Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5806

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
10/3876
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Recht van schenking voor het jaar 2001. Belanghebbende koopt in 2001 van haar ouders een deel van een perceel met agrarische bestemming. Haar bedoeling is daarop een woning met aanleunwoning te bouwen. In 2001 gaat de gemeente akkoord met de bestemmingswijziging en geeft zij aan dat voorwaarde voor nieuwbouw zal zijn de sloop van de woning van de ouders die op het andere deel van het perceel staat. Bij het verlenen van de bouwvergunning in 2003 wordt aan de vervulling van de voorwaarde geen termijn verbonden. De nieuwbouw wordt gerealiseerd. Belanghebbendes moeder weigert de aanleunwoning te betrekken. De sloop van de bestaande woning blijft uit. Nu niet is gesteld of gebleken dat moeder in 2001 had ingestemd of zich had verplicht tot sloop van haar woning oordeelt de rechtbank dat moeder in dat jaar voor niet meer is verarmd dan het verschil tussen de waarde op basis van agrarische grond en de koopsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/57.24 met annotatie van Redactie
FutD 2011-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3876

Uitspraakdatum: 22 juli 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag recht van schenking opgelegd (aanslagnummer [nummer]; hierna: de aanslag). Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2010 de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 26 april 2010 beroep ingesteld.

1.3.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.4.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar echtgenoot [echtgenoot], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Bij overeenkomst van 31 december 2001 heeft belanghebbende van haar moeder, [moeder], een gedeelte gekocht van het perceel dat kadastraal bekend staat als [het gekochte gedeelte], alsmede twee op dit perceel gelegen schuren en erfverhardingen (hierna: het gekochte gedeelte). De koopsom van het gekochte gedeelte bedroeg € 11.550. Op dat moment stond op het niet-gekochte gedeelte van het perceel de

woning van belanghebbendes ouders (hierna: de bestaande woning). Het perceel had een agrarische bestemming.

2.2.Het gekochte gedeelte is verpacht aan de zus van belanghebbende en diens echtgenoot. Ten behoeve van de levering van het gekochte gedeelte aan belanghebbende, hebben de zus en haar echtgenoot afstand gedaan van hun voorkeursrecht tot koop.

2.3.1.Voorafgaand aan voornoemde koopovereenkomst heeft belanghebbende op 23 augustus 2001 een verzoek ingediend bij de gemeente [X] om de bestemming van het perceel te wijzigen van agrarische bestemming naar burgerbewoning. Uit het verzoek blijkt dat belanghebbende het voornemen heeft zich op het gekochte gedeelte van het perceel te vestigen en aldaar een nieuwe woning met aanleunwoning wil bouwen. Ter zitting heeft belanghebbendes echtgenoot het bestaan van dit voornemen bevestigd en verder verklaard dat het de bedoeling was dat de ouders van belanghebbende zich daarbij in die aanleunwoning zouden vestigen, zodat zij op het perceel konden blijven wonen.

2.3.2.De gemeente heeft belanghebbende bij brief van 27 september 2001 laten weten onder bepaalde voorwaarden in te stemmen met het verzoek. Voorwaarde was onder meer dat op het perceel alleen een nieuwe woning zou mogen worden gebouwd indien de bestaande woning zou worden gesloopt. Op 18 december 2001 heeft de gemeente de bestemming conform het verzoek gewijzigd.

2.4.De waarde van het gekochte gedeelte is op 28 december 2001 door [taxateur] getaxeerd op € 60.100. Uit het betreffende taxatierapport blijkt dat bij de waardering rekening is gehouden met de verpachte staat.

2.5.De akte van levering is op 22 maart 2002 gepasseerd. In de akte is vermeld dat belanghebbende het gekochte gedeelte zal gebruiken als bouwgrond.

2.6.Naar aanleiding van de door belanghebbende gedane aangifte schenkingsrecht heeft de inspecteur het gekochte gedeelte laten taxeren naar de waarde in het economische verkeer op 22 maart 2002. De waarde is door de betreffende taxateur bepaald op € 135.000. Uit het taxatierapport blijkt dat daarbij rekening is gehouden met de verpachte staat. Verder is bij het bepalen van de waarde rekening gehouden met de gewijzigde bestemming en de verwachting dat op het gekochte gedeelte nieuwbouw kon worden gerealiseerd. In de toelichting bij het taxatierapport is verder vermeld dat in de taxatie rekening is gehouden met “de te maken (sloop)kosten en een schadeloosstelling voor de pachtster”.

2.7.Op 29 oktober 2003 heeft de gemeente de vergunning verleend voor de bouw van een woning. De gemeente heeft daarbij als voorwaarde gesteld dat de bestaande woning zou worden gesloopt maar de vervulling van deze voorwaarde niet aan een termijn gebonden.

2.8.Belanghebbende en haar echtgenoot hebben inmiddels op het gekochte gedeelte een (nieuwe) woning met aanleunwoning laten bouwen. De vader van belanghebbende is op enig moment na de overdracht van het gekochte gedeelte overleden. Tengevolge van bepalingen in het testament van vader zijn de familieverhoudingen dusdanig verstoord dat de moeder van belanghebbende de aanleunwoning niet heeft betrokken. Zij is in de bestaande woning blijven wonen.

