Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5052

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
800457-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW6253, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk Breda. Doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 800457-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Van Rijsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd dan wel dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is gedood terwijl hij beginnend bestuurder was, reed met een veel hogere snelheid dan was toegestaan en terwijl hij alcohol had gedronken;

feit 2

als bestuurder van een motorvoertuig betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander was gedood of letsel had opgelopen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd (feit 1 primair) en de plaats van het ongeval heeft verlaten (feit 2). Zij baseert zij zich onder meer op bevindingen van verbalisanten, op verklaringen van verdachte en een aantal getuigen, op een verricht alcoholonderzoek en op onderzoeken van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en het Nederlands Forensisch Instituut. De officier van justitie acht doodslag wettig en overtuigend bewezen omdat, kort gezegd, objectieve omstandigheden zijn aan te wijzen die ertoe leiden dat verdachte het gevolg op de koop toe heeft genomen. Op basis van deze omstandigheden kan worden geoordeeld dat verdachte de kans op het veroorzaken van dodelijk letsel willens en wetens heeft aanvaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag nu verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld. Daartoe is aangevoerd dat uitsluitend moet worden gekeken naar de gedragingen van verdachte op het moment van het naderen van het bewuste kruispunt. Het eerder daaraan voorgaande verkeersgedrag kan naar de mening van de verdediging geen enkele rol spelen bij de vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

Op het moment dat het stoplicht voor hem op groen sprong, mocht verdachte op het wettelijk vastgelegde interactiepatroon de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij door kon rijden en daarbij geen kruisend verkeer behoefde te verwachten. Alleen dit gegeven maakt al dat de kans op een tegenligger en daarmee een ongeval niet aanmerkelijk is te noemen. Het feit dat verdachte het slachtoffer niet tijdig heeft waargenomen, is hem naar de mening van de verdediging niet (volledig) aan te rekenen. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte feitelijk niet behoort tot de groep “beginnend bestuurders” nu hij voor zijn werk minimaal 50.000 kilometer per jaar rijdt.

Ten aanzien van de tenlastegelegde dood door schuld is verzocht rekening te houden met de schuld dan wel medeschuld aan de zijde van het slachtoffer.

Voor wat betreft feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 24 april 2011, even na 5.00 uur in de ochtend, reden de verbalisanten Van der Heiden en Neumann na hun nachtdienst in een onopvallende personenauto in Oosterhout via Teteringen naar Breda. In Oosterhout werden zij met zeer hoge snelheid rechts over het fietspad ingehaald door een zwarte Volkswagen Golf. Vanwege het onverantwoorde verkeersgedrag van de bestuurder van deze Golf hebben zij de meldkamer ingelicht en zijn zij de Golf gevolgd. Daarbij reden zij zelf 110 km/u. Bij deze snelheid liep de Golf op hen uit. Zij zagen de auto de Noordelijke Rondweg in Breda oprijden.

Rond hetzelfde tijdstip reed [slachtoffer], samen met een vriendin en twee vrienden, vanuit het centrum van Breda naar huis . Aangekomen op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk in Breda reed zij voorop. Op het moment dat zij de kruising opreden, was deze leeg. Vanuit het niets zag getuige [getuige 1] 2 koplampen verschijnen. De auto werd pas gezien toen deze vlakbij het vriendengroepje was en reed volgens [getuige 1] ongelooflijk hard. Ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat de auto met zeer hoge snelheid kwam aanrijden. [slachtoffer] was toen de middenberm al gepasseerd en zij stak het tweede gedeelte van de weg over waarna zij vol werd geraakt door die auto.

Korte tijd later arriveerden de verbalisanten Neumann en Van der Heiden (voetnoten 2 en 3). Zij zagen dat het slachtoffer in een onnatuurlijke houding lag en buiten bewustzijn was. Een ademhaling werd niet meer waargenomen. Noodhulp kwam ter plaatse.

Door een GGD-arts is tijdens een schouw vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van een schedelbasisfractuur is overleden .

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de bestuurder is geweest van de Volkswagen Golf en dat hij het slachtoffer heeft aangereden waarna hij is doorgereden.

Doodslag of dood door schuld?

