Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5116

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
02-801311-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt in verband met een brandstichting in zijn cel in de jeugdinrichting Den Hey-Acker, en vervolgens de mishandeling van 3 medewerkers van die inrichting en de bedreiging van hen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar. Daarnaast acht de rechtbank, nu alle eerdere hulpverlening én een jeugdTBS zijn mislukt, ondanks de jonge leeftijd van verdachte een TBS met dwangverpleging noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/801311-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in het P.P.C. te Vught

raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 23 november 2010 in de J.J.I. Den Hey-Acker te Breda brand heeft gesticht (feit 1) een van de beveiligers aldaar ernstig heeft mishandeld, althans dat heeft geprobeerd, danwel deze heeft mishandeld (feit 2), een andere beveiligingsmedewerker heeft geprobeerd ernstig te mishandelen, althans heeft mishandeld (feit 3), een derde beveiligingsmedewerker heeft mishandeld (feit 4) en die drie medewerkers heeft bedreigd (feit 5).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem verweten feiten als volgt heeft begaan. De onder 1 primair verweten brandstichting acht zij wettig en overtuigend bewezen, nu de aangestoken matras daadwerkelijk heeft gebrand en er gevaar voor goederen was, te weten (de inboedel van) de cel en het gebouw van de jeugdinrichting, én gevaar voor personen, te weten de bewoners en het personeel van Den Hey-Acker.

Bij de feiten 2 en 3 is het toegebrachte letsel naar het oordeel van de officier van justitie niet te beschouwen als zwaar lichamelijk letsel, zodat zij slechts de (meer) subsidiaire mishandeling bewezen acht.

Ook de mishandeling van feit 4 en de onder 5 omschreven bedreigingen zijn naar haar mening bewezen.

De officier van justitie baseert zich daarbij voor wat betreft de brandstichting op de aangifte van [betrokkene], de gemaakte foto’s en de verklaringen van [medewerker 1], [medewerker 2] en [medewerker 3] in combinatie met de deels bekennende verklaring van verdachte. De drie mishandelingen en de geuite bedreigingen acht zij bewezen op grond van de reeds genoemde verklaringen van [medewerker 1], [medewerker 2] en [medewerker 3] en de deels bekennende verklaring van verdachte..

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de vermeende brandstichting, nu er helemaal geen brand was ontstaan. Slechts de vernieling van een matras kan hem onder feit 1 verweten worden. De raadsman is het met de officier van justitie eens dat de feiten 2 en 3 slechts een eenvoudige mishandeling betreffen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verweten mishandeling van [medewerker 3] (feit 4) en de geuite bedreigingen zoals onder 5 omschreven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

m.b.t. feit 1:

[betrokkene] heeft als waarnemend hoofd beveiliging bij de Justitiële Jeugdinrichting Den Hey-Acker, [adres], aangifte gedaan dat op 23 november 2010 omstreeks 17.45 uur het brandalarm afging en verdachte in cel 12 zijn matras in brand had gestoken. Hierdoor ontstond gevaar voor hemzelf, voor anderen en voor het gebouw. Verdachte moest naar een andere cel worden overgebracht omdat cel 12 door de brand onbruikbaar was geworden.

De rechtbank heeft op de foto’s waargenomen dat de om de matras zittende hoes en de matras zelf deels zijn verbrand.

[medewerker 2] heeft verklaard dat hij naar aanleiding van een brandalarm naar de opvangcel ging waarin verdachte was geplaatst. Hij zag daar dat groepsleiders een brandende matras uit die opvangcel trokken.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op 23 november 2010 in cel 12 van de J.J.I. Den Hey-Acker een brandende aansteker onder een matras heeft gehouden.

De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte in zijn cel een matras heeft aangestoken, waardoor brand is ontstaan. Door kordaat optreden van medewerkers van Den Hey-Acker is vervolgens de brand gedoofd, maar het betrof naar het oordeel van de rechtbank een voltooide brandstichting, waardoor verdachte niet alleen zichzelf in levensgevaar bracht, maar ook zijn medegedetineerden en het personeel en eventuele gasten van de J.J.I. Den Hey-Acker. Bovendien had deze brandstichting tot ernstige schade aan cel 12 en het hele gebouw van de jeugdinrichting kunnen leiden.

