Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR2537

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
236509 / KG ZA 11-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen schending bereddingsplicht (art. 7:957 BW); toewijzing voorschot schadeuitkering o.g.v. verzekeringsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 236509 / KG ZA 11-339

Vonnis in kort geding van 21 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESTRAEDE VASTGOED BV,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. H.L. Duijm,

tegen

naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN NV, per 20 februari 2011 gefuseerd met NV INTERPOLIS SCHADE h.o.d.n. INTERPOLIS

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert.

Partijen zullen hierna Estraede en Interpolis genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 juni 2011, met producties 1 tot en met 18;

- de bij brief van 7 juli 2011 in het geding gebrachte producties 19 tot en met 21 zijdens Estraede;

- de bij brief van 8 juli 2011 in het geding gebrachte producties 1 tot en met 11 zijdens Interpolis;

- de mondelinge behandeling van 13 juli 2011;

- de pleitnota van Estraede;

- de pleitnota van Interpolis.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1 Estraede vordert samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Interpolis te veroordelen tot betaling van een bedrag van Euro 230.000,- aan schadevergoeding, dan wel een in goede justitie te bepalen voorschot op de door Estraede geleden schade, vermeerderd met rente en kosten.

2.2 Interpolis voert verweer.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten.

- Estraede is eigenaar van het In- en Outdoor Center “De Uithof” te ’s-Gravenhage (hierna: De Uithof).

- Tot 1 juni 2010 exploiteerde Uithof Haaglanden BV (hierna: Haaglanden) in De Uithof onder meer een schaatsbaan, skibaan en ijshockey hal. Estraede heeft per 1 september 2010 De Uithof verhuurd aan Sporttainment Center De Uithof BV (hierna: Sporttainment).

- Estraede heeft met Interpolis een verzekeringsovereenkomst gesloten (Bedrijven Compact Polis MKB) op grond waarvan het gebouw, de inventaris, materieel alsmede bedrijfsaansprakelijkheid en milieuschade op basis van de verzekeringsvoorwaarden zijn verzekerd.

- In de verzekeringsvoorwaarden is in hoofdstuk 1 “Gebouwen” in § 4 “Waterschade en overige gevaren” ter zake de omvang van de verzekering - voor zover thans relevant - bepaald: “Wij [lees: Interpolis, toevoeging Rb.] verzekeren - afhankelijk van wat op het verzekeringsbewijs is aangegeven - het gebouw en/of het huurdersbelang tegen schade die veroorzaakt is door:

(…)

hagel, sneeuwdruk of wateraccumulatie, alsmede neerslag die onvoorzien het gebouw is binnengedrongen;

(…).”

- In de verzekeringsvoorwaarden is in hoofdstuk 2 “Bedrijfsmiddelen” in § 4 “Waterschade en overige gevaren” ter zake de omvang van de verzekering - voor zover thans relevant - bepaald: “Wij [lees: Interpolis, toevoeging Rb.] verzekeren - afhankelijk van wat op het verzekeringsbewijs is aangegeven - de inventaris en/of voorraad en/of inboedel aanwezig in het gebouw tegen schade die veroorzaakt is door:

(…)

hagel, sneeuwdruk of wateraccumulatie, alsmede neerslag die onvoorzien het gebouw is binnengedrongen;

(…).”

- In De Uithof werd ter overkapping van een ijsbaan van 400 meter een schermdoek geplaatst. Dit schermdoek was niet bestand tegen sneeuwdruk en was om die reden voorzien van een beveiliging waarbij het schermdoek automatisch werd geopend bij sneeuwval.

- Op 22 december 2009 is voornoemde schermdoekconstructie ten gevolge van sneeuwdruk bezweken en heeft Interpolis aan Estraede de door haar dientengevolge geleden materiële schade vergoed.

- Onder de oorspronkelijke schermdoekconstructie bevindt zich een grote tent van 65 x 30 meter over de zogenaamde funrink (zijnde het middengebied van de ijsbaan) die deze funrink beschermt tegen weersinvloeden. Bij gebreke van het schermdoek staat deze tent bloot aan de weersinvloeden.