2.9.De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag schenkingsrecht opgelegd naar een waarde van het gekochte gedeelte van € 125.000. Naar (uiteindelijk) deze waarde is 6% overdrachtsbelasting voldaan. Bij het bepalen van de hoogte van het schenkingsrecht is verder rekening gehouden met de koopsom voor het gekochte gedeelte van € 11.550, een vrijstelling schenkingsrecht van € 3.878 en een verrekening van 6% overdrachtsbelasting over de belaste verkrijging (€ 125.000 -/- € 11.550 -/- € 3.878). De inspecteur die bevoegd is voor de overdrachtsbelasting heeft belanghebbende toegezegd dat hij de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting zal verminderen indien de onderhavige procedure tot een vermindering van de waarde van het gekochte gedeelte leidt.

3.Geschil

Tussen partijen is in geschil de hoogte van de schenking

3.1.Belanghebbende stelt dat de schenking niet hoger is dan het verschil tussen een

waarde van het gekochte gedeelte van € 60.100 en de onder 2.1 vermelde koopprijs en wijst voor de waarde van het gekochte gedeelte naar de onder 2.4 genoemde taxatie. Zij wijst in dat verband tevens op de WOZ-waarde die door de gemeente op (uiteindelijk) € 55.000 is vastgesteld per de waardepeildatum 1 januari 1999.

3.2.De inspecteur stelt dat voor de hoogte van de schenking moet worden uitgegaan van de onder 2.6 genoemde taxatie en verdedigt voor het gekochte gedeelte de waarde waarnaar de aanslag is vastgesteld. Daarbij is het gekochte gedeelte deels gewaardeerd als bouwgrond en voor het overige als tuin- en landbouwgrond onder aftrek van sloopkosten van de bestaande woning en de kosten voor afkoop van de pacht.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een schenking van € 48.600. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Er is sprake van een schenking indien aan de volgende eisen wordt voldaan: een verarming van de schenker, een verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling.

Gelet op de vermelde feiten en de standpunten van partijen staat vast dat de schenker, in dit geval de moeder van belanghebbende, is verarmd. De rechtbank zal nagaan tot welk bedrag er sprake is geweest van een verarming.

4.2.Vaststaat dat de gemeente van meet af aan heeft gesteld dat het gekochte gedeelte alleen voor bebouwing kon worden gebruikt, als de woning van de moeder zou worden gesloopt. De rechtbank acht niet aannemelijk dat bij het sluiten van de onder 2.1 genoemde koopovereenkomst te verwachten was dat de gemeente niet zou vasthouden aan de voorwaarde van sloop van de bestaande woning of dat deze voorwaarde toen reële betekenis miste. De voorwaarde vloeide immers voort uit vigerende regelgeving van de gemeente. Het feit dat belanghebbende desalniettemin uiteindelijk een woning heeft gebouwd zonder dat de woning van de moeder is gesloopt, is blijkbaar – zoals de echtgenoot ter zitting geloofwaardig heeft verklaard – veroorzaakt doordat de gemeente bij het verlenen van de bouwvergunning aan belanghebbende heeft nagelaten om aan de moeder de verplichting tot

sloop op te leggen. Dat de moeder, na realisatie van de nieuwbouw met aanleunwoning, in de bestaande woning is blijven wonen, kon op het moment van verkoop van het gekochte gedeelte niet worden voorzien.

4.3.Niet is gesteld of gebleken dat de moeder zich in het kader van de verkoop van het door belanghebbende gekochte gedeelte c.q. de schenking heeft verplicht tot sloop van haar woning of dat zij daarmee op enigerlei wijze had ingestemd. De moeder heeft derhalve in 2001 niet meer aan belanghebbende verkocht/geschonken dan agrarische grond.

4.4.Uitgaande van agrarische grond acht de rechtbank, gelet op het onder 2.4 genoemde taxatierapport van belanghebbende, aannemelijk dat het gekochte gedeelte een waarde had van € 60.100. Dit is derhalve de waarde van het gekochte gedeelte uitgaande van de blijvende aanwezigheid van de bestaande woning op het andere deel van het perceel. De inspecteur heeft de juistheid van die taxatie ook niet bestreden; hij baseert de hogere waarde uitsluitend op de mogelijkheid tot bebouwing van het verkochte gedeelte.

4.5.Zolang de moeder zich niet verplichtte tot of instemde met sloop van haar woning,

kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de moeder bij de verkoop/schenking voor meer is verarmd dan het verschil tussen € 60.100 en de koopsom van € 11.550. Door niet bij voorbaat in te stemmen met de door de gemeente gestelde voorwaarde heeft de moeder met de overdracht van het gekochte gedeelte aan belanghebbende immers (nog) niet een perceel bouwgrond verkocht, noch een perceel waarop bebouwing mogelijk was.

4.6.Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De aanslag moet worden verminderd tot een naar een belaste verkrijging van

€ 44.672 ( € 60.100 -/- € 11.550 -/- € 3.878). Daarbij dient 6% overdrachtsbelasting over de belaste verkrijging te worden verrekend. De aanslag moet dan als volgt worden berekend:

5%-8% van € 38.781 € 2.520

12% van € 5.891 bij € 706

Totaal aan schenkingsrecht over belaste verkrijging van € 44.672 € 3.226

aftrek overdrachtsbelasting 6% van € 44.672 af € 2681

aanslag recht van schenking € 545

4.7.Belanghebbende heeft in haar beroepschrift ook verzocht om teruggaaf van de bij de verkoop voldane overdrachtsbelasting. Daarover kan de rechtbank in het kader van deze procedure niet oordelen.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van het reizen per openbaar vervoer tweede klasse van [woonplaats] naar Breda ad € 43. Gesteld noch gebleken is dat er overigens kosten zijn gemaakt welke op grond van voornoemd besluit voor vergoeding in aanmerking komen.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een bedrag van € 545;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 43;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door de voorzitter ondertekend. De griffier, drs. J.M.C Hendriks, is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 juli 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.