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij die middag eerst bij zijn neef is geweest. Daar heeft verdachte 3 glazen alcohol gedronken. Vervolgens is hij naar een loungecafé in Tilburg gegaan. Daar heeft hij 5 glazen Bacardi gedronken. ’s Avonds is hij naar discotheek Highstreet in Hoogstraten gereden. Daar werd door een vriend een fles Bacardi gekocht waarvan verdachte 2 of 3 flinke glazen heeft genomen. Vervolgens is verdachte weer teruggereden naar Nederland. Na zijn vertrek uit de discotheek Highstreet in Hoogstraten en na de aanrijding om 5.12 uur heeft verdachte niets meer gedronken. Door het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed 1.26 milligram per milliliter bloed is geweest.

Door de Unit Forensisch Technisch Onderzoek is een verkeersongevalanalyse uitgevoerd . Op grond van dit onderzoek stelt de rechtbank vast dat de kruising Crogtdijk/

Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk een overzichtelijke kruising is met goed zicht. Ten tijde van het ongeval was het donker, droog en helder weer. Verbalisanten van de Noodhulp hebben aangegeven dat de verlichting in werking was. De Nieuwe Kadijk waarover verdachte reed was aangeduid als voorrangsweg met een maximum snelheid van 70 km/u.

De banden van de fiets van het slachtoffer waren voorzien van reflectiestroken.

De hiervoor genoemde verbalisanten en getuigen hebben aangegeven dat de Volkswagen Golf met zeer hoge snelheid heeft gereden. De bevindingen van de verbalisanten en verklaringen van getuigen vinden steun in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut . Door het NFI is geconcludeerd dat over de laatste circa 70 meter voorafgaande aan de stopstreep op de ongevalkruising de auto van verdachte een gemiddelde snelheid tussen 112 km/u en 130 km/u had. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een aanzienlijke snelheidvariatie bij de nadering van de ongevalkruising.

In het hiervoor aangehaalde rapport van de Unit FTO is, uitgaande van de snelheid zoals berekend door het NFI, geconcludeerd dat de Volkswagen Golf met een snelheid van tussen de 112 km/u en 130 km/u is aangereden op een in zijn richting rood licht uitstralend verkeerslicht. Tussen de 72 meter en 66 meter voor dat verkeerslicht kreeg de Volkswagen Golf groen licht. Bij de berekende snelheid had de Golf alleen voor het rood licht kunnen stoppen bij een uiterst krachtige noodstop waarbij de volledige remkracht van de auto zou moeten worden benut. Aangegeven is dat dit doorgaans voor een gemiddelde autobestuurder niet haalbaar is.

Vervolgens vond de botsing plaats zonder noemenswaardige snelheidsvermindering vóór de botsing door de Volkswagen Golf. Door de technici werden geen sporen van een remming voorafgaand, op of voorbij de plaats van het ongeval aangetroffen. In het rapport is verder gesteld dat de botsing plaatsvond op het moment dat de Volkswagen Golf zich in een normale rijpositie bevond. Indien de Golf op dat moment een sterke remming zou hebben uitgevoerd dan zou de voorzijde van de Golf zijn gedoken waardoor de voorzijde zich lager boven het wegdek zou hebben bevonden en de sporen op de voorzijde van de auto zich hoger hebben afgetekend.

Door de veel te hoge snelheid van de Volkswagen Golf had het slachtoffer onvoldoende tijd om aan de overzijde van de weg te geraken.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het voor doodslag vereiste opzet, minimaal in de vorm van voorwaardelijk opzet, kan worden aangenomen op grond van de bijzondere (objectieve) omstandigheden van dit geval.

In dit kader is van belang dat op grond van hetgeen hiervoor is aangegeven, vastgesteld kan worden dat de verkeerssituatie ter plaatse normaal was; het was droog en helder weer en de verlichting was in werking.

Verder stelt de rechtbank op grond van het aanvraagformulier toxicologisch onderzoek vast dat pas 4 uur na de aanrijding bij verdachte bloed is afgenomen. Uit dit gegeven en uit de verklaring van verdachte zoals hiervoor aangegeven, volgt dan ook dat het alcoholgehalte in verdachtes bloed ten tijde van de aanrijding aanmerkelijk hoger is geweest dan 1,26 milligram per milliliter bloed.

Voorafgaande aan de aanrijding zijn er 3 momenten geweest waarop verdachte telkens de keuze heeft gemaakt om in zijn auto te stappen. Na 3 glazen alcohol gebruikt te hebben bij zijn neef, na 5 glazen Bacardi gedronken te hebben in Tilburg en na 2 of 3 flinke glazen Bacardi gedronken te hebben in Hoogstraten. Ondanks deze zeer grote hoeveelheid alcohol heeft verdachte telkens besloten in de auto te stappen en aan het verkeer deel te nemen terwijl hij absoluut niet meer in staat moest worden geacht zijn auto behoorlijk te besturen. Verdachte heeft zichzelf in staat van onbekwaamheid gebracht door het gebruiken van zeer grote hoeveelheden alcoholische drank.

