Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR2744

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
237611 HA RK 11-125
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in zaak 02/810885-11 wordt afgewezen. Naar het oordeel van de wrakingskamer leidt de geschetste miscommunicatie niet tot (de schijn van) vooringenomenheid van de strafkamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Wrakingskamer

Procedurenummer: 237611 HA RK 11-125

Uitspraakdatum: 22 juli 2011

Beslissing inzake het wrakingsverzoek, ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, van:

[verdachte],

thans gedetineerd in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda,

verzoeker,

advocaat: mr. R.W.J.H.A. Neijndorff te Breda.

1. Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het wrakingsverzoek zoals dit blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juli 2011;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 11 juli 2011;

- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 20 juli 2011.

2. Het verzoek

2.1. Het verzoek strekt tot wraking van de meervoudige strafkamer (hierna: strafkamer). De leden van de strafkamer berustten niet in de wraking.

2.2. Verzoeker is niet in persoon verschenen. Zijn raadsman, mr. Neijndorff (hierna: de raadsman) wel. Twee van de strafkamer-leden zijn verschenen alsmede de Officier van Justitie.

2.3. Tijdens de zitting van de wrakingskamer is de bode die dienst deed tijdens de terechtzitting van de strafkamer van 7 juli 2011, als getuige gehoord.

3. Motivering

Feiten

3.1. In de strafzaak met parketnummer 02/810885-11 wordt verzoeker onder meer ten laste gelegd dat hij een gewapende overval heeft gepleegd. De verdenking is volgens verzoeker mede gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer, [benadeelde partij].

3.2. Daags vóór de zitting, bij fax van 6 juli 2011, heeft de raadsman zijn voorlopige onderzoekswensen kenbaar gemaakt aan de strafkamer. In deze fax wordt geen melding gemaakt van een verzoek om [benadeelde partij] als getuige te horen.

3.3. Vóór aanvang van de terechtzitting, op 7 juli 2011, heeft de raadsman zich bij de bode gemeld. De bode heeft hem gevraagd of er bezwaar bestond tegen aanwezigheid van [benadeelde partij] en haar vader ter terechtzitting.

3.4. De raadsman heeft hierop geantwoord, dat zijn cliënt zwakbegaafd is en dat hij onder meer van gevoelige (zeden)zaken wordt verdacht, dat cliënt het als zeer zwaar zal ervaren als [benadeelde partij] ter terechtzitting aanwezig is en dat hij zich hierdoor bezwaard zal voelen om vrijuit te spreken. De raadsman had dus bezwaar en de bode heeft zich teruggetrokken om dit te melden aan de strafkamer.

3.5. Korte tijd later kwam de bode bij de raadsman terug met de mededeling, dat de rechtbank wilde weten waarom de raadsman bezwaar had tegen aanwezigheid van deze benadeelde partij en haar vader; hierop heeft de raadsman de redengeving medegedeeld zoals vervat in 3.4. Hierop is de bode wederom naar de strafkamer gegaan, waarop hij even later terugkwam en de raadsman berichtte, dat beiden wèl in de zittingzaal mochten plaatsnemen en dat het bezwaar dus gepasseerd werd.

3.6. Nadat de raadsman in de zittingzaal werd toegelaten, zag hij dat [benadeelde partij] en haar vader in de zittingzaal plaatsnamen. Daarop heeft de raadsman de bode nogmaals gevraagd de strafkamer uitdrukkelijk te verzoeken [benadeelde partij] niet in de zittingzaal toe te laten. De raadsman voegde daaraan toe dat een eventuele getuigenis van [benadeelde partij] over het signalement van de dader nutteloos zou worden in het geval zij verdachte tevoren in de zaal zou hebben gezien. Voorts maakte de raadsman bezwaar tegen de omstandigheid dat hij zijn bezwaren niet ter zitting aan de strafkamer had kunnen toelichten.

3.7. De bode heeft zich vervolgens – ten derde male – naar de raadkamer begeven waar de strafkamer aanwezig was. Toen hij terugkeerde in de zittingzaal deelde hij de advocaat mee dat de strafkamer bij haar beslissing bleef.

3.8. Ter zitting voert de raadsman aan dat hij diezelfde morgen, na herlezing van het dossier, besloten heeft om [benadeelde partij] te zijner tijd mogelijk als getuige te laten horen. Vervolgens herhaalt hij zijn verzoek om [benadeelde partij] niet bij de terechtzitting aanwezig te laten zijn, ook al heeft zij verzoeker reeds gezien.

3.9. De voorzitter van de strafkamer heeft toen medegedeeld, dat de bode had doorgegeven dat er bij de raadsman bezwaar bestond tegen de aanwezigheid van [benadeelde partij] ter terechtzitting omdat verzoeker zwakbegaafd is en hij zich niet prettig zou voelen bij bedoelde aanwezigheid. De voorzitter deelde mee dat de rechtbank hierin geen reden heeft gezien om [benadeelde partij] niet toe te laten bij aanvang van de terechtzitting. Pas ter terechtzitting vernam de strafkamer het argument dat de raadsman haar mogelijk als getuige wilde horen in verband met het signalement van verzoeker. De rechtbank heeft zich toen teruggetrokken in raadkamer om zich te beraden op dit verzoek en vervolgens als haar beslissing ter zitting medegedeeld, kort gezegd, dat het verzoek tot ontzegging van de toegang van [benadeelde partij] wordt afgewezen.

3.10. De raadsman heeft hierop de strafkamer gewraakt en medegedeeld dat hij zijn wrakingsverzoek nog schriftelijk zal formuleren.

