Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5922

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
11/975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vernietigt het besluit waarin het recht op inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) is ingetrokken en de te veel verstrekte uitkering is teruggevorderd wegens het niet willen meewerken aan een huisbezoek. Er bestaat in dit geval geen redelijke grond voor het huisbezoek, nu er geen gerede twijfel bestond ten aanzien van de woonsituatie van eiser en verweerder ten aanzien van de financiële situatie een minder belastende wijze van verificatie ter beschikking stond. Daarnaast kan intrekking van de inkomensvoorziening wegens schending van de medewerkingsplicht niet op artikel 40, derde lid, van de WIJ worden gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 975 WIJ

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te Tilburg, eiser,

gemachtigde mr. I.A.C. Cools,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 januari 2011, verzonden op 17 januari 2011, (bestreden besluit), inzake de intrekking en terugvordering van een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ).

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 juni 2011, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [woordvoerder verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft van 12 maart 2009 tot en met 30 juni 2010 een uitkering ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Sinds 1 juli 2010 ontvangt hij een inkomensvoorziening op grond van de WIJ.

Verweerder heeft een onderzoek naar de situatie van eiser ingesteld. In het kader van dit onderzoek zijn in de periode van 1 september 2010 tot en met 27 oktober 2010 een vijftal heimelijke waarnemingen verricht. Tijdens deze waarnemingen is de auto van eiser nooit voor of in de buurt van de woning van eiser aangetroffen.

Op 28 oktober 2010 heeft een spreekkamergesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder. Naar aanleiding van de resultaten van dit gesprek en voornoemd onderzoek heeft verweerder eiser gevraagd mee te werken aan een huisbezoek. Eiser heeft dit geweigerd.

Bij besluit van 7 december 2010 (primaire besluit) heeft verweerder het recht op inkomensvoorziening van eiser per 28 oktober 2010 ingetrokken. Tevens heeft verweerder bepaald dat eiser de te veel verstrekte uitkering over de periode van 28 oktober 2010 tot en met 31 oktober 2010 dient terug te betalen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 december 2010 bezwaar gemaakt.

Op 30 december 2010 is eiser gehoord over zijn bezwaren. Hierbij heeft hij zijn bezwaren aangevuld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat hij vanaf het begin alle informatie heeft gegeven zoals verzocht. Eiser kon direct na het spreekkamergesprek geen medewerking verlenen aan een huisbezoek, omdat hij moest werken. Hij heeft verweerder verzocht een andere datum te bepalen voor het huisbezoek.

2.3 Artikel 24, eerste lid, van de WIJ luidt als volgt:

De jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, heeft recht op een inkomensvoorziening indien:

a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en

b. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WIJ stelt het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.

Artikel 40, derde lid, van de WIJ luidt:

Het college kan een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken, indien:

a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of

b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 41, eerste lid, van de WIJ is – voor zover thans van belang – bepaald dat indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet SUWI voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening verlaagt.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ bestaat geen recht op de inkomensvoorziening indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WIJ – voor zover thans van belang – doet de jongere aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod of zijn recht op inkomensvoorziening.

In artikel 44, tweede lid, van de WIJ is bepaald dat de jongere verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ kan het college de kosten van de inkomensvoorziening terugvorderen, voor zover die inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

In artikel 30c, tweede lid, van de Wet SUWI is bepaald dat de belanghebbende aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op verzoek alle gevraagde gegevens en bewijsstukken verstrekt die nodig zijn voor de beslissing op zijn aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, deelt de belanghebbende op verzoek van het UWV of onverwijld uit eigen beweging in verband met de toepassing van dit artikel alle feiten en omstandigheden mee, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand of het recht op een uitkering, het geldend maken van het recht op bijstand of het recht op een uitkering, of de hoogte of de duur van de bijstand of de uitkering.

2.4.1 Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verweerder op juiste gronden eisers recht op inkomensvoorziening heeft ingetrokken en de teveel verstrekte uitkering heeft teruggevorderd.

De rechtbank stelt vast dat bij het primaire besluit het recht op inkomensvoorziening van eiser is ingetrokken met ingang van 28 oktober 2010. Aangezien verweerder de intrekking van de inkomensvoorziening niet heeft beperkt tot een bepaalde periode, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter naar vaste rechtspraak de periode tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier de periode van 28 oktober 2010 tot en met 7 december 2010 beoordeeld dient te worden.