De rechtbank acht daarom de onder 1 primair tenlastegelegde brandstichting wettig en overtuigend bewezen.

m.b.t. feit 2:

[medewerker 1] heeft verklaard dat hij naar de cel liep waar verdachte zat. Verdachte was in verband met de brand al uit zijn cel gehaald en stond aan het einde van de cellengang en moest overgeplaatst worden naar een andere cel. [medewerker 1] vroeg verdachte daaraan mee te werken en meteen daarna “ging het licht uit”. Even later kwam [medewerker 1] weer bij en voelde hij een hevige pijn aan zijn neus, welke hevig bloedde. In het Amphia ziekenhuis werd geconstateerd dat zijn neus gebroken was.

De KNO-arts [naam] heeft verklaard dat patiënt [medewerker 1] een beperkte neusfractuur zonder dislocatie had opgelopen.

m.b.t. de feiten 2 en 3:

[medewerker 2] heeft verklaard dat zijn voornaam [naam] is. [medewerker 2] is naar aanleiding van het brandalarm naar de cel gegaan waarin verdachte zat. Hij wilde met collega’s verdachte overbrengen naar een andere cel en zag toen, dat verdachte zijn collega [medewerker 1] met kracht met gebalde vuist in diens gezicht sloeg.

Direct daarop sprongen twee collega’s en [medewerker 2] op verdachte om hem onder controle te krijgen. [medewerker 2] voelde dat hij door verdachte met zijn hoofd tegen een deurstijl werd geslagen, voelde een hevige pijn aan zijn hoofd en het werd even “zwart voor zijn ogen”.

In het Amphia ziekenhuis werd later vastgesteld dat [medewerker 2] een hersenschudding had opgelopen.

m.b.t. feit 4:

[medewerker 3] heeft verklaard dat hij met collega’s naar de cel van verdachte ging naar aanleiding van het brandalarm. Hij zag dat verdachte hem met gebalde vuist op zijn voorhoofd sloeg en voelde hevige pijn aan zijn hoofd.

Later werd in het Amphia ziekenhuis een zwelling op zijn hoofd geconstateerd.

m.b.t. de feiten 2, 3 en 4:

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op 23 november 2010 te Breda, nadat hij na het brandalarm zijn cel was uitgehaald, een van de medewerkers van de jeugdinrichting op zijn gezicht heeft geslagen. Vervolgens sprongen meerdere medewerkers op hem en is hij met die medewerkers gaan “struggelen”.

De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte de medewerkers [medewerker 1], [medewerker 2] en [medewerker 3] tegen hun hoofd heeft geslagen.

Dat hij zich uit zelfverdediging zou hebben verweerd acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Verdachte had zichzelf immers in deze positie gebracht door brand te stichten en vervolgens niet te voldoen aan de hem gegeven vordering om mee te werken aan de overbrenging naar een andere cel. Bovendien was het verdachte die als eerste geweld gebruikte ten opzichte van [medewerker 1], voordat het personeel van de jeugdinrichting hem probeerde te dwingen mee te werken aan de overgang naar een andere cel.

Het letsel dat [medewerker 1] en [medewerker 2] opliepen is echter in beide gevallen niet van dien aard, dat dit beschouwd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.

Op grond daarvan acht de rechtbank de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, maar in alledrie de gevallen slechts als een eenvoudige mishandeling. Van de feiten 2 primair en subsidiair en van feit 3 primair zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

m.b.t. feit 5:

[medewerker 3] heeft verklaard dat hij verdachte, nadat deze hem geslagen had, tegen hem hoorde zeggen: “he lange, als ik de kans krijg steek ik je op de groep of in de gang in je nek.”

[medewerker 2] heeft verklaard dat hij van collega [medewerker 1] hoorde dat verdachte had gezegd dat [voornaam] van groep 1, waarmee hij werd bedoeld, nog een keer door verdachte gepakt zou worden. Verdachte zou afrekenen met [medewerker 2].

[medewerker 1] heeft verklaard dat hij verdachte hoorde zeggen dat hij [voornaam] van groep 1 kapot zou maken. Na het brandalarm ging hij met collega’s naar verdachte en hoorde hem roepen: “kom niet in mijn buurt, ik maak jullie kapot.”

Verdachte heeft op de zitting erkend dat hij de hem verweten bedreigingen tegen personeelsleden van de jeugdinrichting heeft geuit.

