Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
996007-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

bezwaarschrift onthouding stukken (beleggingsfraude)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 996007-11

Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 32 van het wetboek van

strafvordering van:

[verdachte],

wonende te [adres]

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- het bezwaarschrift;

- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de

officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.

Verdachte is behoorlijk opgeroepen, doch niet bij de behandeling van het

bezwaarschrift verschenen.

2. De beoordeling.

Tegen verdachte, (voormalig) bestuurder van ParTrust Beheer BV, loopt sinds 2

juni 2010 een strafrechtelijk onderzoek op grond van de verdenking - kort

gezegd - dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige

beleggingsfraude.

Bij beslissing van 31 mei 2011 heeft de rechtbank het bezwaarschrift van

verdachte tegen de beslissing van de officier van justitie om processtukken

te onthouden ongegrond verklaard, omdat - kort gezegd - nog geen sprake was

van een "criminal charge" zodat verdachte geen aanspraak kon maken op afgifte

van processtukken (zie LJN: BQ6453).

De officier van justitie heeft bij brief van 27 juli 2011 en 18 augustus 2011

een aantal processtukken aan de raadsman van verdacht toegezonden.

Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de raadsman aan de officier van justitie

verzocht de tijdens de behandeling van eerdergenoemd bezwaarschrift gedane

toezegging "dat alle stukken binnen 2 maanden verstrekt zullen worden" na te

komen en de in zijn brief genoemde stukken af te geven.

De officier van justitie heeft in reactie hierop bij brief van 3 augustus

2011 meegedeeld dat de door de raadsman genoemde stukken vooralsnog in het

belang van het strafrechtelijk onderzoek worden onthouden.

Ter terechtzitting heeft de raadsman herhaald dat de officier van justitie

alle relevante stukken zoals toegezegd moet afgeven waaronder de stukken van

de tripartite-overleggen (TPO's) en de rechtshulpverzoeken.

De officier van justitie heeft betwist dat door haar tijdens de behandeling

van het eerste bezwaarschrift de door de raadsman genoemde toezegging is

gedaan en heeft meegedeeld dat uiterlijk 14 september 2011 "de dan voorhanden

zijnde processtukken aan de verdediging overgelegd zullen worden, die naar

redelijke verwachting deel gaan uitmaken van het nog op te stellen

eind-proces-verbaal". Daarbij stelt de officier van justitie zich op het

standpunt dat hieronder niet vallen de stukken van het TPO's, omdat deze niet

als processtuk kunnen worden aangemerkt, en de rechtshulpverzoeken omdat het

onderzoeksbelang zich hiertegen verzet.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet langer en in geschil - en ook voor de rechtbank staat

vast - dat thans sprake is van een "criminal charge", nu verdachte inmiddels

aangehouden en in verzekering gesteld is geweest.

Op grond van het eerste lid van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering

staat het openbaar ministerie tijdens het voorbereidend onderzoek de

verdachte op diens verzoek toe dat hij kennis neemt van de processtukken. Het

tweede lid van datzelfde artikel biedt het openbaar ministerie de

mogelijkheid de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken te

onthouden, indien het belang van het onderzoek dit vordert. In dat geval

dient de verdachte schriftelijk medegedeeld te worden dat de hem ter inzage

gegeven stukken niet volledig zijn.

De rechtbank stelt voorop dat een beslissing tot het onthouden van

processtukken slechts met terughoudendheid kan worden genomen vanwege de

ingrijpende aantasting van de rechten van de verdediging. Een behoorlijke

procesgang brengt immers met zich mee dat een verdachte kennis moet kunnen

nemen van de processtukken om zijn verdediging daarop te kunnen baseren.

Processtukken zijn die stukken die door de opsporende en vervolgende

instanties aan het dossier worden toegevoegd. Daarnaast zijn processtukken

alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beantwoording

van één van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van

Strafvordering.

Met betrekking tot de stukken van de TPO's is de rechtbank is van oordeel dat

de verzochte stukken in beginsel niet behoren tot de processtukken, tenzij er

zwaarwegende redenen zijn op grond waarvan van die algemene regel moet worden

afgeweken. Van dergelijke zwaarwegende redenen is vooralsnog onvoldoende

gebleken.

De rechtbank is met betrekking tot de overige processtukken - waaronder de

rechtshulpverzoeken - van oordeel dat het openbaar ministerie geen concrete

feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit zou kunnen blijken dat

ernstig te vrezen valt dat de verdachte, na kennisneming van de inhoud van de

onthouden processtukken, de waarheidsvinding ernstig zou kunnen belemmeren.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet voldoende

aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van het onderzoek onthouding van de

kennisneming van processtukken vordert en dat het bezwaarschrift daarom

gegrond dient te worden verklaard.

Op grond van het vorenstaande kan de vraag of door de officier van justitie

tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift bindende toezeggingen

zijn gedaan over het verstrekken van stukken, onbesproken blijven.

3. De beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond.

Deze beslissing is gegeven op 8 september 2011 door mr Van Kralingen,

voorzitter, en mrs Pick en Dekker, rechters in tegenwoordigheid van Jacet,

griffier.