2.4.2 Verweerder heeft aan de intrekking van het recht op inkomensvoorziening ten grondslag gelegd dat eiser onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en niet heeft willen meewerken aan een huisbezoek. Daardoor kan het recht op inkomensvoorziening niet worden vastgesteld, aldus verweerder.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd (zie onder meer de uitspraken van 19 april 2011 (LJN: BQ3291) en 31 mei 2011 (LJN: BQ7881)).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij er in redelijkheid aan mocht twijfelen dat eiser op het door hem opgegeven adres woonde. De auto van eiser is bij de observaties niet in de buurt van de woning van eiser aangetroffen. Daarnaast was er voldoende reden om te twijfelen aan de financiële situatie zoals die door eiser werd voorgespiegeld. Eiser heeft sinds 1 juni 2010 een auto van het merk Mercedes type c180 uit het jaar 1997 op zijn naam staan, terwijl hij parttime werkt en op de laatste inkomensverklaring nagenoeg geen inkomsten meer heeft opgegeven. Tevens heeft eiser geen aankoopnota van zijn auto kunnen overleggen en komen zijn verklaringen met betrekking tot de aankoop van deze auto niet overeen met de gegevens van de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW). Eiser heeft niet verteld waar het geld dat blijkens bankafschriften op zijn rekening is gestort vandaan komt en er blijft volgens de pintransacties en betalingen voor eiser slechts € 20,48 per maand over om van te leven en kleding, verzorgingsspullen en brandstof van te kopen, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt dat eiser een huurcontract en huurbetalingsbewijzen heeft overgelegd. Gelet hierop is de enkele omstandigheid dat eisers auto niet is aangetroffen in de buurt van zijn woning naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van gerede twijfel over de woonsituatie van eiser.

Ten aanzien van de financiële situatie van eiser overweegt de rechtbank dat er, gelet op de door eiser niet betwiste feiten met betrekking tot de auto en het pingedrag, bij verweerder twijfel kon bestaan over de vraag of de door eiser voorgespiegelde financiële situatie juist is. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder minder vergaande middelen ter beschikking stonden om de juistheid van de stellingen van eiser te verifiëren. Zo had verweerder eiser in de gelegenheid kunnen stellen om nadere financiële stukken te overleggen.

Nu er geen gerede twijfel bestond ten aanzien van de woonsituatie en verweerder ten aanzien van de financiële situatie een minder belastende wijze van verificatie ter beschikking stond, kan niet gezegd worden dat verweerder een redelijke grond voor het huisbezoek had.

Aangezien, zoals hiervoor overwogen, voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond bestond, kan aan het niet meewerken aan dat huisbezoek niet het gevolg worden verbonden van intrekking van de inkomensvoorziening met ingang van 28 oktober 2010 en terugvordering van de te veel verstrekte uitkering over de periode van 28 oktober 2010 tot en met 31 oktober 2010. Het bestreden besluit mist dus een deugdelijke grondslag en komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

2.4.3 De rechtbank is ook overigens van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en overweegt daartoe het volgende.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat abusievelijk artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag is gelegd en dat dit eigenlijk artikel 40, derde lid, aanhef en onder a, van de WIJ had moeten zijn. Tevens heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat het correcter was geweest om eerst het werkleeraanbod van eiser in te trekken en als gevolg daarvan de inkomensvoorziening in te trekken.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ geen grond voor intrekking van de inkomensvoorziening wegens schending van de medewerkingsplicht kan vormen. Deze bepaling is volgens de memorie van toelichting immers bedoeld voor situaties waarin door een fout van verweerder ten onrechte of teveel aan inkomensvoorziening is verleend (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46).

Ten aanzien van artikel 40, derde lid, aanhef en onder a, van de WIJ overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 40, derde lid, aanhef en onder a, van de WIJ is vergelijkbaar met artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, maar verschilt daarvan op het volgende punt. Waar in voornoemd artikellid van de WWB wordt verwezen naar zowel artikel 17, eerste lid, van de WWB als artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet SUWI, ontbreekt in voornoemd artikellid van de WIJ een verwijzing naar artikel 44 van de WIJ.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Intrekking van de inkomensvoorziening is in de WIJ allereerst via intrekking van het werkleeraanbod geregeld. Indien een jongere niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 44 en 45 van de WIJ en hem dit te verwijten valt, kan verweerder, ingevolge artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ, het recht op een werkleeraanbod intrekken of herzien. Het recht op een inkomensvoorziening wordt ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WIJ ambtshalve gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod vastgesteld. Er bestaat op grond van artikel 42, aanhef en onder f, van de WIJ geen recht op een inkomensvoorziening indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken. Hierdoor heeft intrekking of herziening van het werkleeraanbod tevens gevolgen voor de inkomensvoorziening. Daarnaast kan – bij wijze van maatregel – op grond van artikel 41 van de WIJ het bedrag van de inkomensvoorziening worden verlaagd (zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 260, nr. 7, p. 7).

De rechtbank concludeert dan ook dat intrekking van de inkomensvoorziening wegens schending van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WIJ, niet op artikel 40, derde lid, aanhef en onder a, van de WIJ kan worden gebaseerd.

2.5 Gelet op het bovenstaande zal het beroep gegrond verklaard worden. Aangezien het in onderdeel 2.4.2 genoemde gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, eveneens aan het primaire besluit kleeft, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vast¬gesteld op € 1.748,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarprocedure, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting en per punt € 437,-).

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit van 7 december 2010;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.748,-.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. M. Breeman en I.M. Josten, rechters, en door de voorzitter. De griffier, mr. P. Oudkerk, is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 15 augustus 2011