Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1317

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
004217-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Breda heeft E.S. veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag ter hoogte van € 772.473 aan de Nederlandse staat. Het openbaar ministerie had € 5.112.854 geëist. E.S. werd in 2003 in hoger beroep veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf voor zijn aandeel in de zo geheten York-zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

Parketnummer: 004217-99

beslissing op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de rechtbank d.d. 12 juli 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verda[verda[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum]

wonende te [adres]

raadsman mr. Laus, advocaat te Haarlem

1 De procedure

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 23 juli 2003, waaruit blijkt dat betrokkene is veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, voor:

1. Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oud), en bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

2. A. Deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef

en onder C (oud) van de Opiumwet;

4. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

- het strafrechtelijk financieel onderzoek. Er heeft een schriftelijke procedure plaatsgevonden, waarin conclusies van repliek en dupliek zijn gewisseld. De vordering is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De officier van justitie heeft het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd in 5.112.854 euro, zoals ook vermeld in het aanvullend proces-verbaal op het strafrechtelijk financieel onderzoek.

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft aangevoerd dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, waarbinnen volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 2001, 307 en NJ 2000, 721) uitspraak moet worden gedaan, in deze ontnemingszaak aanmerkelijk is. In casu moet dit volgens de verdediging leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het aanvangsmoment van de redelijke termijn is volgens de verdediging in deze zaak de aankondiging van het voornemen van het openbaar ministerie gedateerd op 21 januari 2002.

De zaak is verschillende malen aangehouden op verzoek van de verdediging. Op 24 juni 2005 werd de zaak aangehouden, omdat de rechtbank niet over een volledig dossier beschikte. Vanaf deze datum moet het uitstel van de zaak aan het openbaar ministerie worden toegerekend. Er is weliswaar door de verdediging op 20 april 2006 nogmaals aanhouding verzocht, dit neemt niet weg dat er een periode van inactiviteit van vijf jaar is geweest. Mede gelet op de gehele termijn vanaf de aankondiging van de ontnemings-procedure, moet dit leiden tot het oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Bij afweging van het belang van enerzijds de maatschappij bij ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen tegen anderzijds het belang van de veroordeelde bij berechting binnen een redelijke termijn, zal vaak geoordeeld worden dat het belang van de maatschappij zwaarder weegt en zal het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden verworpen. In deze zaak ligt dat anders gezien de aanmerkelijke duur van de overschrijding, aldus de verdediging.

De rechtbank stelt, evenals de officier van justitie en de verdediging, vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De datum, waarop jegens de veroordeelde een handeling werd verricht waaraan hij de verwachting kon ontlenen dat het openbaar ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel zou terug-vorderen, moet worden gesteld op 21 januari 2002.

Voor wat betreft de berechting van een ontnemingsvordering in eerste aanleg hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat de behandeling ter zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar, nadat de termijn is aangevangen. De ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging en de veroordeelde op het procesverloop en de houding van de justitiële autoriteiten kunnen onder meer aanleiding zijn van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval weliswaar sprake is van een ingewikkelde zaak, maar het tijdsverloop is in belangrijke mate aan de justitiële autoriteiten toe te rekenen, waarbij ook een rol heeft gespeeld dat de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tijdens de hoger beroep fase van de strafzaak heeft stil gelegen. Gelet daarop acht de rechtbank de redelijke termijn geschonden en wel in aanzienlijke mate. Bij afweging van alle daarbij in acht te nemen belangen ziet de rechtbank echter geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de bepaling van de hoogte van het te ontnemen bedrag.

3 De beoordeling

De grondslag van de voordeelsberekening

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het wetboek van strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde in genoemd arrest van het hof, welk voordeel mede is verkregen door middel van baten van soortgelijke feiten.

In voornoemd arrest werd bewezen verklaard dat [verdachte] deel uitmaakte van de criminele organisatie van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] (feit 2A), die zich bezig hield met – kort gezegd – uitvoer en handel in verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet onder lijst I.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de criminele organisatie dat volgens vaste jurisprudentie indien iemand is veroordeeld voor deelneming aan zodanige organisatie het voordeel is aan te merken als zijnde verkregen door middel van de bewezenverklaarde deelneming, ook voorzover het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie door leden van de criminele organisatie begane misdrijven, waarvan niet bewezen kan worden dat de betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen.

Op grond van het Geerings arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

(NJ 2007, 349) mag voordeel, voortvloeiend uit feiten waarvan [verdachte] door het hof is vrijgesproken niet in de voordeelsberekening worden meegenomen. Dit laat volgens de Hoge Raad (NJ 2008, 128) onverlet dat voordeel verkregen door soortgelijke (niet tenlastegelegde) feiten wel kan worden meegenomen in de voordeelsberekening.

De rechtbank wijst in dit verband op de overweging van het hof in het tegen [verdachte] gewezen arrest ten aanzien van de feiten 2B-1 en 2B-2. Feit 2B-1 betrof deelname aan een criminele organisatie van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] en feit 2B-2 betrof deelname aan een criminele organisatie van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12]. Van deze beide feiten is [verdachte] door het hof vrijgesproken. Het hof overweegt in het arrest dat er “weliswaar aanwijzingen bestaan voor verdachtes betrokkenheid bij het afnemen van door de organisatie ingevoerde middelen, maar dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte als deelnemer bij genoemde criminele organisatie was betrokken.”

De rechtbank stelt vast dat wel kan worden aangenomen dat [verdachte] op incidentele basis betrokken is geweest bij verkooptransacties van deze organisaties.

Artikel 36e lid 2 Sr houdt in dat voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van het plegen van soortgelijke feiten voldoende aanwijzingen voor het plegen van die feiten moeten bestaan.

Bij de voordeelsberekening gehanteerde prijzen voor XTC-pillen

Door de verdediging is aangevoerd dat de opbrengst per XTC-pil veel minder is geweest dan waarvan in de voordeelsberekening van het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt uitgegaan.

De rechtbank gaat echter uit van de berekening vermeld in het strafrechtelijk financieel onderzoek en het proces-verbaal van het Politie Infiltratie Team, nu het op de weg van de verdediging had gelegen voornoemde stelling nader te onderbouwen.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank aan de hand van de volgorde, genoemd in het aanvullend proces-verbaal op het strafrechtelijk financieel onderzoek, het wederrechtelijk verkregen voordeel bespreken en daarbij verwijzen naar voetnoten.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.1

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Uit tapgesprekken valt af te leiden dat er op 9 juli 1997 een levering van verdovende middelen heeft plaatsgevonden, waarbij onder meer [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren. Dit betrof een transactie, uitvoer naar Groot-Brittannië van 220 kg amfetamine en/of XTC, binnen voornoemde criminele organisatie. Rond die periode verbleven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in Londen. Op 9 juli 1997 om 21.52 uur stuurde [medeverdachte 1] het bericht naar [verdachte] dat alles goed was en dat hij het ging oplossen.

Uit tapgesprekken vanaf 13 juli 1997 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] bleek dat er 286.000 gulden moest worden afgerekend. Er was 178.000 gulden betaald en er moest nog 108.000 gulden betaald worden. Volgens [verdachte] moest er 1,3 betaald worden. Dit had kennelijk betrekking op de afgesproken prijs per eenheid. In telefoongesprekken op 14 juli 1997 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 13] werd duidelijk dat er 250 pond voor [verdachte] moest worden betaald.

Gezien het feit dat 286.000 gulden werd betaald en de prijs per eenheid volgens [verdachte] 1.300 was, werd er in totaal 220 kg geleverd. Voor 220 kg ontving [verdachte]: 220 x 250 pond = 55.000 pond x 3,20 gulden = 176.000 gulden.

Bij de berekening is de rechtbank uitgegaan van de gehanteerde prijzen in het strafrechtelijk financieel onderzoek en het proces-verbaal van het Politie Infiltratie Team . Daarvan uitgaande kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op 176.000 gulden.