De rechtbank acht op grond daarvan ook feit 5 wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 23 november 2010 te Breda opzettelijk brand heeft gesticht aan een matras, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met die matras, ten gevolge waarvan die matras gedeeltelijk is

verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die cel enhet gebouw van de J.J.I. Den Hey-Acker, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor hemzelf en medegedetineerden en personeel en gasten van de J.J.I. Den Hey-Acker te duchten was;

2, tweede subsidiair:

op 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een ambtenaar te weten [medewerker 1], gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, (met kracht en met gebalde vuist) in zijn gezicht heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3, subsidiair:

op 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [medewerker 2]), met kracht op diens hoofd (tegen een deurstijl) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

op 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [medewerker 3]), met kracht tegen diens hoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5.

op 23 november 2010 te Breda [medewerker 3] en/of [medewerker 2] en/of [medewerker 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk

- voornoemde [medewerker 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik steek je in je nek"; en,

- voornoemde [medewerker 2] (indirect) dreigend de woorden toegevoegd: "ik pak [medewerker 2] later nog wel" en "dat hij zou afrekenen met [medewerker 2]” en

- voornoemde [medewerker 1] dreigend de woorden toegevoegd: "kom niet in mijn buurt, ik maak jullie kapot".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Zo verdachte met zijn stelling, dat hij uit zelfverdediging handelde, heeft bedoeld een beroep te doen op noodweer(exces) dan verwerpt de rechtbank dit onder verwijzing naar hetgeen daarover bij 4.3 onder m.b.t. de feiten 2, 3 en 4 is overwogen.

Verdachte is derhalve strafbaar, omdat ook anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 1 jaar, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest, bepleit. Hij meent dat verdachte nog te jong is en de feiten niet ernstig genoeg zijn om tot een zo vergaande maatregel als een TBS met dwangverpleging over te gaan. Verdachte zou kunnen worden behandeld in het kader van de nog lopende PIJ-maatregel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, uit onvrede over een insluiting in verband met vermeend wapenbezit, in zijn cel een matras in brand gestoken. Zeker na de in de media uitvoerig beschreven dramatische gevolgen van de “Schipholbrand” had verdachte zich tevoren moeten realiseren tot welke ernstige gevolgen een brandstichting in een cel had kunnen leiden.

Hij heeft niet alleen zichzelf, maar ook andere gedetineerden, en het personeel en de bezoekers van de jeugdinrichting Den Hey-Acker in levensgevaar gebracht.

Daarnaast heeft hij op de koop toe genomen dat goederen in die jeugdinrichting, zelfs het volledige gebouw, door brand hadden kunnen worden verwoest als het personeel niet tijdig en kordaat de beginnende brand had geblust.

De rechtbank, maar ook de maatschappij in zijn algemeenheid, rekent verdachte zwaar aan dat hij uit vermeende boosheid een zo ernstig feit heeft begaan.

Vervolgens heeft verdachte, toen de beveiligingsmedewerkers hem wilden overbrengen naar een andere cel, drie medewerkers mishandeld en hen met de dood bedreigd. Ook dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het zijn immers functionarissen die in de jeugdinrichting gewoon hun werk moeten kunnen doen.

Tegen het licht bezien dat alle feiten hun oorzaak vinden in het aantreffen van zelfgemaakte steekwapens, zijn de door verdachte geuite bedreigingen extra belastend voor de beveiligingsmedewerkers, die door hun werk aan de nodige verwensingen gewend zijn geraakt, maar hiervan toch wel erg geschrokken waren.

De rechtbank houdt bij de strafbepaling voorts rekening met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit: een op 23 november 2010 in de J.J.I. Den Hey-Acker te Breda gepleegde vernieling (van een raam van een celdeur).

Verdachte woont pas drie jaar in Nederland, maar heeft in die korte tijd al een relatief fors strafblad opgebouwd, waarop ook al geweldsmisdrijven tegen slachtoffers met een publieke taak voorkwamen. Door de opbouwende reeks van strafbare feiten is hem, omdat voorwaardelijke straffen hem niet van recidive afhielden, op 23 februari 2010 zelfs een zogenaamde PIJ-maatregel, kortgezegd een jeugdTBS, opgelegd, maar ook die maatregel heeft niet tot resultaten geleid.

Ook in zijn geboorteland kwam verdachte naar eigen zeggen al met justitie in aanraking en heeft hij op 12jarige leeftijd al een celstraf van 1½ jaar moeten uitzitten.

