Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR0777

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
02/801221-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Verdachte had samen met zijn vader grote hoeveelheden alcohol en cocaïne gebruikt. Nadat de cocaïne op was heeft verdachte nog medecijnen geslikt en heeft hij op enig moment onenigheid met zijn vader. Er is toen op enig moment een worsteling ontstaan, waarbij verdachte een mes ter hand heeft genomen en de vader van verdachte het mes van hem heeft afgepakt. Vervolgens heeft verdachte het mes weer van zijn vader afgepakt en heeft hij zijn vader op zijn rug op een matras gegooid en hem vele malen gestoken".

Gr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/801221-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Breda

raadsman mr. Van Rooijen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging die ter zitting, overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering is gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft vermoord dan wel heeft gedood;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair heeft gepleegd.

Hij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van de politie, het verslag van de lijkschouwing, het sectierapport, alsmede de bekennende verklaring van verdachte zelf.

De bekennende verklaring van verdachte wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de plaats waar het lichaam is aangetroffen en het aangetroffen bloedbeeld op de plaats delict. De DNA sporen op het aangetroffen mes zijn zowel van verdachte als van het slachtoffer afkomstig en voorts heeft de patholoog-anatoom geconcludeerd dat de verwondingen van het slachtoffer kunnen zijn toegebracht met het aangetroffen mes.

Op grond van de verklaring van verdachte kan volgens de officier van justitie onvoldoende worden vastgesteld dat er bij hem sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan het door verdachte om het leven brengen van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft zich weliswaar op een bepaald moment, toen hij samen was met [slachtoffer 1] in de woning, voorzien van een mes en hij heeft dit mes op enig moment ter hand genomen, maar die omstandigheid is niet zodanig dat daaruit kan worden afgeleid dat verdachte toen al het voornemen had om het slachtoffer om het leven te brengen.

De officier van justitie is dan ook van mening dat verdachte van het primair tenlastegelegde onder 1 moet worden vrijgesproken.

Of verdachte het opzet heeft gehad tot het doden van het slachtoffer, gelet op de toestand waarin verdachte verkeerde, kan in de eerste plaats worden vastgesteld op grond van de verklaring van verdachte zelf. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de betekenis van wat hij deed en niet verstoken was van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen. Daarmee staat het opzet van verdachte op het doden van het slachtoffer vast, aldus de officier van justitie.

Feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte van Jonkman en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 subsidiair en van feit 2.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen van de politie;

- het verslag betreffende een niet natuurlijke dood;

- het voorlopig sectierapport;

- het deskundigenrapport van het NFI met betrekking tot de sectie;

- het deskundigenrapport van het NFI met betrekking tot het mes;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 18 januari 2011 .

Moord of doodslag

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat uit de verklaring van verdachte onvoldoende kan worden afgeleid dat er bij hem sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, voorafgaand aan het om het leven brengen van [slachtoffer 1]. Hiervan is evenmin op enigerlei andere wijze gebleken.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Dat verdachte het opzet heeft gehad om te doden, stelt de rechtbank vast op grond van de verklaring van verdachte zelf. Daaruit is af te leiden dat hij zich in meer of mindere mate bewust is geweest van wat hij deed. Hij was niet van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen verstoken.

Door met een mes vele malen in kwetsbare delen van het lichaam te steken, zoals de rug, de borst en de nek, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daaraan zou overlijden. Die kans heeft hij op de koop toegenomen.

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 18 januari 2011;

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

subsidiair:

op 22 november 2009 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte met dat opzet met een mes, die [slachtoffer 1] meermalen in de rug en

meermalen in het gezicht en meermalen in de borst en meermalen in de benen en meermalen in de nek en meermalen elders in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

op 17 november 2009 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het verweer van de verdediging: noodweer/noodweerexces

De verdediging heeft betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces. Uit de uitgebreide verklaringen van verdachte komt, aldus de raadsman, overduidelijk de angst en de bedreigende situatie naar voren. Verdachte wilde zichzelf beschermen. In een hevige gemoedstoestand veroorzaakt door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden.