- In januari 2010 heeft Haaglanden heaters gehuurd en deze in de tent laten plaatsen ter voorkoming van een eventuele instorting van de tent ten gevolge van sneeuwdruk. De destijds nog niet bekende maximaal toegestane sneeuwlast op de tent was niet overschreden. De kosten van de huur van deze heaters bedroegen circa Euro 16.000,-, welke kosten door Interpolis niet zijn vergoed.

- Eind januari 2010 heeft de heer [naam] van Haaglanden bij de leverancier van de tent - te weten de firma Veldeman te Bree, België - geïnformeerd naar de sneeuwbelasting die de tent aankan.

- Bij emailbericht van 1 februari 2010 heeft Veldeman aan een medewerker van de technische dienst van Haaglanden, te weten de heer [naam], geschreven:

“De maximale toegelaten sneeuwlast op het dak van de hal bedraagt 20 kg/m2. Dit komt overeen met ongeveer 8 cm sneeuw op de grond gemeten. Vanaf 8 cm sneeuw dient de sneeuw op de tenthal verwijderd te worden. Dit is noodzakelijk om aan alle technische eisen te blijven voldoen. Men kan dit doen door ofwel de hal te verwarmen (in uw geval waarschijnlijk niet mogelijk) of door de sneeuw van het dak te verwijderen.”

- Op 4 december 2010 is de tent omstreeks 21:00 uur (gedeeltelijk) ingestort, ten gevolge waarvan Estraede schade heeft geleden.

- Op 19 januari 2011 heeft de heer [naam], registerexpert toedrachtonderzoek van Interpolis, tezamen met Estraede de situatie ter zake van de ingestorte tent besproken, van welk gesprek op 26 januari 2011 een gespreksnotitie is gemaakt. - In opdracht van Interpolis heeft Meteo Vista de hoeveelheid neerslag en de neerslagsoort in relatie tot het mogelijke sneeuwdek en de mogelijke sneeuwdruk onderzocht over de periode 29 november tot en met 4 december 2010 om 21:00 uur. Zij heeft ter beoordeling van de hoeveelheid sneeuw gebruik gemaakt van de weerwaarnemingen van weerstation “Vliegveld Valkenburg” te Leiden. Haar bevindingen heeft zij neergelegd in een rapportage van 21 februari 2011. Onder het kopje “Conclusie” staat vermeld:

“Op 4 december 2010 om 21:00 uur lokale tijd lag er in Den Haag bij benadering een sneeuwdek van ongeveer 8 cm. De sneeuw die er lag was vrij nat, doordat er overdag een kleine hoeveelheid ijzel/regen op het aanwezige sneeuwdek viel en doordat de sneeuw in de avond viel bij temperaturen rond het vriespunt. De 4 cm sneeuw die er op de ochtend van de 4e december al lag, viel in de voorgaande dagen bij temperaturen onder het vriespunt. Deze sneeuw, die ook door een veel koudere luchtlaag viel, zal een lager vochtgehalte hebben gehad. De totale aanwezige hoeveelheid sneeuw van 8 cm zal bij elkaar genomen de eigenschappen hebben gehad van plaksneeuw tot natte sneeuw, met een mogelijk gewicht van 400 kg per kubieke meter sneeuw.”

- Bij brief van 22 februari 2011 heeft Interpolis aan Estraede - samengevat - geschreven dat zij niet tot vergoeding overgaat van de schade die Estraede ten gevolge van de ingestorte tent heeft geleden.