Strafbare feiten, paragraaf 6.2.2.2 en 6.2.2.3

Bewezenverklaard feit 3 en soortgelijke niet tenlastegelegde feiten

Onder feit 3 is in voornoemd arrest bewezen verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de levering van 61.911 XTC-pillen. Uit telefoongesprekken in de periode van 8 mei 1998 tot en met 24 juni 1998 viel af te leiden dat onder meer [verdachte], [medeverdachte 2], en [medeverdachte 1] in contact stonden met [medeverdachte14] in verband met de levering van verdovende middelen. Op 24 juni 1998 werd [medeverdachte 14] in Breda aangehouden met 61.911 XTC pillen. Uit semafoonverkeer tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] is duidelijk geworden dat [verdachte] de code 77 of 777 hanteerde om aan te geven dat een bericht van hem afkomstig was. Deze cijfers werden voorafgegaan of gevolgd door een aantal of gewicht. Op 24 juni 1998 stond als bericht in de semafoon bij [medeverdachte 2] vermeld: 7760000. Tevens is na uitlezen van de semafoon vastgesteld dat met code 77 of 777 in combinatie met aantallen op 27 maart 1998, 4 mei 1998, 8 mei 1998, 27 mei 1998, 3 juni 1998, 6 juni 1998, 11 juni 1998, 22 juni 1998, 24 juni 1998 berichten werden verstuurd door [verdachte] aan [medeverdachte 2]. In totaal gaat het dan om 227.000 XTC pillen, inclusief de 60.000 pillen die op 24 juni 1998 aan [medeverdachte14] werden geleverd.

Uitgaande van een opbrengst van 1,225 gulden per XTC-pil kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op: 227.000 x 1, 225 = 278.075 gulden.

Strafbaar feit 6.2.2.7

Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten

Uit observaties, tapgesprekken en semafoonverkeer komt de betrokkenheid van onder meer [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en met name [medeverdachte 3] naar voren bij de leveringen op 7 en 9 juni 1999. De leveringen op 4 april 1999 en 7 mei 1999 zijn vastgesteld aan de hand van observaties, tapgesprekken en semafoonverkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 3]. Code 77 of 777 werd ook hier gehanteerd om aan te geven dat berichten van [verdachte] afkomstig waren. De rechtbank wijst in dit verband ook op de verklaring van [medeverdachte 3], waarin deze de leveringen van amfetamine heeft bevestigd.

Vastgesteld is dat er de volgende leveringen van amfetamine hebben plaatsgevonden aan [verdachte]:

Op 7 juni 1999: 50 kg

Op 9 juni 1999: 48, 1 kg

Op 4 april 1999: 30 kg

Op 7 mei 1999: 50 kg

Totaal 178, 1 kg

Een kilogram amfetamine kan worden omgezet in 3333 XTC-pillen. Bij een totaal van 178,1 kg amfetamine betekent dit: 178, 1 x 3333 = 593.607 pillen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel per pil bedraagt 1, 225 gulden. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit kan worden geschat op 593.607 x 1,225 = 727.168,58 gulden.

Strafbaar feit 6.2.2.8

Bewezenverklaard feit 3

Op 9 mei 1999 heeft een levering van 30.000 XTC-pillen namens [verdachte] aan het Politie Infiltratie Team plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van het Infiltratieteam leidt de rechtbank af dat na onderhandeling een prijs werd afgesproken van 3,20 gulden per pil. Rekening houdend met de gemiddelde inkoopprijs van 2,025 gulden kan het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit worden geschat op 30.000 x (3,20 – 2,025) 1,175 = 35.250 gulden.

Strafbaar feit 6.2.2.9

Bewezenverklaard feit 3

Op 4 juli 1999 heeft een levering van 36.000 XTC-pillen namens [verdachte] aan het Politie Infiltratie Team plaatsgevonden. Ook hier verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van het Infiltratieteam voor de prijs van 3,20 gulden per pil die werd afgesproken. Rekening houdend met de gemiddelde inkoopprijs van 2,025 gulden kan het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit worden geschat op 36.000 x (3,20 – 2,025) 1,175 = 42.300 gulden.

