Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR4451

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
10/2582
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende inhoudingsplichtige is voor de loonheffng. Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van inhoudingsplicht omdat zowel de werkgever als de werknemers niet in Nederland woonachtig zijn. Bovendien is volgens belanghebbende geen sprake van uitzendwerkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van inhoudingsplicht op grond van artikel 6, lid 3, aanhef en onderdeel b van de Wet op de loonbelasting (vaste inrichting op basis van uitzendwerkzaamheden) en komt niet toe aan het beoordelen van de woonplaats van belanghebbende. Nu belanghebbende geen loonadministratie heeft bijgehouden is er sprake van omkering van de bewijslast. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat de opgelegde naheffingsaanslag onjuist is. De inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/43.19.21
V-N Vandaag 2011/2050
FutD 2011-1915
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2582

Uitspraakdatum: 11 juli 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], domicilie kiezend te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft, met dagtekening 4 december 2009, aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd van € 116.375, evenals een boete van € 29.094. Tevens is daarbij bij beschikking een bedrag van € 26.009 aan heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 28 december 2009 een bezwaarschrift ingediend.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 april 2010 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Bij twee brieven, ingekomen bij de inspecteur op 27 mei 2010, heeft belanghebbende gereageerd op de uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft deze brieven doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend (brieven van 3 december 2010, 6 december 2010, 13 januari 2011, 26 januari 2011, 8 februari 2011 en 23 mei 2011). Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde datum als deze uitspraak is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 20 oktober 2009 is namens de inspecteur een onderzoek gestart naar de woonplaats en activiteiten van belanghebbende. Omdat het onderzoek nog niet geëindigd was voor eind 2009, is ter behoud van rechten de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.2. Belanghebbende had in 2004 (buitenlandse) werknemers in dienst die werkzaamheden verrichtten voor en bij [de BV] (hierna: de BV) te [plaats] (hierna: de werknemers). Die hieraan ten grondslag liggende overeenkomst tussen belanghebbende en BV is niet op schrift vastgelegd.

2.3. De werkzaamheden die de werknemers verrichtten voor en bij de BV, bestonden uit het halen van reststoffen uit kunststoffen, met name uit dashboards van auto’s.

2.4. Belanghebbende heeft in de jaren 2004 tot en met 2009 (buitenlandse) werknemers te werk gesteld bij de BV. Tussen belanghebbende en de BV is geen contract opgemaakt. Alle contacten verliepen via het 06-nummer van belanghebbende of vonden plaats op het bedrijfsadres van de BV. Het bedrijfsadres op de facturen van belanghebbende is tot december 2004 [adres] [plaats in België] en vanaf december 2004 [adres] [plaats in België]. Op de facturen van belanghebbende staat een Duits en een Belgisch bankrekeningnummer. Overgelegde facturen (d.d. 21 januari 2004 en 24 december 2004) die belanghebbende aan de BV heeft gezonden, vermelden in rekening gebrachte kilo’s en (extra) uren.

2.5. Belanghebbende heeft op 3 februari 2009 aan de inspecteur van de arbeidsinspectie verklaard zijn werknemers een nettoloon van € 7,75 per uur en een netto onkostenvergoeding van € 2 per dag te verstrekken en bijkomende gereedschappen, kleding en bijkomende veiligheidsvoorzieningen voor zijn werknemers te betalen.

2.6. Belanghebbende heeft geen loonadministratie bijgehouden.

2.7. Belanghebbende is bij de Belgische belastingdienst niet bekend en heeft geen aangifte en afdracht van loonbelasting gedaan in België. Het BTW-nummer van belanghebbende is eveneens niet bekend.

2.8. Tijdens een verhoor door de Arbeidsinspectie op 27 april 2009 is door [dhr. C.] het volgende verklaard:

“U vraagt mij hoe ik in contact ben gekomen met [Uitzendbureau belanghebbende]. Eigenlijk in 2002 toen ik het bedrijf heb overgenomen. Dit uitzendbureau deed voorheen personeel leveren voor [de BV]. Ik heb [de BV] in het jaar 2002 overgenomen. (…). De ingeleende krachten, welke via [Uitzendbureau belanghebbende] zijn gekomen, zijn door mij niet nader geïdentificeerd. Sommige personen waren er al toen ik in 2002 [de BV] heb overgenomen. (…) [de BV] heeft geen opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden op zondag 30 november 2008. Ik vermoed dat de mensen zelf gedacht hebben om op zondag 30 november 2008 arbeid te verrichten. (…)

Met [belanghebbende] is voorheen de afspraak gemaakt om een aantal personen te leveren met heftruckervaring. (…)

De inzet van uitzendkrachten is geweest, omdat we een enorme berg van werkzaamheden op ons af zien komen. We willen nu als bedrijf niets meer met buitenlandse uitzendkrachten te maken hebben.”

In een brief van 13 oktober 2009 heeft [dhr. C.] naar aanleiding van vragen van de inspecteur verklaard:

“1: [Uitzendbureau belanghebbende] leverde diensten aan [de BV] voor 2002 en is bij de overname in 2002 mee overgenomen.

2: Er is geen schriftelijke overeenkomst.

3: Uitzendkrachten maakten, operationeel integraal, deel uit van de organisatie. Aansturing gebeurde direct (platte organisatie). Activiteit was een hele transparante en verdiende niet veel uitleg en toelichting. (…)

5: Bedrijfsleiding bepaalde aantal personen welk ingehuurd werd. Er werd telefonisch contact opgenomen met [belanghebbende] en persoon(en) werd(en) geleverd. (…)

8: De facturen werden gecontroleerd aan de hand van de productiegegevens door het secretariaat(…).”

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende inhoudingsplichtige is voor de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet). Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boete. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1. Bij brieven van 23 mei 2010, bij de inspecteur afgegeven op 27 mei 2010, heeft belanghebbende aan de inspecteur laten weten bezwaar te maken tegen uitspraak op zijn bezwaarschrift. De inspecteur heeft deze brieven doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. De rechtbank heeft het beroepschrift op 17 juni 2010 ontvangen. Ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan, in dit geval de inspecteur, bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Nu de brieven van belanghebbende van 23 mei 2010 - het beroepschrift - op 27 mei 2010 door de inspecteur zijn ontvangen, is het beroepschrift tijdig binnen de termijn binnengekomen. Het beroep is ontvankelijk.

Inhoudingsplichtige

4.2. De inspecteur is van mening dat belanghebbende inhoudingsplichtige was als bedoeld in artikel 6 van de Wet. Daartoe voert de inspecteur aan ten eerste dat belanghebbende inhoudingsplichtige was op grond van artikel 6, lid 1, van de Wet, omdat – in 2004 – belanghebbende de werknemers in dienst had en hij in Nederland woonachtig was. Ten tweede voert de inspecteur aan dat, in het geval dat belanghebbende niet in Nederland woonachtig was, belanghebbende inhoudingsplichtige was op grond van artikel 6, lid 2, onderdeel a, in verbinding met lid 3, aanhef en onderdeel b, van de Wet.

4.3. Belanghebbende stelt primair dat geen sprake is van inhoudingsplicht omdat zowel de werkgever als de werknemers niet in Nederland woonachtig zijn. Subsidiair stelt belanghebbende dat geen sprake is van een vaste inrichting op grond van artikel 6, lid 3, onderdeel b van de Wet op de loonbelasting (hierna: de Wet LB), omdat geen sprake is van uitlening van personeel, maar van aanneming van werk.

4.4. De rechtbank ziet aanleiding eerst in te gaan op het tweede argument van de inspecteur. Ingevolge artikel 6, lid 3, aanhef en onderdeel b, van de Wet wordt als een vaste inrichting aangemerkt het verrichten van werkzaamheden die gericht zijn op het verlenen van tussenkomst ten behoeve van degenen die tegen beloning persoonlijke arbeid in Nederland verrichten en een derde ten behoeve van wie die arbeid wordt verricht. Gelet op de wetsgeschiedenis ziet deze bepaling op ‘uitzendwerkzaamheden’. Met de bepaling is bedoeld om “in het buitenland gevestigde uitzendbureaus die geen «echte» vaste inrichting in Nederland hebben maar zich op de Nederlandse arbeidsmarkt bezighouden met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten, inhoudingsplichtig te maken voor de loonheffing” (Kamerstukken II 1996/97, 25051, nr. 3, blz. 49). Van uitzendwerkzaamheden is sprake indien een werknemer, met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, door deze ter beschikking is gesteld van een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn (HR 21 november 1997, nr. 16.486, BNB 1998/25). Van uitzendwerkzaamheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake indien sprake is van een overeenkomst van opdracht of indien de werknemers op een andere manier onder leiding of toezicht van belanghebbende werken. Op de inspecteur rust de last te bewijzen dat sprake is van uitzendwerkzaamheden.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in dat bewijs is geslaagd. Zij baseert dit op de volgende feiten en omstandigheden:

4.5.1. [dhr. C.] heeft, als eigenaar van de BV, verklaard dat [Uitzendbureau belanghebbende] een uitzendbureau was en dat sprake was van uitzendkrachten. Dat heeft hij herhaald in zijn brief van 13 oktober 2009 waarin hij tevens heeft vermeld dat aansturing direct gebeurde en dat de bedrijfsleiding van de BV bepaalde hoeveel personen werden ingehuurd. Deze verklaringen acht de rechtbank consistent en geloofwaardig.

4.5.2. Dat de werknemers onder toezicht of leiding van de BV (en niet onder toezicht en leiding van belanghebbende) stonden tijdens hun werkzaamheden voor de BV vindt (verder) steun in de verklaringen van belanghebbende ter zitting dat hij (slechts) een keer per maand langskwam bij de BV (voor de afrekening) terwijl [dhr. C.] twee dagen per week aanwezig was, en dat de bedrijfsleiding van de BV het aantal geleverde kilo’s controleerde. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking de aard van de werkzaamheden. Desgevraagd heeft belanghebbende verklaard dat de werkzaamheden eentonig waren en door iedereen geleerd konden worden na verloop van tijd. Dit tezamen met het gegeven dat – naar uit de verklaringen van belanghebbende is af te leiden – ongeveer twaalf dashboards per uur konden worden gestript, duidt er op dat sprake is van werkzaamheden waarvan het eerder voor de hand ligt dat deze worden gedaan door uitzendkrachten dan dat deze worden gedaan op basis van een overeenkomst van opdracht. Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende zorgde voor materialen zoals kleding en oordoppen noch dat de werknemers gebruik maakten van een auto van een stichting, waarvan belanghebbende bestuurder is. Het is niet zonder meer ongebruikelijk dat een uitzendbureau dergelijke materialen ter beschikking stelt en voorziet in vervoer.

4.5.3. Het gegeven dat belanghebbende op basis van kilo’s factureerde, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake was van aanneming of een overeenkomst van opdracht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij de afrekeningen van de BV controleerde maar daarbij niet de werkelijk geleverde kilo’s als uitgangspunt nam (die wist hij niet) maar de aantallen gewerkte uren. Belanghebbende controleerde of de op de afrekening vermelde kilo’s overeenkwamen met de gewerkte uren, uitgaande van 12 geleverde kilo’s per uur. In zoverre was er dus feitelijk sprake van een vaste vergoeding per uur.

4.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, zo belanghebbende niet in Nederland woonachtig was in 2004, belanghebbende op grond van artikel 6, lid 2, onderdeel a, in verbinding met lid 3, aanhef en onderdeel b, van de Wet inhoudingsplichtige is. Dit brengt mee dat in het midden kan blijven of belanghebbende in Nederland of België woonachtig was in 2004.

Omkering van de bewijslast

4.7. Hetgeen de rechtbank onder 4.5 en 4.6. heeft overwogen leidt tot de conclusie dat belanghebbende als inhoudingsplichtige tevens administratieplichtig was in de zin van artikel 52 en 53 AWR. Nu vaststaat dat belanghebbende geen loonadministratie heeft gevoerd, heeft hij niet aan zijn verplichtingen voldaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet redelijkerwijs heeft kunnen menen geen inhoudingsplichtige en daarmee administratieplichtige te zijn. Dit brengt mee dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank dient het beroep ongegrond te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Heffingsrecht

4.8. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat op grond van belastingverdragen het heffingsrecht over het loon van de werknemers sowieso niet aan Nederland toekomt omdat alle werknemers korter dan 183 dagen in Nederland hebben verbleven. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard hiervan geen bewijs te hebben. De rechtbank is van oordeel dat, tegenover de betwisting door de inspecteur, belanghebbende de juistheid van zijn stelling niet heeft aangetoond. Het standpunt dient derhalve te worden verworpen.

4.9. Belanghebbendes beroep op het besluit van de staatssecretaris van 10 maart 2004 IFZ2004/113M kan hem evenmin baten. De tekst noch de strekking van dat besluit geeft daarvoor een aanknopingspunt, in aanmerking genomen het in 4.7 gegeven oordeel.

Naheffingsaanslag

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende ook overigens de onjuistheid van de naheffingsaanslag niet aangetoond. De rechtbank dient dan te beoordelen of de naheffingsaanslag berust op een berekening die niet onredelijk is jegens belanghebbende.