3.2. Estraede grondt haar vordering op de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst, stellende dat er zich een onder de dekking van de polis vallende schadegebeurtenis heeft voorgedaan en dat Interpolis gehouden is om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Estraede betwist dat zij ten onrechte heeft nagelaten bereddingsmaatregelen te nemen. Zij stelt daartoe dat het vóór 4 december 2010 niet voorzienbaar was dat er meer sneeuw zou gaan vallen dan het tentdak zou kunnen dragen, te weten 8 cm of meer. Voorts geeft Estraede aan dat er zich in de dagen tot en met 4 december 2010 geen sneeuwdek van 8 cm heeft gevormd in Den Haag, en derhalve evenmin op het tentdak. Volgens Estraede is de tent ook niet uitsluitend ten gevolge van de sneeuwdruk bezweken, maar hebben daarnaast factoren als regen en lage temperaturen een rol gespeeld, waardoor de natte en dus zwaardere sneeuw naar de zijkanten van de tent in de goten is geschoven en de tent (gedeeltelijk) is bezweken. Bovendien zijn de te nemen bereddings-maatregelen ter voorkoming van het instorten van de tent bij te grote sneeuwdruk kostbaar en tijdrovend, aldus Estraede. Zij wijst in dat verband op de kosten van de huur van heaters van circa Euro 16.000,- alsmede op het feit dat het afbreken van de tent twee dagen in beslag neemt en er voorts sprake is van omzetderving. In de visie van Estraede kan derhalve niet van haar worden gevergd dat zij lichtvaardig tot het treffen van deze maatregelen overgaat. Volgens Estraede bedraagt haar schade ten gevolge van het instorten van de tent een bedrag van Euro 231.004,16 dat door Interpolis vergoed dient te worden. Ten slotte geeft Estraede aan een spoedeisend belang bij haar vordering te hebben.

3.3. Interpolis betwist dat zij gehouden is tot vergoeding van de door Estraede geleden schade wegens het instorten van de tent. Zij voert daartoe aan dat Estraede haar bereddingsplicht niet is nagekomen. Volgens Interpolis heeft er zich in Den Haag in de dagen tot en met 4 december 2010 een sneeuwdek van 8 cm gevormd en is de tent bezweken ten gevolge van het bereiken van deze maximaal toegestane sneeuwdruk op het tentdak. Interpolis meent dat Estraede op grond van het instorten van de schermdoekconstructie in december 2009 bekend was - althans behoorde te zijn - met de gevaren van sneeuwdruk, waaronder het instortingsgevaar zoals zich dat op 4 december 2010 heeft verwezenlijkt. Voorts wijst Interpolis erop dat het reeds enige dagen had gesneeuwd en de weersvooruitzichten nog meer sneeuw voorspelden, zodat Estraede van het ophanden zijnde risico op de hoogte was, althans kon zijn. Onder die omstandigheden had Estraede aan haar huurder Sporttainment duidelijke instructies behoren te geven ter voorkoming van de schade, aldus Interpolis. Volgens Interpolis was Estraede volledig op de hoogte van de situatie ter plaatse en was zij ook in de gelegenheid om schadevoorkomende maatregelen te treffen. Interpolis geeft aan dat in het geval de huurder Sporttainment de bereddingsplicht niet is nagekomen, zulks aan Estraede moet worden toegerekend aangezien deze huurder als hulppersoon bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst optreedt. Voorts meent Interpolis dat de onderhavige tent moet worden beschouwd als een roerende zaak en deze mitsdien als inventaris is verzekerd. Ten slotte betwist Interpolis de door Estraede gestelde omvang van de door haar geleden schade alsmede het spoedeisend belang.

3.4. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

3.5. Estraede stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering omdat zij uit hoofde van de huurovereenkomst met Sporttainment bij aanvang van het nieuwe schaatsseizoen per 1 september 2011 een nieuwe tent op de funrink geplaatst dient te hebben, bij gebreke waarvan deze funrink niet kan worden gebruikt. Estraede geeft aan dat zij thans financieel niet in staat is om de aankoop en montage van een nieuwe tent uit eigen middelen te kunnen bekostigen. Interpolis betwist dat Estraede een spoedeisend belang heeft bij haar vordering omdat de nieuwe tent niet geplaatst kan worden zolang het zich daarboven bevindende schermdoek niet is aangebracht, hetgeen nog geruime tijd kan duren. Dit verweer van Interpolis slaagt niet. Estraede heeft immers ter zitting onweersproken gesteld dat zij thans doende is een nieuwe schermdoekconstructie aan te brengen, zodat de nieuwe tent op korte termijn kan worden geplaatst. Nu Interpolis het spoedeisend belang overigens niet (gemotiveerd) heeft betwist, is daarvan genoegzaam gebleken. Aangezien door Interpolis niet is aangevoerd dat er sprake is van een restitutierisico, noch anderszins is gebleken dat er een reële dreiging van onmogelijkheid tot terugbetaling bestaat, staat zulks evenmin aan toewijzing van de vordering in de weg.

3.6. Interpolis betwist dat er zich een door de verzekeringsovereenkomst gedekte schadegebeurtenis heeft voorgedaan, omdat Estraede zelf stelt dat de schade niet enkel is veroorzaakt door sneeuwdruk, terwijl er enkel sprake kan zijn van dekking indien de schade het gevolg is van sneeuwdruk. Dit verweer treft geen doel. In de verzekeringsvoorwaarden is bepaald dat - ongeacht of de tent als een roerende of een onroerende zaak moet worden beschouwd - schade wordt vergoed die het gevolg is van “hagel, sneeuwdruk of wateraccumulatie, alsmede neerslag die onvoorzien het gebouw is binnengedrongen.” Uit deze bepaling vloeit voort dat, ook indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de tent is bezweken ten gevolge van de door Estraede gestelde combinatie van factoren zoals sneeuwdruk, regen en lage temperaturen, zulks onder de dekking van de polisvoorwaarden valt. Het verweer, dat schade veroorzaakt door neerslag niet is gedekt als die schade het gevolg is van een constructiefout, kan Interpolis evenmin baten, nu gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake zou zijn van een constructiefout. Gezien het vorenstaande, dient dan ook voorshands te worden geconcludeerd dat er zich een schadegebeurtenis heeft voorgedaan die onder de dekking van de polis valt. Daarbij is niet van belang of de tent als een (on)roerende zaak moet worden beschouwd, aangezien zulks enkel relevant is ter bepaling van de hoogte van de schadeuitkering, doch niet voor de dekking als zodanig.

3.7. Ter zake van de bereddingsplicht bepaalt artikel 7:957 lid 1 BW dat de verzekeringsnemer of verzekerde, ieder naar mate zij daartoe in de gelegenheid zijn, verplicht is om, zodra zij van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte zijn, binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden. Hierbij dient als maatstaf te worden gehanteerd de behoorlijke en redelijk handelende verzekeringsnemer of verzekerde, terwijl voorts met alle omstandigheden van het geval rekening moet worden gehouden. De verzekerde mag bij de beoordeling van het ophanden zijnde risico in beginsel afgaan op het advies van deskundigen, tenzij de verzekerde wist of behoorde te weten dat dit advies niet op deugdelijke gronden berustte. In lid 3 van voornoemd wetsartikel wordt bepaald dat indien de verzekerde deze bereddingsplicht niet is nagekomen, de verzekeraar de uitkering kan verminderen met de schade die hij daardoor lijdt. In het licht van vorenoverwogene dient derhalve beoordeeld te worden of Estraede bekend was, dan wel behoorde te zijn, met het ophanden zijn van het zich verwezenlijkte risico, te weten het instorten van de tent ten gevolge van (onder meer) sneeuwdruk.

3.8. Bij de beantwoording van de vraag of Estraede bekend was, dan wel behoorde te zijn, met het ophanden zijnde risico, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Vast staat dat de betreffende tent in 2003 door Estraede is aangekocht en geïnstalleerd. Voorts staat vast dat deze tent reeds vanaf dat moment heeft blootgestaan aan sneeuwval, aangezien het tot 22 december 2009 aanwezige schermdoek was voorzien van een beveiliging waarbij dit doek automatisch werd geopend bij sneeuwval. Tevens is in confesso dat in januari 2010 heaters zijn gehuurd ter voorkoming van een eventuele instorting van de tent ten gevolge van sneeuwdruk, doch dat zulks achteraf gezien onnodig was omdat de aanwezige sneeuw op het tentdak niet de - destijds nog onbekende - kritische belastingsgrens van 20 kg/m2 ofwel 8 cm sneeuw vanaf de grond gemeten had bereikt. Uit het vorenstaande vloeit voort, dat vanaf de plaatsing van de tent in 2003 tot aan december 2010 sneeuwval geen reëel instortingsgevaar voor de tent met zich heeft gebracht.

