Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR6027

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
10/404
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dit is één van de 3 zaken (nrs. AWB 10/404 t/m 10/406).

Naar het oordeel van de rechtbank kan noch uit de gedingstukken noch uit hetgeen ter zitting door partijen is gesteld, worden afgeleid dat belanghebbende voordat uitspraak op bezwaar is gedaan definitief afstand heeft gedaan van het recht te worden gehoord. Nu ter zitting namens belanghebbende uitdrukkelijk is verzocht om alsnog te worden gehoord, ziet de rechtbank reden de inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2153
V-N 2011/43.19.8
FutD 2011-2077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/404

Uitspraakdatum: 6 juli 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] S.A., gevestigd te [woonplaats] (Luxemburg),

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 20 januari 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2005 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 1.531.350 en de daarbij bij beschikkingen vastgestelde verzuimboete van € 113 en heffingsrente van € 34.331 (aanslagnummer: [nummer]V.56.0112).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2011 te Breda. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken, die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers 10/404 tot en met 10/406. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], advocaat verbonden aan [advocatenkantoor] B.V. te Breda, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-draagt de inspecteur op om, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 291,34;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is een op [datum] 2004 naar Luxemburgs recht opgerichte vennootschap en is statutair gevestigd op het adres [adres] (Luxemburg).

2.2.Met dagtekening 28 februari 2007 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar zijn de aanslag en de bij beschikkingen vastgestelde bedragen van de boete en de heffingsrente gehandhaafd.

2.3.In het bezwaarschrift van 9 maart 2007 is het volgende verzoek gedaan:

“8.0.Inzage en hoorzitting

8.1.Indien en voor zover u mocht besluiten (deels) niet aan de bezwaren van cliënte tegemoet te komen, verzoek ik u te worden gehoord. Voorafgaand aan de hoorzitting word ik graag door u in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van alle aan de aanslag en boete ten grondslag liggende stukken (artikel 7:4 Awb).”

2.4.In de uitspraken op bezwaar is omtrent het voormelde verzoek het volgende overwogen.

“(…) heeft u verzocht om inzage van op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze inzage vond plaats op 5 januari 2010. Bij die gelegenheid heb ik u kopieën verstrekt van gevoerde correspondentie. Daarnaast heeft u het dossier doorgenomen en de stukken aangeduid waarvan u een kopie wenste. Deze zijn u toegezonden. Bij die gelegenheid heb ik u ook gevraagd of u een hoorgesprek wenste. U gaf te kennen daarin geen toegevoegde waarde te zien, waarvan akte.”

Het geschrift waarin de uitspraken zijn vervat, is namens de inspecteur ondertekend door [gemachtigde]. Tussen partijen heeft omtrent het houden van een hoorgesprek of het afzien daarvan na de inzage geen correspondentie plaatsgevonden.

2.5.Naar het oordeel van de rechtbank kan noch uit de gedingstukken noch uit hetgeen ter zitting door partijen is gesteld, worden afgeleid dat belanghebbende voordat uitspraak op bezwaar is gedaan definitief afstand heeft gedaan van het recht te worden gehoord. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur de gronden naar aanleiding waarvan de onderhavige aanslag is opgelegd, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd had. Deze stelling had belanghebbende in diverse brieven aan de inspecteur geformuleerd. Ter zitting is door de advocaat onweersproken gesteld dat hem tijdens de inzage op 5 januari 2010 opviel dat geen controlerapport aanwezig was en dat hij in verband daarmee aan de inspecteur heeft gevraagd of een controlerapport was opgemaakt. De inspecteur antwoordde daarop, aldus de advocaat, dat hij dat toen niet wist en dat toen is afgesproken dat de inspecteur dat zou nagaan en dat hij, ingeval een controlerapport niet zou zijn opgemaakt, een schriftelijke uiteenzetting zou geven van de gronden naar aanleiding waarvan de aanslag is opgelegd. Volgens de advocaat achtte belanghebbende uitsluitend in afwachting daarvan een hoorzitting niet opportuun. De rechtbank acht deze verklaring geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van het afzien van horen in de zin van artikel 7:3, onder c, van de Awb. Gelet hierop en het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb is belanghebbende ten onrechte niet gehoord.

2.6.Nu met betrekking tot de onderhavige aanslag tussen partijen nog steeds verschil van mening bestaat over de feiten, kan het horen van belanghebbende in de bezwaarfase nuttig zijn. Ter zitting is namens belanghebbende uitdrukkelijk verzocht om alsnog te worden gehoord. De rechtbank ziet hierin reden de inspecteur op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

2.7.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.8.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Met betrekking tot de zaken 10/404 tot en met 10/406 gaat de rechtbank uit van drie samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. In verband daarmee zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekennen van een derde. In de zaken 10/405 en 10/406 zal de rechtbank een proceskostenvergoeding toekennen van € 291,33 en in zaak 10/404 een proceskostenvergoeding van € 291,34. Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn gesteld noch gebleken. Op het proceskostenverzoek van belanghebbende in bezwaar dient de inspecteur bij zijn uitspraken op bezwaar opnieuw te beslissen.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en

mr. R.W. Otto, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 18 juli 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.