Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1621

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
02-666147-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een leraar, wordt vervolgd wegens het hebben van ontucht met een leerlinge. Verdachte was leraar op dezelfde school als het slachtoffer, maar gaf geen les aan haar.

Artikel 249 Sr dient naar het oordeel van de rechtbank extensief te worden uitgelegd. De strekking van artikel 249 Sr is minderjarigen te beschermen tegen ontuchtige initiatieven van hen, die misbruik maken van een uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt elke docent, direct dan wel indirect, over mogelijkheden om leerlingen op diezelfde school te beïnvloeden. Een docent heeft uit hoofde van zijn functie een bepaald overwicht op alle leerlingen. Er is aldus sprake van een gezagsverhouding. Dat verdachte niet dé leraar van het slachtoffer was, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart die handelingen bewezen die zich hebben voorgedaan in de periode dat verdachte leraar en het minderjarige slachtoffer leerling was op dezelfde school.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02-666147-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juni 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Beliën, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de periode van 6 juli 2006 tot en met 5 juli 2009 ontucht heeft gepleegd met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met [slachtoffer] ontucht heeft gepleegd. De feitelijke beschrijvingen zoals die in de tenlastelegging zijn neergelegd kunnen bewezen worden verklaard op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft aangegeven dat hij nooit de leraar van [slachtoffer 1] is geweest en er daarom geen sprake was van een relatie als “aan zijn opleiding toevertrouwd”. De officier van justitie is van mening dat er wel degelijk sprake is geweest van een gezagsrelatie en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (BN5081). Verdachte had uit hoofde van zijn functie een gezagsrelatie met alle leerlingen op de school waar hij werkzaam was. Dat hij in december 2008 geen leraar meer op de school van [slachtoffer] was, doet daar niet aan af. Verdachte was op dat moment net uit dienst bij het Norbertus College en werd om deze reden door alle leerlingen nog steeds gezien als iemand met gezag, die op school rondliep. Verdachte heeft in december 2008 éénmaal geslachtgemeenschap met [slachtoffer 1] gehad, zodat ook dit bewezen kan worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Tijdens twee feitelijkheden, te weten de penetratie en het aan de vagina likken, was er geen sprake van “aan opleiding toevertrouwen”. Verdachte was in die periode niet aan het Norbertus College verbonden. Er dient aldus sowieso voor deze feitelijkheden vrijspraak te volgen. Ook voor de overige drie feitelijkheden, verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken. In de periode dat deze feitelijkheden plaatsvonden, was verdachte wel leraar op de school van [slachtoffer 1], maar niet dé leraar van [slachtoffer 1]. Er is in onvoldoende mate sprake van een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. De verdediging verwijst hierbij naar de jurisprudentie (onder meer LJN AE2033) waarin is uitgemaakt dat het “toevertrouwd zijn” weliswaar niet al te strikt moet worden geïnterpreteerd, maar dat dat niet weg neemt dat er wel sprake moet zijn van enige vorm van “toevertrouwen aan”. Het enkele feit dat [slachtoffer 1] op dezelfde school leerling is geweest als waar verdachte les heeft gegeven, wil niet zonder meer zeggen dat er sprake is van “toevertrouwd zijn” in de zin van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft op geen enkele wijze als leraar zeggenschap over [slachtoffer 1] gehad. Verdachte had feitelijk niets over [slachtoffer 1] te zeggen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is in de periode van 1 augustus 2002 tot 30 november 2008 als natuurkundedocent en afdelingscoördinator op het OMO sg Tongerlo Norbertus College te Roosendaal werkzaam geweest. [slachtoffer], geboren op 6 juli 1991, was leerlinge op deze school. Zij heeft nooit les van verdachte gekregen. Verdachte en [slachtoffer 1] komen met elkaar in contact als verdachte een muziekevenement op school organiseert en [slachtoffer 1] daar auditie voor doet. [slachtoffer 1] is op dat moment 15 jaar. Na verloop van tijd verandert de relatie tussen hen en wordt seksueel. Zowel verdachte als [slachtoffer 1] verklaren hierover dat zij op 17 maart 2008 elkaar voor de eerste keer hebben gezoend. Dit gebeurde in de auto voor het huis van haar moeder, wonende te Roosendaal. Enige tijd later, juni 2008, zitten verdachte en [slachtoffer 1] wederom samen in de auto. Ze rijden naar een afgelegen plek waar ze elkaar zoenen, [slachtoffer 1] verdachte aftrekt en verdachte de borsten van [slachtoffer 1] betast. Op 1 november 2008 treedt verdachte uit dienst van het OMO sg Tongerlo Norbertus College.

Op 11 maart 2010 dient [slachtoffer 1] een klacht in bij het schoolbestuur. Op 17 maart 2010 doet de directeur van OMO sg Tongerlo Norbertus College aangifte.