Strafbaar feit, niet genummerd, na 6.2.2.9

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 23 juni 1999 is 50.000 gulden door het Politie Infiltratie Team betaald aan [verdachte] voor de levering van 15.000 XTC pillen. Uiteindelijk bleek de partij niet te zijn geleverd en vroegen de infiltranten het geld terug. [verdachte] heeft het geld echter nooit teruggegeven.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bij dit feit kan derhalve worden geschat op 50.000 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.10

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 8 december 1998 werd [medeverdachte 29] in Israël aangehouden. Hij was toen in het bezit van circa 52.000 XTC pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit komt naar voren in de tapgesprekken op 7 en 8 december 1998. Op 7 december 1998 belde [verdachte] met het telefoonnummer van [medeverdachte 12]. Eerst werd over een andere zaak gesproken, die nog twee weken moest wachten. Daarna vroeg [verdachte]: “Wat betreft die andere zaak?” De man aan de telefoon antwoordde daarop: “Ja, morgen kunnen we gaan.”

Op 8 december werd [medeverdachte 16] in Israël aangehouden in het bezit van 52.000 XTC-pillen met het logo Rolex.

Op 8 december 1998 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 15], nadat [medeverdachte 16] was aangehouden: “Niets aan de hand joh, ik heb geen haast. Iedereen moet stoppen, het stoplicht staat op rood.” [medeverdachte 15] zegt dat ze geen keuze hebben en op de volgende ronde moeten wachten, de volgende mogelijkheid.

Van deelname aan de Israëlische criminele organisaties is [verdachte] weliswaar vrijgesproken, maar op grond van voornoemde aanwijzingen is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze levering aan hem kan worden toegerekend.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op: 52.000 x 1, 225 = 63.700 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.11 en 6.2.2.12

Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten

Op 7 februari 1999 werden [medeverdachte 16] en [medeverdachte 17] in Frankfurt am Main aangehouden met 65.000 XTC pillen en [medeverdachte 18] in New York met 100.000 XTC pillen.

De betrokkenheid van [verdachte] bij deze feiten komt naar voren in de tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 19] op 22 december 1998, waarin [verdachte] over de zaak Duitsland spreekt. Op 31 december 1998 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 19] dat die zaak van Duitsland in orde was en dat hij “het” al hier had. [verdachte] zei dat “het” bijzonder goed was en dat de prijs uitstekend was. Op 12 januari 1999 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 19] dat hij de bestelling en alles had afgegeven. Er was volgens hem nog niets gebeurd, want er waren vertragingen. Op 1 februari 1999 vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 19] hoe het er voor stond. [medeverdachte 11] zei dat het nog drie of vier dagen duurde. Op 5 februari 1999 zei [medeverdachte 11] tegen [medeverdachte 12] dat hij zondag, 7 februari 1999, alles zou sturen wat gestuurd moest worden. Op 6 februari 1999 zei [verdachte] tegen [medeverdachte 12] dat zijn vriend alle papieren had opgestuurd met zijn dochter en dat hij alle papieren had. Hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] van iemand geld had gekregen. Op 7 februari 1999 vertrok [medeverdachte 18] vanaf het vliegveld Frankfurt am Main naar New York. Bij aankomst werden er in zijn bagage 100.000 XTC-pillen met het logo “hart” aangetroffen.

Op diezelfde dag werden in Frankfurt am Main [medeverdachte 16] en [medeverdachte 17] aangehouden in het bezit van 65.000 XTC-pillen.

Ook hier geldt dat op grond van voornoemde aanwijzingen het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze leveringen aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op: 65.000 x 1, 225 gulden = 79.625 gulden en 100.000 x 1, 225 gulden = 122.500 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.13

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 15 februari 1999 werden [medeverdachte 9], [medeverdachte 20], [medeverdachte 21] en [medeverdachte 22] aangehouden in Antwerpen met circa 2.000 XTC-pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit komt naar voren in de tapgesprekken op 13 februari 1999 van [verdachte] en [medeverdachte 19]. Bij dit feit acht de rechtbank de aanwijzingen echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [verdachte] hier wederrechtelijk verkregen voordeel van heeft genoten.

De rechtbank zal dit feit dan ook niet meenemen in de voordeelsberekening.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.18

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 6 mei 1999 werd [medeverdachte 24] op de luchthaven van Tel Aviv aangehouden met 100.000 XTC-pillen, type viagra.

Op 28 april 1999 bleek dat [verdachte] en [medeverdachte 19] de beschikking hadden over een partij verdovende middelen, door hen aangeduid als viagra’s.