Verder is gebleken dat verdachte niet alleen ten tijde van de aanrijding maar ook daarvoor met een zeer hoge snelheid heeft gereden. Al in Oosterhout haalde hij op onverantwoorde wijze met zeer hoge snelheid de verbalisanten Neumann en Van der Heiden in. Ook taxichauffeur [getuige 4] heeft verklaard dat (verdachtes) auto gruwelijk op hem uitliep terwijl hijzelf op de Noordelijk rondweg zo’n 80 tot 85 km/u reed.

Op grond van de verklaringen van de verbalisanten en getuigen kan niet anders geoordeeld worden dat vanaf Oosterhout tot aan de plaats van de aanrijding sprake is geweest van een dollemansrit.

Vastgesteld wordt verder dat het hier gaat om “zwakke” verkeersdeelnemer, te weten het slachtoffer, rijdend op haar fiets, ten opzichte van een “sterke” verkeersdeelnemer, te weten de verdachte, rijdend in zijn personenauto.

Verdachte wist wat alcohol met hem deed. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij dan vergeetachtig wordt en niet meer weet wat hij doet. Ondanks die wetenschap heeft verdachte tot drie keer toe besloten achter het stuur te stappen na het gebruik van een grote hoeveelheid drank. Vervolgens heeft verdachte met zeer hoge snelheid aan het verkeer deelgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat verdachte zich in het geheel niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere (zwakke) verkeersdeelnemers. Door zijn wijze van rijden heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat zijn handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou hebben. Zoals de Hoge Raad ook al eerder heeft overwogen, kan bevestiging daarvan ook worden gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van de aanrijding heeft verlaten terwijl hij wist dat hij een ongeluk had veroorzaakt en niets heeft ondernomen teneinde te bewerkstelligen dat aan eventuele slachtoffers hulp zou worden geboden.

Door de verdediging is nog aangevoerd dat sprake is geweest van een late en gevaarlijke oversteekmanoeuvre en het niet voeren van fietsverlichting waardoor verdachte niet volledig kan worden aangerekend dat het slachtoffer niet tijdig zichtbaar was. De rechtbank is van oordeel dat dit verdachte wel degelijk kan worden aangerekend. Hiervoor is al vastgesteld dat de fiets van het slachtoffer reflecterende banden had. Verdachte zou [slachtoffer] alleen al daardoor zeer ruim van te voren hebben moeten en kunnen zien, zeker indien hij met een normale, passende, snelheid had gereden en indien hij niet fors onder invloed van alcohol had verkeerd. Verder is vastgesteld dat het slachtoffer door de veel te hoge snelheid van verdachte onvoldoende tijd heeft gehad om aan de overkant van de weg te komen. Het is geheel aan het rijgedrag van verdachte te wijten dat hij het slachtoffer niet heeft gezien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Verder kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (primair)

op 24 april 2011 te Breda, opzettelijk

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet rijdend in een personenauto onder invloed van een zeer

grote hoeveelheid alcoholhoudende drank, en

- rijdend met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan,

- de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk met (nagenoeg)

onverminderde en veel te hoge snelheid naderend en oprijdend en

overrijdend,

die [slachtoffer] en haar fiets op voornoemde kruising en met zeer hoge

snelheid aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.

op 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig

door wiens gedraging een verkeersongeval

was veroorzaakt op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk,

de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij

wist een ander te weten [slachtoffer] is

gedood, althans aan voornoemde [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte 6 jaar gevangenisstraf en 10 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Daarnaast is de verbeurdverklaring verzocht van de in beslag genomen auto en fiets.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte pas 22 jaar oud is en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een forse inbreuk op zijn verdere ontwikkeling zal betekenen. Verder is aangevoerd dat ook verdachte de rest van zijn leven zal worden herinnerd aan het ongeval en dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 24 april 2011 schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer].

Hij heeft voorafgaand aan de aanrijding al geruime tijd op bijzonder roekeloze wijze deelgenomen aan het verkeer. Als beginnend bestuurder heeft hij na het gebruik van een zeer grote hoeveelheid alcohol en met een zeer hoge snelheid aan het verkeer deelgenomen. Door zijn manier van rijden heeft verdachte zich in het geheel niet bekommerd om de mogelijke gevolgen van zijn rijgedrag voor andere verkeersdeelnemers.