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte stelt de rechtbank vast dat alle feitelijkheden, zoals opgesomd in de tenlastelegging, hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1]. Deze worden ook door verdachte bekend.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken aangezien er geen sprake is van ‘toevertrouwen aan opleiding, zorg of waakzaamheid’ in de zin van artikel 249 Sr. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er ten tijde van de tenlastegelegde periode wel degelijk sprake is geweest van “toevertrouwen aan opleiding”. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 249 Sr, gelet op de strekking ervan, extensief te worden uitgelegd. De strekking van artikel 249 Sr is minderjarigen te beschermen tegen ontuchtige initiatieven van hen, die misbruik maken van een uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Verdachte stond uit hoofde van zijn functie, natuurkundedocent én afdelingscoördinator, met alle leerlingen van de school in een gezagsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt elke docent, direct dan wel indirect, over mogelijkheden om leerlingen op diezelfde school te beïnvloeden. Een docent heeft uit hoofde van zijn functie een bepaald overwicht op alle leerlingen. Er is sprake aldus van een gezagsverhouding. Dat verdachte niet dé leraar van [slachtoffer 1] was, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Uit het door [slachtoffer 1] opgestelde verslag blijkt ook dat [slachtoffer 1] dit overwicht van verdachte als leraar ook daadwerkelijk zo heeft ervaren.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de gezagsverhouding eindigt op het moment dat verdachte niet meer werkzaam is op het OMO sg Tongerlo Norbertus College, te weten 1 december 2008. Op dat moment kan er niet meer gesproken worden van “aan zijn opleiding toevertrouwd”.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank de tenlastegelegde periode beperken tot de periode van 17 maart 2008 (eerste ontuchtige handeling) tot en met 1 december 2008. Dit brengt met zich mee dat er twee feitelijkheden, te weten het likken van de vagina en het vaginaal penetreren, niet bewezen kunnen worden verklaard. Immers was er ten tijde van deze feitelijkheden geen sprake meer van een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige. De rechtbank zal verdachte van deze twee feitelijkheden vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 december 2008 ontucht heeft gepleegd met [slachto[achternaam slachtoffer 1] door haar te zoenen, haar borsten te betasten en zich af te laten trekken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 17 maart 2008 tot en met 1 december 2008 te Roosendaal en/of elders in

Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige J.J.E. ([slachtoffer 1]) [achternaam slachtoffer 1]

geboren op 6 juli 1991, immers heeft hij verdachte, - in zijn functie als docent/leraar van OMO sg Tongerlo Norbertus College te Roosendaal, waar [slachtoffer 1]

[achternaam slachtoffer 1] toen leerling was in voornoemde periode meermalen, opzettelijk

-die [slachtoffer] gezoend en

-zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

-haar borsten betast

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft bij zijn vordering rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte. De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit een zeer kwalijke zaak. Jonge mensen zijn kwetsbaar en hebben op het gebied van seksualiteit nog niet veel kennis. Er zitten veel haken en ogen aan een relatie tussen een leraar en een leerling. Dit is ook de reden dat het strafbaar is gesteld. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft niet de overtuiging dat er sprake is van een laag recidiverisico.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zo het oordeel van de rechtbank andersluidend zal zijn, verzoekt de verdediging aan verdachte een gematigde werkstraf op te leggen. Een voorwaardelijke straf is, gelet op het lage recidiverisico, niet aan de orde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Zo ook in dit geval. Uit het door [slachtoffer 1] opgestelde verslag blijkt dat zij het er nog steeds moeilijk mee heeft en dat het haar leven en persoonlijke ontwikkeling negatief heeft beinvloed. Ze wordt iedere dag opnieuw geconfronteerd met wat er tussen verdachte en haar is gebeurd.

De rechtbank is van oordeel dat een forse werkstraf een passende sanctie is.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een verdergaande bewezenverklaring.

Nu de rechtbank niet de gehele tenlastegelegde periode, en daarmee ook minder feitelijkheden, bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een werkstraf opleggen van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank is er, mede gelet op zijn houding ter zitting, niet zondermeer van overtuigd dat verdachte zich bewust is van de consequenties van zijn handelen voor [slachtoffer 1]. Evenmin gaat de rechtbank er, mede in aanmerking genomen de huidige werkkring van verdachte, zonder meer van uit dat het recidiverisico als laag kan worden ingeschat. Om deze reden zal zij, anders dan de raadsman heeft bepleit, tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Kok en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juli 2006 tot

en met 5 juli 2009 te Roosendaal en/of te Oudenbosch en/of elders in

Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding en/of zorg en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige J.J.E. ([slachtoffer 1]) [achternaam slachtoffer 1]

geboren op 6 juli 1991, immers heeft hij verdachte, - in zijn functie als

docent/leraar van OMO sg Tongerlo Norbertus College te Roosendaal, waar [slachtoffer 1]

[achternaam slachtoffer 1] toen leerling was

in voornoemde periode meermalen, althans eenmaal opzettelijk

-die [slachtoffer] gezoend en/of

-zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

-haar borsten betast en/of

-haar vagina gelikt en/of

-haar met zijn penis vaginaal gepenetreerd