Wrakingsgronden

3.11. Verzoeker stelt dat, door de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de terechtzitting is gebleken dat de strafkamer de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De strafkamer heeft informeel beslist op zijn verzoek om [benadeelde partij] niet ter terechtzitting toe te laten, zonder hem en de officier van justitie te horen omtrent hun standpunten. Voorts heeft de strafkamer onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat de voorlopige onderzoekswensen van de raadsman zouden worden aangevuld. Hierdoor is een mogelijke onderzoekswens gefrustreerd.

Juridisch kader

3.12. Gelet op artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.13. Bij de beoordeling van een verzoek om wraking dient, volgens vaste jurisprudentie, voorop gesteld te worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Overwegingen

3.14. In alinea 12 juncto 14 van de schriftelijke nadere toelichting van de advocaat wordt beargumenteerd, dat de strafkamer in strijd heeft gehandeld met artikel 329 van het Wetboek van Strafvordering en met beginselen van een behoorlijke procesorde door te handelen zoals zij heeft gedaan.

De raadsman miskent met deze argumenten, dat niet iedere niet-naleving van regels van strafprocesrecht tot de situatie leidt van schade aan de rechterlijke onpartijdigheid; al aangenomen, dat de rechtbank één of meer van dergelijke regels niet correct zou hebben nageleefd dan hangt het van de in alinea 3.12 bedoelde feiten en omstandigheden af of een wrakingsverzoek doel kan treffen.

Als juist is, dat de rechtbank voorafgaand aan de aanvang van de terechtzitting, geconfronteerd met een onderbouwd verzoek van de raadsman om een benadeelde partij niet toe te laten tot de terechtzitting in verband met diens wens om haar als getuige te laten horen, specifiek op het punt van het signalement, niettemin toch besluit tot toelating zonder de Officier van Justitie of raadsman te horen zou dat naar de mening van de wrakingskamer reden kunnen zijn om te twijfelen aan de afwezigheid van schijn van partijdigheid.

Zoals hierna overwogen heeft zich evenwel die situatie niet voorgedaan.

3.15. De wrakingskamer stelt voorop dat in de in 3.2 genoemde fax, die een dag voor de terechtzitting aan de rechtbank is verzonden, het horen van [benadeelde partij] als getuige niet als onderzoekswens is geformuleerd. De raadsman heeft verklaard dat hij op 7 juli 2011, in de morgen, er voor heeft gekozen om [benadeelde partij] eventueel toch als getuige te horen. De terechtzitting ving aan om 15.45 uur.

3.16. De raadsman heeft niet, tussen het moment van die keuze om [benadeelde partij] eventueel als getuige te horen en de aanvang van de terechtzitting, per fax, mail of anderszins de rechtbank op de hoogte gesteld van die keuzewijziging. Door te kiezen voor mondelinge communicatie via de bode pal vóór de terechtzitting is door de raadsman zelf een risico op miscommunicatie in het leven geroepen. Deze door de raadsman gekozen wijze van communiceren komt dan ook niet, zoals door de raadsman betoogd, voor risico van de rechtbank.

3.17. De bode, die door de wrakingskamer als getuige is gehoord, heeft verklaard dat hij pas bij het laatste verzoek van de raadsman, om [benadeelde partij] niet ter terechtzitting toe te laten, te horen kreeg dat zij misschien als getuige zou moeten worden gehoord over het signalement van de dader. De bode heeft verklaard dat hij in raadkamer aan de strafkamer heeft doorgegeven, dat de raadsman [benadeelde partij] er ter terechtzitting niet bij wilde hebben in verband met een mogelijke omschrijving van het signalement van de dader en dat hij om die reden [benadeelde partij] en haar vader uit voorzorg weer uit de zaal had verwijderd. De bode heeft tot slot verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij van de strafkamer, nadat hij het verzoek voor de laatste maal had overgebracht, enige instructie heeft gekregen over de aan- dan wel afwezigheid van [benadeelde partij] ter terechtzitting.

3.18. De ter wrakingszitting aanwezige leden van de strafkamer verklaarden – op dit punt bevraagd – dat de boodschap van de bode niet volledig bij hen is doorgekomen. Zij meenden dat het verzoek (nog steeds) enkel was gestoeld op de psychische problemen die verdachte zou hebben met de aanwezigheid van [benadeelde partij] ter terechtzitting. In elk geval hebben deze leden van de strafkamer in de boodschap van de bode geen aanknopingspunt gehoord om nadere informatie in te winnen, zich nader te beraden of anderszins een beslissing te nemen die kon voorkomen, dat de benadeelde partij het uiterlijk van verzoeker te zien zou krijgen.

3.19. De wrakingskamer heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de bode en is van oordeel dat de strafkamer wellicht beter naar de bode had moeten luisteren en, bij eventuele twijfel over de inhoud van het verzoek, meer had moeten doorvragen. De wrakingskamer betreurt het dat dit niet is geschied en als gevolg daarvan miscommunicatie is ontstaan tussen strafkamer en raadsman.

3.20. Anderzijds echter heeft de wrakingskamer ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de strafkamer als zij stelt dat het verzoek niet volledig bij hen is doorgekomen, in elk geval niet met die portee als de raadsman kennelijk aan de bode heeft willen overbrengen. Daarbij neemt de wrakingskamer mede in aanmerking dat aan de bode, na het laatste verzoek, geen duidelijke instructie is meegegeven over de aanwezigheid van [benadeelde partij] ter terechtzitting. Een dergelijke instructie immers had voor de hand gelegen in het geval die portee was overgekomen bij de leden van de strafkamer.

3.21. Naar het oordeel van de wrakingskamer leidt de geschetste miscommunicatie niet tot (de schijn van) vooringenomenheid van de strafkamer. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2011 door mr. G.J.E. Poerink, voorzitter, mr. D. Hund en mr. E.J.G. Eijssen-Vruwink, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.