat niet ter beoordeling van de belastinginspecteur of de belastingrechter, zelfs niet indien dat beleid contra legem zou zijn. Indien GS een vergunning hebben verleend, is het niet aan de inspecteur (of de belastingrechter) om te toetsen of dat terecht is gebeurd.

5.4.Gezien de zeer beperkte toetsingsbevoegdheid van de inspecteur, dient deze zich bij het toepassen van de vrijstelling naar het oordeel van de rechtbank aan te sluiten bij de door GS verleende vergunning. Nu GS de vergunning hebben verleend met terugwerkende kracht tot 4 maart 2008 dient de inspecteur dat dan ook te volgen. Het gelijk is aan belanghebbende.

5.5.Nu belanghebbende reeds op deze grond in het gelijk wordt gesteld, behoeven de overige stellingen geen behandeling meer.

5.6.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

6.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van samenhang van de zaken met de kenmerken 09/1412, 09/1413, 09/1414 en 09/1415. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1, met toepassing van de factor 1,5 wegens meer dan drie samenhangende zaken). De rechtbank zal in elk van de samenhangende zaken een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 966 : 4 =) € 241,50.

7.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de beschikking op belanghebbendes verzoek om vrijstelling van motorrijtuigenbelasting;

-gelast dat de inspecteur de door belanghebbende gevraagde vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor de ambulance met kenteken [kenteken] alsnog verleent;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 241,50;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter,

mr.dr. M.J.G.A.M. Weerepas en mr. K.G. Scholten, rechters, en door de voorzitter en

mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 juli 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.