De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt verder uit de inhoud van tapgesprekken van [verdachte], [medeverdachte 19] en [medeverdachte 23]. Ook komt uit de tapgesprekken een connectie met de criminele organisatie van [medeverdachte 1] naar voren. [medeverdachte 1] sprak op 5 mei 1999 met [medeverdachte 3] af dat [medeverdachte 3] zou rijden. Door gebruikmaking van een technisch hulpmiddel werd vastgesteld dat de BMW van [medeverdachte 3] en de BMW van [medeverdachte 11] zich op 5 mei 1999 in Antwerpen bevonden. Op 6 mei 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door een Engels sprekende man. Deze man zei dat hij de tijd niet wist en dat ze hem de tijd moesten zeggen. Aansluitend werd [medeverdachte 19] (na een verzonden semafoonbericht) door [verdachte] gebeld. [medeverdachte 11] zei toen dat “hij” niet wist welke tijd vandaag. [verdachte] antwoordde daarop dat hij het “hem” zou zeggen en dat alles in orde was. Met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel werd vastgesteld dat de BMW van [medeverdachte 11] en de BMW van [medeverdachte 3] op 6 mei 1999 opnieuw in Antwerpen waren. Op 13 mei 1999 werd [medeverdachte 11] door [medeverdachte 23] gebeld. Hij zei dat er vandaag een Belg met een enorme hoeveelheid van die dingen was gepakt.

Op grond van voornoemde aanwijzingen acht de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij deze transactie vastgesteld, te meer nu uit het onderzoek is komen vast te staan dat in het kader van het infiltratietraject ook XTC-pillen, type viagra bij [verdachte] werden besteld.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 100.000 x 1,225 gulden = 122.500 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.19

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 11 mei 1999 werd [medeverdachte 25] op de luchthaven van New York aangehouden met 100.000 XTC-pillen, type viagra. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken met [verdachte] in de periode van 28 april 1999 tot en met 11 mei 1999. Op 28 april 1999 vond er een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 12] met [medeverdachte 19] en [verdachte]. In dat gesprek werd gesproken over een levering van XTC-pillen vanuit Nederland naar de Verenigde Staten. Op 30 april 1999 vroeg [medeverdachte 19] aan [verdachte] of hij al iets had gehoord uit Amerika. [verdachte] zei van niet en [medeverdachte 19] moest naar hem komen om te praten. Uit gesprekken op 2 mei 1999 is gebleken dat zij elkaar troffen in Amsterdam. Op 2 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [medeverdachte 23]. [medeverdachte 19] zei dat “hij” geld aan [medeverdachte 23] moest geven. Aansluitend belde [medeverdachte 19] met [medeverdachte 9]. [medeverdachte 19] zei tegen hem dat [medeverdachte 9] op hem zat te wachten. Uit het gesprek op 3 mei 1999 bleek dat [medeverdachte 19] in het restaurant was. Daarna belde hij naar [medeverdachte 12] en zei dat hij bij de vriend was geweest en dat “ze” zaten te wachten, totdat “het” werd geregeld. [medeverdachte 24] zei dat vandaag de laatste dag was en dat “de man” vandaag zou vertrekken. [medeverdachte 19] zei dat zijn man in Israël nog niets had ontvangen. [medeverdachte 24] zei dat “de muis” (bijnaam van [verdachte]) nooit zo’n fout mocht maken en dat hij “de muis” zou afmaken als “hij” hem dat aan zou doen. Die dag belde [medeverdachte 19] met [verdachte] en zei dat hij “het” vandaag moest hebben. [verdachte] zei: “Morgenochtend.” [verdachte] zei dat hij “de man” om elf uur zou zien en dat hij “hem” allemaal papieren van de boekhouder moest geven. In de daarop volgende dagen bleek dat de betaling nog niet in orde was. Op 5 mei 1999 vroeg [verdachte] of Jack [medeverdachte 3] hem kon helpen. Op 10 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door een onbekende man. [medeverdachte 19] zei: “Alleen maar morgen.” Op 11 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [verdachte]. In het gesprek zei [verdachte] dat [medeverdachte 19] betreffende de betaling tegen “hem” moest zeggen dat [verdac[verdachte] de koers deed.

