Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR3879

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
224620 / HA ZA 10-1766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring derdenbeslag, procedure tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring ex artikel 477a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224620 / HA ZA 10-1766

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FFC VASTGOED BV,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. H.W. Kompagne,

tegen

de vennootschap onder firma

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. T. van Riel.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 januari 2011 en de daarin genoemde stukken;

- de akte uitlating na tussenvonnis van 16 februari 2011 zijdens eiseres, met producties genummerd 5 tot en met 7;

- de antwoordakte van 30 maart 2011 zijdens gedaagde, met één productie;

- de akte na antwoordakte van 27 april 2011 zijdens eiseres;

- de akte van 27 april 2011 zijdens gedaagde.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 26 januari 2011 een voorlopig oordeel uitgesproken, inhoudende dat de vordering van eiseres afgewezen dient te worden om reden dat gedaagde op dat moment niet meer werd vertegenwoordigd door een advocaat en derhalve geen gerechtelijke verklaring kon afleggen. Dit voorlopig oordeel is inmiddels achterhaald, nu er zich nadien een advocaat namens gedaagde heeft gesteld. Een en ander leidt ertoe dat het voorlopig oordeel als weergegeven in voormeld tussenvonnis thans niet meer wordt gehandhaafd.

2.2. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties staan de navolgende feiten in rechte vast:

a. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 1 juli 2009 van de rechtbank Utrecht zijn [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna te noemen: [vennoten]) veroordeeld om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 39.203,18, te vermeerderen met wettelijke rente daarover, alsmede een bedrag van in totaal EUR 3.624,00 aan proceskosten. [vennoten] zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.

b. Het Gerechtshof Amsterdam heeft voornoemd vonnis echter bij arrest van 11 mei 2010 bekrachtigd en voorts een aanvullende veroordeling uitgesproken waarbij [vennoten] zijn veroordeeld om een bedrag van EUR 24.861,50 aan eiseres te betalen. Tevens zijn [vennoten] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eiseres begroot op een bedrag van EUR 7.826,50.

c. Op grond van voornoemd arrest heeft eiseres op 9 juni 2010 ten laste van [vennoten] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder gedaagde, op al hetgeen zij als derde-beslagene verschuldigd mocht zijn en/of worden aan [vennoten]

d. De vervolgens op 6 juli 2010 door gedaagde opgestelde verklaring derdenbeslag vermeldt, voor zover relevant, dat op het tijdstip van beslaglegging tussen gedaagde en [vennoten] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [vennoten] op het tijdstip van het beslag nog iets van gedaagde had te vorderen, te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen. Deze verklaring derdenbeslag is ondertekend door zowel [vennoot 1] als [vennoot 2] in hun hoedanigheid van vennoten van gedaagde.

e. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 25 februari 2011 van de rechtbank Breda is eiseres – kort gezegd – bevolen om, bij wijze van dwangakkoord ex artikel 287a Fw, in te stemmen met de door [vennoten] aangeboden schuldregeling.

2.3. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat de door gedaagde afgelegde verklaring derdenbeslag van 6 juli 2010 leugenachtig dan wel op zijn minst onjuist is en derhalve vatbaar voor betwisting. Zij stelt dat, nu [vennoten] vennoten zijn van gedaagde, het niet anders kan zijn dan dat er een rechtsverhouding tussen hen bestaat of heeft bestaan. Voorts stelt eiseres dat [vennoten] in hun verzoekschrift ex artikel 287a Fw hebben verklaard dat hun reguliere inkomen onder meer bestaat uit ‘inkomsten uit eigen onderneming’. Derhalve is de door gedaagde afgelegde verklaring derdenbeslag leugenachtig dan wel op zijn minst onjuist en vatbaar voor betwisting als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv, aldus eiseres.

2.4. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat er destijds abusievelijk een verkeerd hokje is aangekruist waarna [vennoten] de verklaring derdenbeslag, vertrouwende op de expertise van de boekhouder, hebben ondertekend. Een en ander berust achteraf beschouwd op een verschrijving althans een misverstand. Voor het overige stelt gedaagde zich op het standpunt dat de vordering van eiseres afgewezen dient te worden, nu haar belang bij toewijzing van die vordering is komen te vervallen. Gedaagde verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2011 waarbij eiseres is bevolen in te stemmen met de door [vennoten] aangeboden schuldregeling.

2.5. Ten aanzien van de onderhavige vordering ex artikel 477a lid 2 Rv en de stellingen van partijen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.6. Eiseres is (als executant) bevoegd de door gedaagde (als derde-beslagene) afgelegde verklaring te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door gedaagde binnen twee maanden na haar verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan eiseres zal blijken toe te komen (artikel 477a lid 2 Rv). De rechtbank stelt vast dat eiseres binnen de gestelde termijn van twee maanden haar vordering heeft ingesteld zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.

2.7. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres nog alle belang heeft bij haar vordering ex artikel 477a lid 2 Rv. De inhoud van de afgelegde verklaring derdenbeslag vormt immers de enige grondslag voor een betalingsverplichting van gedaagde jegens eiseres en is eveneens bepalend voor de omvang van die betalingsverplichting. Gedaagde stelt weliswaar dat eiseres geen belang meer heeft bij haar vordering, maar het enkele feit dat eiseres bij vonnis van 25 februari 2011 is bevolen in te stemmen met een dwangakkoord maakt niet dat zij geen belang meer heeft bij een correcte verklaring derdenbeslag. [vennoten] zijn immers op grond van het dwangakkoord nog steeds een bedrag aan eiseres verschuldigd, waarvan betaling middels het derdenbeslag afgedwongen kan worden. In zoverre dient het verweer van gedaagde dan ook te worden verworpen.

2.8. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door gedaagde op 6 juli 2010 afgegeven verklaring derdenbeslag juist dan wel onjuist is. In beginsel rust op eiseres (als schuldeiser/beslaglegger) de bewijslast dat de afgegeven verklaring onjuist is, terwijl gedaagde als derde-beslagene gehouden is haar verklaring, inhoudende dat zij niets aan de debiteuren verschuldigd is, met zoveel mogelijk gegevens en bescheiden te staven (artikel 476a lid 2 Rv en artikel 476b lid 2 Rv).

2.9. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval genoegzaam is gebleken dat de door gedaagde op 6 juli 2010 afgelegde verklaring derdenbeslag onjuist is. Gedaagde stelt immers dat er ‘abusievelijk een verkeerd hokje is aangekruist’ en voorts dat de verklaring op een misverstand berust. Reeds op grond hiervan ligt de door eiseres gevorderde gerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 477a lid 2 BW voor toewijzing gereed.

2.10. De rechtbank zal de zaak dan ook naar de rol verwijzen opdat gedaagde alsnog een correcte verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a Rv kan overleggen van hetgeen op 9 juni 2010 onder het gelegde derdenbeslag is getroffen. Vervolgens krijgt eiseres de gelegenheid om daarop bij antwoordakte te reageren, waarna de rechtbank ingevolge artikel 477a lid 2 Rv zal vaststellen of en, zo ja, welk bedrag aan eiseres als executant toekomt.

2.11. In afwachting van het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 6 juli 2011 voor het nemen van een conclusie tot overlegging van een verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a Rv door gedaagde, een en ander conform hetgeen in rechtsoverweging 2.10. is overwogen,

3.2. verstaat dat eiseres daarna een termijn van vier weken zal worden gegund om daarop bij antwoordakte te reageren,

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.