Aan de vereisten voor het aannemen van een noodweersituatie is voldaan. Dat verdachte de grenzen van de verdediging heeft overschreden, is duidelijk. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar in een noodweersituatie. Tegen die aanranding mocht verdachte zich verdedigen. Verdachte moet, aldus de raadsman, wegens noodweerexces worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte staat vast dat er een worsteling in de woning heeft plaatsgevonden, toen verdachte en zijn vader, [slachtoffer 1], daar nog alleen aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat voorafgaand aan die worsteling op een bepaald moment de sfeer grimmiger was geworden. Zij hadden die dag beiden extreem veel alcohol en cocaïne gebruikt. Toen de cocaïne op was, heeft verdachte een handvol medicijnen ingenomen die op tafel stonden, onder meer oxazepam, temazepam en tramadol. Na het innemen van die medicijnen voelde verdachte zich meteen angstig en bedreigd. Verdachte heeft toen het mes dat achter een schilderij in de woonkamer verstopt zat, gepakt en in zijn broekzak gestoken. Hij vroeg aan zijn vader: “Kan het jou niks interesseren dat ik kapot ga?” Toen deze antwoordde dat dit hem niets interesseerde, kregen beiden ruzie. [slachtoffer 1] dacht dat er nog ergens cocaïne in huis lag. Hij is toen naar boven gelopen en verdachte is achter hem aan gelopen. Er is toen op enig moment een worsteling ontstaan, waarbij verdachte het mes ter hand heeft genomen en [slachtoffer 1] het mes van hem heeft afgepakt. Vervolgens heeft verdachte het mes weer van [slachtoffer 1] afgepakt en heeft hij [slachtoffer 1] op zijn rug op de matras gegooid en hem vele malen gestoken.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij angstig was, maar dat zijn vader hem niet daadwerkelijk heeft bedreigd. Hij heeft verklaard dat hij wist dat zijn vader ook erg agressief kon zijn en het mes in eerste instantie te hebben getrokken om zijn vader af te schrikken.

Gelet op voornoemde feitelijke gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich niet in een situatie heeft bevonden, waarin hij zich noodzakelijk moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte ten onrechte heeft gemeend dat hij zich in een dergelijke situatie bestond. Verdachte heeft immers zelf toegegeven niet feitelijk fysiek door zijn vader te zijn bedreigd. Dit was ook niet het geval toen zijn vader het mes van hem had afgepakt. Verdachte had op dat moment de deur kunnen openen en de woning kunnen verlaten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zichzelf door het extreme middelengebruik van alcohol, cocaïne en medicijnen in een zodanige toestand heeft gebracht dat hij de werkelijkheid uit het oog heeft verloren en zich heeft ingebeeld zich te moeten verdedigen tegen een levensbedreigende situatie. De opmerking van zijn vader dat het hem niets interesseerde, heeft mogelijk een versterkend effect daarop gehad.

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van een noodweersituatie, moet het beroep op noodweerexces worden verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De oplegging van een straf of maatregel

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van het voorarrest en de maatregel van tbs met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de psycholoog en de psychiater is geadviseerd TBS met dwangverpleging op te leggen. Naar de mening van de verdediging zijn er andere alternatieven voorhanden.

Het is de vraag of verdachte aan de criteria voor het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging voldoet. Het gevaarscriterium kan niet worden aangenomen, indien alle aspecten van de zaak en de persoon van verdachte in ogenschouw worden genomen. Voorts is het maar de vraag of er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is nooit eerder behandeld voor zijn psyche. De conclusies van de psycholoog en psychiater acht de raadsman weinig overtuigend.

Gelet op het huidige TBS klimaat moet slechts tot die ingrijpende maatregel worden overgegaan als alle andere opties zijn uitgeput.

Naar de mening van de verdediging voldoet verdachte niet aan de voorwaarden voor het opleggen van een TBS in welke vorm dan ook. Het opleggen van tbs met voorwaarden zou echter dan nog altijd een minder vergaande optie.

Eerdere behandelingen zouden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, zijnde het zich onthouden van middelengebruik. Tijdens de detentie heeft verdachte een agressie hanterings training gevolgd en psychologische begeleiding gekregen. Binnen afzienbare tijd komt hier een vervolg op. De psychiater heeft ook vastgesteld dat verdachte bereid is een behandeling te ondergaan.

Gelet hierop heeft de verdediging primair gepleit voor het opleggen van een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De proeftijd kan 3 jaar of maximaal 10 jaar bedragen. De verslavingsreclassering zou dan langdurig aan verdachte kunnen worden gekoppeld, waarbij hem een behandeling kan worden opgelegd in een forensische instelling. Subsidiair heeft de verdediging gepleit voor een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste misdrijven uit ons Wetboek van Strafrecht. Met veel messteken heeft hij zijn vader van het leven beroofd. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Het moet voor hen bijzonder moeilijk zijn een dergelijk verlies te verwerken. Ook voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit.

Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte het feit heeft gepleegd na extreem middelengebruik, alcohol, drugs en medicijnen, waardoor hij in een situatie terecht is gekomen waarin hij zich zeer angstig en onveilig heeft gevoeld en heeft gemeend zich met een mes te moeten verweren tegen zijn vader die eveneens fors alcohol en drugs had gebruikt en op zoek was naar nog meer cocaïne.