Op 11 mei 1999 werd op de luchthaven John F. Kennedy te New York [medeverdachte 25] aangehouden in het bezit van circa 100.000 XTC-pillen, type viagra/oval.

Op grond van voornoemde aanwijzingen leidt de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij deze transactie af. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 100.000 x 1,225 = 122.500 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.21

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 22 mei 1999 werd [medeverdachte 26] te Düsseldorf aangehouden met 9,7 kg XTC-pillen.

De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 19] op 20 mei 1999 en 21 mei 1999. Op 20 mei 1999 werd [medeverdachte 19] gebeld door [verdachte]. [medeverdachte 19] zei dat hij morgen kwam en dat “anders” die man zou komen. Er werd kennelijk over een voorschot gesproken en dat “de man” “het” morgen zou krijgen.

Op 21 mei 1999 werd door [verdachte] en [medeverdachte 19] gesproken over hoeveel procenten [medeverdachte 19] “hem” berekende met deze deal. [medeverdachte 19] zei zesendertig, waarna [verdachte] zei dat hij het begreep en hoeveel procenten er over waren. Die dag had [verdachte] “de man” gezien en uit latere gesprekken bleek dat er afgerekend werd. [verdachte] belde toen naar [medeverdachte 19] en zei dat [medeverdachte 19] thuis moest blijven en dat ze “de man” vrij moesten laten gaan.

Op 22 mei 1999 werd in Düsseldorf [medeverdachte 26] aangehouden met 9,7 kg XTC-pillen, type Rolex.

Uit 9,7 kg amfetamine kunnen 32.330 XTC-pillen worden vervaardigd. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan derhalve worden geschat op: 32.330 x 1,225 = 39.604,25 gulden.

Uit voornoemde aanwijzingen tegen [verdachte] kan worden afgeleid dat zijn voordeel kan worden geschat op 36% van 39.604,25 = 14.257,36 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.22

Soortgelijk, niet tenlastegelegd feit

Op 20 juni 1999 werd [medeverdachte 27] te Eilat aangehouden met 47.000 XTC-pillen. De betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit blijkt uit de inhoud van tapgesprekken in de periode van 9 juni 1999 tot en met 23 juni 1999 tussen [verdachte] en [medeverdachte 19].

Op 9 juni 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hij “de man” nog niet gezien had, maar dat de tweede fase voorbij was en dat ze nu aan de derde fase moesten beginnen. Op 10 juni 1999 bleek dat er vertraging was. Uit tapgesprekken op 17 juni 1999 bleek dat [medeverdachte 19] werd gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hun vriend had gebeld en dat alles in orde was. Op 17 juni 1999 belde [medeverdachte 11] met een onbekende Hebreeuws sprekende man ([naam]). [medeverdachte 11] zei dat hij klaar was en aan het wachten was en hij zei dat “zij” klaar was. Op 18 juni 1999 werd [medeverdachte 11] gebeld door [verdachte]. Hij zei dat hij dit verhaal bijna rond kreeg. Op 19 juni 1999 zei [medeverdachte 11] dat hij hun vriend naar [verdachte] zou sturen. Enige uren later vertelde [verdachte] aan [medeverdachte 11] dat “hij” was geweest. Op 20 juni 1999 vroeg [medeverdachte 11] aan een onbekende Hebreeuws sprekende man of “ze” goed waren en of de rose beter waren. De man zei dat “ze” allebei goed waren en dat hij er één had genomen en daar veel plezier van had gehad.

Op 20 juni 1999 werd te Eilat (Israël) [medeverdachte 27] aangehouden met 47.000 rose XTC-pillen in haar bezit.

Uit voornoemde aanwijzingen leidt de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij de transactie af.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op 47.000 x 1,225 = 57.575 gulden.

Strafbaar feit, paragraaf 6.2.2.23

Soortgelijke, niet tenlastegelegde feiten

Omstreeks september/oktober 1996 werd een onderzoek gestart tegen een criminele Israëlische groepering, bestaande uit leden van een Israëlische familie, genaam[medeverdachte 7] en enige bevriende relaties. Deze criminele groepering hield zich bezig met het binnen het grondgebied van Nederland brengen van zendingen cocaïne vanuit Zuid-Amerika. Op 9 juli 1998 werd een partij cocaïne aangetroffen in twee daartoe geprepareerde machines in een gehuurde loods in Eindhoven.