De rechtbank verwerpt de stelling van verdachte, dat hij alleen gewelddadig wordt wanneer hij gevangen zit. Niet alleen blijkt dit niet uit zijn strafblad, maar zolang verdachte zich niet in een cel kan gedragen, zal hij ook in de maatschappij strafbare feiten blijven plegen.

Verdachte is ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. De gedragsdeskundigen hebben geconstateerd dat sprake is van een lichte zwakbegaafdheid en een beperkt begrips- en abstractievermogen. Zij achten geen persoonlijkheidsstoornis aanwezig, maar wel een antisociale gedragsstoornis. Op basis daarvan concluderen de deskundigen dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. Het recidiverisico wordt, zonder gedwongen behandeling, hoog ingeschat. Omdat er bij verdachte geen nog in te lopen achterstand in zijn cognitieve ontwikkeling bestaat, zien de deskundigen geen heil in een eventuele gedwongen behandeling in het kader van een verlenging van de jeugdTBS. Zij komen beiden eensluidend tot het advies van een TBS met dwangverpleging.

Verdachte is nog jong, maar gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte en zijn persoonlijkheid is de rechtbank van oordeel dat een TBS noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar noodzakelijk. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend enerzijds en de impact die deze op de samenleving hebben gehad anderzijds.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [medewerker 1], [adres] vordert een schadevergoeding van € 1.500,-- ter zake van immateriële schade, geleden als gevolg van feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat die voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

Bovendien zijn het voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 157, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te

duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

feit 2, 3 en 4, telkens: Mishandeling

feit 5: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

418010 2.00 STK Wapen Kl:blauw

HANDWAPEN

zelfgemaakte steekwapens

418017 1.00 STK Droogrek Kl:blauw

gedeeltelijk gesloopt

424965 1.00 STK Aansteker

transparante wegwerpaansteker met inhoud K3;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [medewerker 1], [adres] van € 500,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;(BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[medewerker 1], [adres] (feit 2), € 500,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Koch, voorzitter, mr. Alferink en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 augustus 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een matras, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een gedeelte van dat matras, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat matras geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die cel en/of het gebouw van J.J.I. Den Hey-Acker, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor hemzelf en/of medegedetineer-den en/of personeel en/of gasten van J.J.I. Den Hey-Acker , in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een matras, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een gedeelte van dat matras, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat matras geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die cel en/of het gebouw van

J.J.I. Den Hey-Acker, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor hemzelf en/of medegedetineerden en/of personeel en/of gasten van J.J.I. Den Hey-Acker, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk een matras, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan J.J.I. Den Hey-Acker, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda aan een persoon genaamd [medewerker 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten die [medewerker 1] een gebroken neus), heeft toegebracht, door deze [medewerker 1] opzettelijk meermalen in elk geval eenmaal (met kracht) tegen diens neus en/of diens hoofd/gezicht te slaan/stompen/stoten;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [medewerker 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [medewerker 1] meermalen in elk geval eenmaal (met kracht) op diens neus en/of in/op diens hoofd/gezicht heeft geslagen/ gestompt/gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een ambtenaar te weten [medewerker 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, althans een persoon genaamd [medewerker 1], meermalen, althans eenmaal (met kracht en/of met gebalde vuist) in zijn gezicht, althans op/tegen zijn hoofd heeft geslagen/ gestompt/gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [medewerker 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op/tegen diens hoofd (tegen een deurstijl) heeft geslagen/gestoten/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [medewerker 2]), met kracht op/tegen diens hoofd (tegen een deurstijl) heeft geslagen/ gestompt/gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [medewerker 3]), met kracht op/tegen diens hoofd heeft geslagen/gestompt/gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 23 november 2010 te Breda [medewerker 3] en/of [medewerker 2] en/of [medewerker 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

- voornoemde [medewerker 3] dreigend meermalen in elk geval eenmaal de woorden toegevoegd :"ik steek je in je nek"; en/of,

- voornoemde [medewerker 2] (indirect) dreigend de woorden toegevoegd :"ik pak (medewerker 2) later nog wel" en/of "dat hij zou afrekenen met [medewerker 2]; en of

- voornoemde [medewerker 1] dreigend de woorden toegevoegd: "kom niet in mijn buurt, ik maak jullie kapot" (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.