Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR2507

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
02/994512-11 appel
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bevestiging van de beschikking van de R-C waarin ten aanzien van drie verdachten van (leiding geven aan ) opzettelijke brandstichting op het terrein van Chemie Pack, is beslist dat zij onmiddellijk in vrijheid dienen te worden gesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 59c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02/994512-11

Beslissing op het door de officier van justitie bij deze rechtbank ingestelde

hoger beroep d.d. 11 juli 2011 tegen de beslissing d.d. 4 juli van de

rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze

rechtbank:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de appelakte;

- de appelschriftuur;

- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de

officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.

De betrokkende is niet verschenen.

2. De beoordeling.

Bij beschikking van 4 juli 2011 heeft de rechter-commissaris bij deze

rechtbank, de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig geoordeeld en

zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen.

Tegen deze beslissing is door het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld

bij akte van 11 juli 2011. In de akte is opgenomen dat het beroep wordt

ingesteld tegen de afwijzing van de inverzekeringstelling door de

rechter-commissaris.

Wanneer alleen naar laatstgenoemde zin wordt gekeken, dan is beroep ingesteld

tegen een niet door de rechter-commissaris genomen beslissing en zou, zoals

de raadsman van verdachte heeft betoogd, niet-ontvankelijkheid in de rede

liggen.

Op grond van art. 59 c lid 1 Wetboek van Strafvordering kan beroep worden

ingesteld tegen de beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling. De

wetgever heeft met de invoering van deze mogelijkheid een voorziening willen

scheppen omdat er bij de beoordeling door de rechter-commissaris, geen sprake

was van een afwijzing van een vordering. Die voorziening moet dan ook als de

enig mogelijke worden beschouwd. Een beslissing tot onmiddellijke

invrijheidstelling was in dit geval in de beschikking van de

rechter-commissaris ook opgenomen. Bij de beoordeling van de vraag of het

beroep zich ook tegen die beslissing richt, moet voor ogen worden gehouden

dat een onmiddellijke invrijheidstelling inhoudt dat de inverzekeringstelling

niet meer kan worden voortgezet, zodat mitsdien de beschikking van de

rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling impliciet ook een

afwijzing inhoudt van de wens van het Openbaar Ministerie om de

inverzekeringstelling voort te zetten. Gelet hierop zal de rechtbank het

beroep beschouwen als te zijn ingesteld tegen dat deel van de beslissing

waartegen de wet beroep toelaat.

De vraag of de beschikking van de rechter-commissaris ex-nunc of ex-tunc moet

worden getoetst, laat de rechtbank in het midden gelet op het hierna te geven

oordeel.

Op grond van hetgeen naar voren komt in de verklaringen opgenomen in het

proces-verbaal dat is gevoegd bij de appélmemorie van de Officier van

Justitie, lijkt vooralsnog de conclusie gerechtvaardigd dat op 5 januari 2011

de brand bij Chemie-pack is ontstaan doordat door een werknemer is geprobeerd

een bevroren membraanpomp, die werd gebruikt voor het oppompen van een

vloeistof, ter plaatse, in de buurt van brandbare stoffen, met een brander te

ontdooien. Dat daaraan voorafgaand, diezelfde dag, een of meer andere

werknemers, al dan niet tezamen met voornoemde werknemer, eerder op die wijze

hebben ontdooid, lijkt eveneens als conclusie te mogen worden getrokken. Van

enige directe betrokkenheid van verdachte bij dat gebeuren blijkt echter niet

uit het proces-verbaal. Evenmin dat hij opdracht heeft gegeven tot

voornoemde handeling. Weliswaar lijkt uit het proces-verbaal naar voren te

komen dat na de brand door verdachte en/of anderen gepoogd zou zijn om te

bewerkstelligen dat over de oorzaak zou worden gezwegen, maar dat feit op

zich is onvoldoende om aansprakelijkheid van verdachte voor het feit zelf te

scheppen.

Wil van aansprakelijkheid sprake kunnen zijn, dan zal tenminste moeten komen

vast te staan dat verdachte wetenschap ervan had dat deze werkwijze in het

bedrijf gebruikelijk was en dat hij daartegen niets heeft ondernomen, dan wel

dat hij die handeling uitdrukkelijk heeft aanvaard. Dat daarvan sprake is,

staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast. Weliswaar komt uit

het proces-verbaal naar voren dat één of twee werknemers in 2010 blijkbaar op

vergelijkbare wijze te werk zijn gegaan, maar onvoldoende staat vast dat

verdachte daarvan op de hoogte was of daarvan op de hoogte is gebracht, dan

wel of hij rekening moest houden met een dergelijke handelwijze en mitsdien

vóór 5 januari 2011 wist dat deze werkwijze werd toegepast. De verklaring van

één van de werknemers dat er al langere tijd problemen waren met de

membraanpomp wanneer het vroor of koud was, is onvoldoende om dat aan te

nemen. Onvoldoende blijkt immers uit die verklaring dat er alleen op de

hiervoor beschreven wijze met dat probleem werd omgegaan. Uit een andere

verklaring komt immers naar voren dat weliswaar vuur werd gebruikt om een

bevroren pomp te ontdooien, maar dat dat gebeurde in de werkplaats en niet,

zoals op 5 januari 2011, ter plaatse in de buurt van brandbare stoffen.

Mitsdien heeft de rechter-commissaris, ook wanneer bij de beoordeling de

feiten en omstandigheden worden betrokken die na zijn beschikking bekend zijn

geworden, naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden beslist dat

verdachte in redelijkheid niet als verdachte had mogen worden aangemerkt en

mitsdien terecht de onmiddellijke in vrijheidstelling van verdachte bevolen.

3. De beslissing.

De rechtbank bevestigt de in de aanhef genoemde beschikking van de

rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken.

Deze beslissing is gegeven op 21 juli 2011 door mr Kooijman, voorzitter,

en mrs Van Gessel en Van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet,

griffier.