3.8.1. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de tentleverancier op 1 februari 2010 heeft kenbaar gemaakt dat de maximale toegelaten sneeuwlast op het tentdak 20 kg/m2 bedraagt, hetgeen overeenkomt met ongeveer 8 cm sneeuw op de grond gemeten. Nu gesteld noch gebleken is dat deze richtlijn niet op deugdelijke gronden berustte, geldt dat Estraede bij de beoordeling van het ophanden zijnde risico in beginsel mocht afgaan op deze richtlijn. Tussen partijen is in geschil of op 4 december 2010 zich in Den Haag een sneeuwdek had gevormd van 8 cm. Indien er zich in Den Haag op 4 december 2010 geen sneeuwdek had gevormd van 8 cm, geldt dat Estraede - gezien de richtlijn van de tentleverancier - niet bekend was of behoorde te zijn met het ophanden zijn van het zich verwezenlijkte risico, temeer niet, nu in de voorafgaande jaren sneeuwval geen reëel instortingsgevaar voor de tent met zich heeft gebracht. Onder die omstandigheden heeft er derhalve geen bereddingsplicht op Estraede gerust. Hetzelfde geldt indien er vanuit wordt gegaan dat de tent is bezweken ten gevolge van een combinatie van sneeuwdruk onder voornoemde kritische belastingsgrens en een verzwaring van die druk ten gevolge van regenval en lage temperaturen, nu Estraede ook in dat geval het instortingsgevaar niet behoefde te kennen. Interpolis kan niet in haar betoog worden gevolgd dat Estraede bekend was of behoorde te zijn met het instortingsgevaar wegens sneeuwdruk omdat het schermdoek in december 2009 aan sneeuwdruk was bezweken. Vast staat immers dat ten aanzien van het schermdoek bekend was dat dit doek niet tegen sneeuwdruk bestand was, terwijl de onderhavige tent wel tegen (een maximale) sneeuwlast bestand was.

3.8.2. Interpolis stelt zich op het standpunt dat er zich op 4 december 2010 in Den Haag wel een sneeuwdek had gevormd van 8 cm en beroept zich hierbij op de bevindingen van Meteo Vista. Estraede heeft de stellingen van Interpolis gemotiveerd weersproken, stellende dat er slechts sprake was van een sneeuwdek van enkele centimeters, doch niet van 8 cm. Estraede wijst ter onderbouwing van haar stelling op de door haar overgelegde weersberichten uit het Algemeen Dagblad, regio Den Haag, alsmede op de KNMI gegevens betreffende de dagen voorafgaand aan 4 december 2010 en die dag zelf. Voorts geeft zij aan dat Meteo Vista zich heeft gebaseerd op gegevens afkomstig van het weerstation “Vliegveld Valkenburg” te Leiden dat op 33 km afstand van De Uithof is gelegen, zodat deze gegevens geen betrouwbaar beeld weergeven van het sneeuwdek te Den Haag gelet op het lokale karakter van de sneeuwval. Tevens wijst Estraede op de door haar overgelegde foto’s welke kort na het instorten van de tent op 4 december 2010 zijn genomen en waarop zichtbaar is dat er zich weliswaar sneeuw op de tent bevindt, doch minder dan een sneeuwlaag van 8 cm. Hoewel het, mede gelet op de inhoud van de door Estraede in het geding gebrachte producties en haar stellingen dienaangaande, voorshands weinig aannemelijk is dat er zich in Den Haag op 4 december 2010 een sneeuwdek bevond van circa 8 cm, kan zulks niet in kort geding worden vastgesteld, nu een kort geding procedure zich niet leent voor uitgebreide bewijsvoering, al dan niet middels getuigenbewijs.