4.11. Bij de berekening van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van de facturen die belanghebbende aan de BV heeft gericht. Hierbij is rekening gehouden met een nettoloon van € 8,50 per uur en toepassing van het anoniementarief. De inspecteur heeft eerst het aantal gewerkte uren door de werknemers in 2004 berekend door het totale aan BV gefactureerde bedrag van € 126.651 te delen door € 12 per uur. De rechtbank acht deze berekening redelijk gezien de onder 4.5.3. vermelde verklaring van belanghebbende dat hij zelf de declaraties controleerde uitgaande van een bedrag van ongeveer € 12 per uur. Vervolgens is het totaal aantal gewerkte uren door de werknemers in 2004 vermenigvuldigd met een geschat netto-uurloon van € 8,50. De rechtbank acht ook deze benadering redelijk nu belanghebbende zelf heeft verklaard dat hij zijn werknemers ongeveer € 7,75 plus € 2,- onkostenvergoeding per dag betaalde. Belanghebbende heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat tegenover die € 2,- extra per dag werkelijke kosten stonden zodat geen sprake is van vrije vergoedingen. Tot slot is terecht het zogenoemde anoniementarief toegepast, aangezien geen loonadministratie is gevoerd en bovendien – naar de inspecteur heeft gesteld en belanghebbende niet heeft bestreden – belanghebbende niet over een loonbelastingverklaring van de werknemers beschikte. De rechtbank acht de aldus berekende naheffingsaanslag niet onredelijk.

Boete

4.12. Ingevolge artikel 26, lid 2, in verbinding met artikel 24a, lid 2, van de AWR heeft het onderhavige beroep ook betrekking op de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboete. Op grond van artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan de opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. De boete kan ten hoogste 100% van de in het tweede lid van artikel 67f van de AWR omschreven grondslag bedragen. De bewijslast hiervoor ligt op de inspecteur.

4.13. Op basis van hetgeen hiervoor in 2.2 en 4.2 tot en met 4.6 is vermeld, acht de rechtbank bewezen dat belanghebbende door hem verschuldigde loonheffing niet heeft betaald. Voorts acht de rechtbank het bewezen dat zulks aan opzet van belanghebbende is te wijten. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij loonheffing verschuldigd was over het loon aan de werknemers die voor de BV werkten, en dat hij die willens en wetens niet heeft betaald, aangezien hij zich niet bij de belastingdienst heeft aangemeld als inhoudingsplichtige.

4.14. De rechtbank acht een boete van € 29.094 passend en geboden. De omstandigheid dat de grondslag van de boete is beoordeeld met inachtneming van de toepassing van de sanctie van omkering van de bewijslast, noopt niet tot een (verdere) matiging van de boete. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de berekening waarop die grondslag berust wat betreft de methode en dat de daarbij gebruikte variabelen zeer reëel is. Slotsom is dat de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Overig

4.15. Belanghebbende heeft de rechtbank in een brief van 23 mei 2011 verzocht de heer [getuige V] als getuige horen. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de verklaring van de getuige en ook de schriftelijk verklaringen alleen betrekking hebben op het geschil over de woonplaats. Nu dat geschil gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen geen beslechting behoeft in deze procedure, heeft de rechtbank aanleiding gezien de getuige niet te horen en ook nadere schriftelijke verklaringen te weigeren.

4.16. De rechtbank gaat ook voorbij aan het aanbod van belanghebbende ter zitting om een getuige ([getuige W]) te horen inzake (de afwezigheid van) de gezagsverhouding tussen de werknemers en de BV. De rechtbank acht dit bewijsaanbod in strijd met de goede procesorde, en overweegt daartoe als volgt. De inspecteur heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat sprake was van uitlening van de werknemers door belanghebbende aan de BV. Belanghebbende heeft dat standpunt bestreden, vooral in zijn conclusie van repliek, waarbij hij uitdrukkelijk bestreed dat sprake was van een gezagsverhouding tussen de werknemers en de BV. Belanghebbende was zich aldus bewust van dit geschilpunt en het belang ervan. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende er op gewezen dat hij eventuele getuigen kon meebrengen. Hij heeft [getuige W] niet meegebracht. Had hij dat wel gedaan dan had de getuige tijdens het onderzoek ter zitting van 31 mei 2011 kunnen worden gehoord. De wijze waarop het onderzoek ter zitting is verlopen, kan geen verklaring zijn voor het laattijdige aanbod, nu al eerder het belang van het geschilpunt duidelijk was, ook voor belanghebbende. Onder deze omstandigheden weegt naar het oordeel van de rechtbank het algemeen belang van een doelmatige procesgang zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij het horen van de getuige, waarvoor een nieuwe zitting gehouden zou moeten worden nu belanghebbende de beoogde getuige niet had meegenomen naar de zitting.

Slotsom

4.17.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. M.R.T. Pauwels, rechters, en door de voorzitter en mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 juli 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.