Op 17 juli 1998 werden in Israël meerdere leden van de criminele groepering aangehouden, waarbij één van de verdachten, [medeve[medeverdachte 28], opening van zaken gaf.

Volgens [medeverdachte 28] waren [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], [medeverdachte 10] en een man, genaamd [naam] (bijnaam voor [medeverdachte 7]) daarbij betrokken. [medeverdachte 28] heeft verklaard over de samenwerking met [naam]. Volgens [medeverdachte 28] werd de cocaïne verkocht in Amsterdam.

[medeverdachte 7] heeft verklaard dat er een Nederlander was, een Israëli, genaamd [verdachte], die alle hoeveelheden cocaïne van de groepering kocht en ontving.

Tapgesprekken, waaruit de betrokkenheid van [verdachte] zou kunnen blijken, ontbreken.

[verdachte] heeft alle betrokkenheid bij deze handel in cocaïne ontkend.

Weliswaar wijzen de verklaringen van [medeverdachte 28] en [medeverdachte 7] in de richting van [verdachte], maar de rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen te zwak en te weinig concreet zijn om vast te stellen dat hij van voornoemde handel in cocaïne wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

4 Vaststelling ontnemingsbedrag

Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op:

-strafbaar feit 6.2.2.1: 176.000 gulden

-strafbaar feit 6.2.2.2/6.2.2.3: 278.075

-strafbaar feit 6.2.2.7: 727.168,58

-strafbaar feit 6.2.2.8: 35.250

-strafbaar feit 6.2.2.9: 42.300

-strafbaar feit, na 6.2.2.9: 50.000

-strafbaar feit 6.2.2.10: 63.700

-strafbaar feit 6.2.2.11: 79.625

-strafbaar feit 6.2.2.12: 122.500

-strafbaar feit 6.2.2.18: 122.500

-strafbaar feit 6.2.2.19: 122.500

-strafbaar feit 6.2.2.21: 14.257,53

-strafbaar feit 6.2.2.22: 57.575

___________

1.891.451,11 gulden, omgerekend naar euro (afgerond): 858.303 euro

Kosten

De rechtbank zal op voornoemd bedrag geen extra kosten in mindering brengen, nu de verdediging deze niet heeft gesteld. De inkoopkosten zijn in de voordeelsberekening meegenomen. Het had op de weg van de verdediging gelegen, indien er daarnaast nog andere kosten in mindering moeten worden gebracht, daarover helderheid te verschaffen.

Verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Op geen enkele wijze is duidelijk geworden over welke met name genoemde deelnemers/

medeplegers in/van de hiervoor genoemde strafbare feiten het voordeel zou moeten worden verdeeld. Nu daarin geen inzicht is gegeven en naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan de orde is, zal het te ontnemen bedrag niet worden verdeeld.

Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, waarbinnen een ontnemingszaak dient te worden behandeld in aanzienlijke mate is overschreden. Uitgaande van de aanvangstermijn van 21 januari 2002, zoals hiervoor onder 2 besproken, heeft de behandeling in eerste aanleg ruim 9 jaar geduurd.

De rechtbank ziet in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak aanleiding de hoogte van het te ontnemen bedrag te verminderen met 10%, te weten met (afgerond) 85.830 euro tot een bedrag van 772.473 euro.

Draagkracht

Namens de verdachte is ter zitting aangevoerd dat verdachte niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen.

Uit artikel 36e Sr noch uit enige andere wettelijke bepaling vloeit echter voort dat de draagkracht van de verdachte in het algemeen een verplichte maatstaf vormt bij het bepalen van het te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Slechts indien aannemelijk is dat de verdachte geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, dient de rechter gebruik te maken van zijn matigings-bevoegdheid.

In casu heeft de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben, mede gelet op de geldende verjaringstermijn van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 Sr, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.

5 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

858.303 euro

- legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van

772.473 euro, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van Kralingen, voorzitter, mrs. Schotanus en Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2011.