3.8.3. Indien er vanuit wordt gegaan dat er zich in Den Haag op 4 december 2010 omstreeks 21:00 uur inderdaad een sneeuwdek bevond van circa 8 cm en de tent enkel ten gevolge van deze sneeuwdruk is bezweken, dient ter zake de bereddingsplicht te worden beoordeeld of Estraede wist of behoorde te begrijpen dat ten gevolge van de sneeuwval het sneeuwdek op de tent de maximale belastingsgrens zou kunnen bereiken. Deze vraag dient voorshands ontkennend te worden beantwoord. Uit de overgelegde weersvoorspellingen van het KNMI en uit het Algemeen Dagblad blijkt - samengevat - dat voor de dagen tot en met 4 december 2010 overwegend lichte sneeuwval van enkele centimeters en sneeuwbuien worden voorspeld, die lokaal soms een stevig karakter kunnen hebben. Uit deze gegevens vloeit onvoldoende voort dat ter plaatse van Den Haag terdege rekening moest worden gehouden met een sneeuwdek dat op 4 december 2010 heeft kunnen cumuleren tot circa 8 cm, mede gelet op het lokale karakter van de sneeuwval. De betreffende weersvooruitzichten waren derhalve onvoldoende prangend van aard om tot bereddingsmaatregelen aanleiding te geven. Dit geldt temeer, nu in de voorafgaande zeven jaren sneeuwval geen reëel instortingsgevaar voor de tent met zich heeft gebracht. Daarbij komt, dat de te nemen bereddings-maatregelen in een dergelijke situatie zowel tijdrovend als kostbaar zijn, zodat daartoe pas behoeft te worden overgegaan indien zich een reële dreiging van instortingsgevaar wegens sneeuwdruk voordoet. Als onweersproken staat immers vast dat het afbreken van de onderhavige tent twee dagen in beslag neemt, het huren en plaatsen van heaters kosten met zich brengen van circa Euro 16.000,- en sprake zal zijn van omzetderving. Dit terwijl de kosten van de reeds eerder getroffen bereddingsmaatregelen middels het plaatsen van heaters - die achteraf bezien niet nodig bleken te zijn - destijds niet door Interpolis zijn vergoed. Het vorenoverwogene brengt met zich dat - ook uitgaande van een situatie waarin zich in Den Haag op 4 december 2010 een sneeuwdek van circa 8 cm bevond - er geen bereddingsplicht op Estraede heeft gerust.

3.9. Nu voorlopig oordelend moet worden geconcludeerd dat op Estraede geen bereddingsplicht heeft gerust, kan Interpolis niet op basis van artikel 7:957 lid 3 BW de uitkering verminderen met de schade die zij door niet-nakoming van de bereddingsplicht lijdt. Interpolis is derhalve in beginsel gehouden tot vergoeding van de door Estraede geleden schade.

3.10. Bij de beoordeling van de omvang van de te vergoeden schade, is van belang of de tent als een (on)roerende zaak moet worden beschouwd, aangezien tussen partijen vast staat - samengevat - dat bij onroerende zaken de herbouw- / vervangingswaarde wordt vergoed, terwijl bij roerende zaken de nieuwwaarde dan wel de dagwaarde wordt vergoed, één en ander conform de polisvoorwaarden. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige tent als een roerende of een onroerende zaak moet worden aangemerkt. Artikel 3:3 BW bepaalt - samengevat - dat als een onroerende zaak moet worden beschouwd gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Zulks dient aan de hand van objectieve maatstaven te worden bepaald, waarbij het er om gaat of het bouwsel naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. In dat kader is mede de omvang van de constructie van belang. In het onderhavige geval is de tent te beschouwen als een “werk” in de zin van voornoemd wetsartikel, waarvan vast staat dat zij vanaf 2003 op de funrink van de ijsbaan is geplaatst en professioneel wordt geëxploiteerd. Voorst staat vast dat deze tent een omvang heeft van 65 x 30 meter en van een stevige fundering is voorzien doordat zij middels metalen platen - en wellicht betonnen poeren - aan de vloer is bevestigd. Ten slotte staat vast dat de tent niet op eenvoudige wijze is af te breken en te verwijderen, nu zulks twee dagen in beslag neemt. Deze feitenconstellatie geeft aanleiding om voorshands te concluderen dat de onderhavige tent een onroerende zaak betreft, waarvan conform de verzekerings-voorwaarden de herbouw-/vervangingswaarde dient te worden vergoed. Derhalve geldt dat het verweer van Interpolis, dat de schade die Estraede lijdt in de vorm van huurderving niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de polis omdat de tent geen onroerende zaak is maar behoort tot de bedrijfsinventaris, geen doel treft. Zulks geldt eveneens voor het verweer ten aanzien van de omvang van de schade ter zake de nieuwwaarde dan wel de dagwaarde van de tent als roerende zaak.

3.11. Estraede stelt dat haar schade ten gevolge van de instorting van de tent Euro 231.004,16 bedraagt en bestaat uit de kosten van vervanging van de tent, huurschade en kosten van reparaties van schade aan het gehuurde. Zij heeft haar schade onderbouwd middels het overleggen van offertes (productie 15, 17 en 18) alsmede door het overleggen van een specificatie van de huurschade (productie 16). Met betrekking tot de specificatie van de huurschade voert Interpolis aan dat de kantonrechter te ’s-Gravenhage de huurder van Estraede heeft veroordeeld om de gestaakte huurbetalingen te hervatten. Dit verweer kan Interpolis niet baten nu zulks niet het onderhavige geschil regardeert. Ten aanzien van de offertes geldt dat Interpolis ter comparitie onweersproken heeft gesteld, dat partijen conform de verzekeringsvoorwaarden hebben afgesproken de schade ieder door een expert te laten vaststellen, doch dat Estraede tot dusver heeft nagelaten om voor de verdere afwikkeling daarvan zorg te dragen. Nu als onweersproken vast staat, dat pas tot uitkering van de schade kan worden overgegaan nadat experts hebben vastgesteld wat de omvang van de schade is, kan de gevorderde schadevergoeding in de onderhavige kort geding procedure niet worden toegewezen. Zulks staat echter niet aan toekenning van een voorschot bij wege van een voorlopige voorziening in de weg. Bij de bepaling van de omvang van dit voorschot is van belang dat de overgelegde offertes door Interpolis overigens niet (gemotiveerd) zijn betwist, zodat in beginsel van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Ten aanzien van de offerte van Aveq Sales ad Euro 16.985,43 (productie 17) geldt echter dat deze betrekking heeft op - samengevat - (geluids)apparatuur, hetgeen moet worden beschouwd als een roerende zaak waarvan op grond van de polis niet de nieuwwaarde doch de dagwaarde vergoed dient te worden. Om die reden zal deze offerte bij de begroting van het voorschot buiten beschouwing worden gelaten. Voorts heeft Interpolis onweersproken gesteld dat door Estraede ten onrechte geen rekening is gehouden met het eigen risico van Euro 5.000,-. Ten slotte dient bij de begroting van het voorschot te worden meegewogen, dat dit voorschot niet de door Estraede gestelde maximaal geleden schade van Euro 231.004,16 te dicht dient te benaderen, aangezien de omvang van de schade nog door experts moet vastgesteld. Al het vorenstaande in overweging nemende, zal aan Estraede bij wege van voorlopige voorziening een voorschot worden toegewezen van Euro 180.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente op de wijze als in het dictum vermeld.

3.12. Interpolis zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Estraede tot op heden begroot op:

- vast recht: Euro 3.529,00

- explootkosten: Euro 76,31

- salaris advocaat: Euro 816,00

Totaal: Euro 4.421,31

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1. veroordeelt Interpolis tot betaling van een bedrag van Euro 180.000,- [zegge: honderd tachtig duizend euro] aan Estraede binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag dat Interpolis na betekening van dit vonnis niet tot betaling daarvan is overgegaan tot aan de dag der algehele voldoening;

4.2. veroordeelt Interpolis in de proceskosten, aan de zijde van Estraede tot op heden begroot op een bedrag van Euro 4.421,31;

4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2011.