Als gevolg van dit handelen van verdachte heeft de 17 jarige [slachtoffer] het leven gelaten. Het leed dat hierdoor is toegebracht aan de nabestaanden, in het bijzonder het gezin waartoe [slachtoffer] behoorde, is groot en onherstelbaar. De door de moeder en het zusje van [slachtoffer] ter zitting afgelegde verklaringen hebben pijnlijk duidelijk gemaakt op welke wijze zij lijden onder dit verlies. Ook voor de vrienden van [slachtoffer] die gezien hebben hoe zij is verongelukt moet het een zeer traumatische gebeurtenis zijn geweest.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van de familie en vrienden ongedaan kan maken en dat uit het oogpunt van genoegdoening voor hen geen enkele straf hoog genoeg zal zijn.

Niet alleen aan de familie en vrienden is onherstelbaar leed aangebracht. Ook verdachte gaat gebukt onder hetgeen hij heeft aangericht. Dit blijkt ook uit het rapport dat over verdachte is uitgebracht door de Reclassering.

Verdachte heeft weliswaar de plaats van het ongeval verlaten en het heeft even geduurd voordat hij kon worden aangehouden maar uiteindelijk heeft verdachte zich niet willen onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid. Ook verdachte zelf zal de rest van zijn leven geconfronteerd worden met de (gevolgen van de) aanrijding waarvoor hij verantwoordelijk is.

Bij de beoordeling van de soort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Verder heeft de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat hij een blanco strafblad heeft.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

4 jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van aanzienlijk duur noodzakelijk is.

Rekening houdend met de omstandigheid dat de ontzegging wordt verlengd met de tijd dat verdachte gedurende de ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen, acht de rechtbank een ontzegging voor de duur van 6 jaar passend en noodzakelijk.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten de personenauto van verdachte, is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat

feit 1 primair is begaan met behulp van deze auto.

Tevens is verzocht de verbeurdverklaring van de aan het slachtoffer toebehorende fiets. Deze fiets is niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Wegens het ontbreken van enig belang zal de rechtbank geen beslissing nemen over deze in beslag genomen fiets.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 7, 176, 178, 179, 179a, 180 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: doodslag;

feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs ingevolge art. 179 lid 6 WVW ingevorderd is geweest in mindering wordt gebracht op de duur van de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een personenauto, Volkswagen Golf Tdi, kleur zwart, kenteken [kentekennummer].

Dit vonnis is gewezen door mr. Damen, voorzitter, mr. Van de Ven en mr. Van Breugel, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 augustus 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet rijdend in een personenauto onder invloed van een zeer

grote/aanzienlijke/aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

- rijdend met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan,

althans een (veel) te hoge snelheid gelet op de (verkeers)situatie ter

plaatse, en/of

- de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk met (nagenoeg)

onverminderde en/of (veel) te hoge snelheid naderend en/of oprijdend en/of

overrijdend,

die [slachtoffer] en/of haar fiets op/nabij voornoemde kruising en/of met (zeer) hoge

snelheid aangereden, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg

(Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam

en of onnadenkend en/of ondeskundig

terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank,

althans (kort) na het inwendig gebruik van een (te grote) hoeveelheid alcohol

en/of

terwijl hij, verdachte, pas sinds relatief korte tijd bevoegd was een

personenauto te besturen (en derhalve is aan te merken als beginnend

bestuurder),

met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Crogtdijk/

Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk te rijden

- met een (zeer) hoge snelheid, althans een snelheid van ongeveer 112 tot 130

kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was

toegestaan en/of gelet op de verkeerssituatie passend was en/of

- vervolgens (met (nagenoeg) onverminderde snelheid) het kruispunt

Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk op te rijden en/of (vervolgens) in

botsing te komen met [slachtoffer] en/of haar fiets, althans tegen [slachtoffer] en/of

haar fiets aan te rijden, (mede) waardoor die [slachtoffer] is gedood,

zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008, althans voor het eerst op of na

30 maart 2002, een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste

afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte

derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en/of

zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het

alcoholgehalte van verdachtes bloed, althans van hem verdachte, bij een

onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram, in ieder geval hoger dan 0,2 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval

was veroorzaakt op/nabij de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/ Nieuwe Kadijk,

de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij

wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [slachtoffer]) is

gedood, althans aan voornoemde [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994