De escalatie is ontstaan toen bleek dat er geen cocaïne meer voorhanden was en er een onrustige, agressieve sfeer tussen verdachte en zijn vader hing.

Enige dagen daarvoor had verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn vriendin. Ook toen was hij onder invloed van alcohol en cocaïne.

Over verdachte is gerapporteerd door de psycholoog [naam psycholoog] en de psychiater [naam psychiater]. De psycholoog heeft vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO. De persoon van verdachte wordt volgens hem gekenmerkt door borderline en, in mindere mate, anti-sociale trekken. Naast de persoonlijkheidsstoornis is er sprake van alcoholafhankelijkheid en afhankelijkheid van verschillende middelen.

De psychiater heeft ook een persoonlijkheidsstoornis NAO aanwezig geacht. Hij heeft geconcludeerd dat er zeer waarschijnlijk sprake was van een opeenstapeling van diverse factoren, zoals de moeizame relatie tussen vader en zoon, het excessieve middelengebruik van beiden en de uitputting door langdurig slecht slapen in verband met het middelen-gebruik, voorafgaande aan het plegen van het feit.

Op grond hiervan, maar met name vanwege de jarenlange affectieve en pedagogische verwaarlozing naast de erfelijke belasting, waaruit de gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid is voortgekomen, is de verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van de feiten door beide deskundigen vastgesteld.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten over.

De kans op recidive wordt door de deskundigen als reëel, dan wel zeer groot gezien.

Het recidive-risico wordt in het bijzonder bepaald door historische gegevens: eerder gewelddadig gedrag op jonge leeftijd, instabiliteit van relaties, problemen in het arbeidsverleden, problemen met middelengebruik, problemen in de kindertijd, de persoonlijkheidsstoornis en eerdere onttrekking aan toezicht van de reclassering.

Als gevolg van de stoornis van verdachte vormt hij een gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. Een langdurige behandeling wordt als noodzakelijk gezien.

Gezien het mislukken van eerdere interventies, zowel klinisch als ambulant op het gebied van terugdringen van verslaving wordt TBS met dwangverpleging door beide deskundigen geadviseerd om een voldoende zeker kader te bieden voor verdere behandeling en beveiliging van de maatschappij. De verwachting is dat een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden of tbs met voorwaarden onvoldoende controlemogelijkheden biedt om de recidivekans te beperken.

De rechtbank stelt vast dat aan de criteria van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van een TBS is voldaan. De rechtbank zal op grond van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling van verdachte en verpleging van overheidswege bevelen, nu zij van oordeel is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

De rechtbank zal verdachte, rekening houdend met de verminderde toerekenings-vatbaarheid, een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank houdt daarbij in sterke mate rekening met de persoon van verdachte. Verdachte heeft zich vanaf zijn vroege jeugd ontwikkeld tot een onzeker en beschadigd persoon, die veel behoefte heeft aan veiligheid, maar vooral aan duidelijkheid en structuur. Dat verdachte zich zo heeft ontwikkeld, is zeker niet alleen zijn eigen schuld. De rechtbank houdt daarmee rekening. Zij heeft in dat licht bij de bepaling van de hoogte van de straf, evenals de officier van justitie, het uitgebreide strafblad van verdachte op het gebied van geweldsdelicten, niet laten meewegen.

Alles afwegend komt de rechtbank, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, tot het opleggen van een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest.

7 Het beslag

7.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde goederen:

-onder nummer 184899, schoeisel, aan [naam] en

-onder nummer 184971, 2 paar schoenen aan [naam] en

-onder de nummers 184689 schoeisel, 184691 kleding, 184698 kleding, 184699 sok, 184703 ondergoed, 184705 sieraad, 184707 kleding aan verdachte,

nu deze als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt dan wel deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 57, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

-verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: Doodslag

feit 2: Mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- gelast de teruggave van de voorwerpen, zoals hiervoor onder 7.1 vermeld, die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gameren, voorzitter, mrs. Van Oijen en Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oostlander-Vink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 22 november 2009 te Tilburg opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer 1] meermalen in de rug en/of

meermalen in het gezicht en/of meermalen in de borst en/of meermalen in de/een

be(e)n(en) en/of meermalen in de nek en/of meermalen elders in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2009 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer 1] van

het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte met dat opzet met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer 1] meermalen in de rug en/of

meermalen in het gezicht en/of meermalen in de borst en/of meermalen in de/een

be(e)n(en) en/of meermalen in de nek en/of meermalen elders in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 november 2009 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 2]), (meermalen) in/tegen het gezicht en/of het

hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht