Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR0755

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
237156 HA RK 11-120
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek tegen politierechter niet-ontvankelijk verklaard, vanwege niet tijdig indienen van dit verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Wrakingskamer

zaaknummer 237156 HA RK 11-120

beslissing van 8 juli 2011

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verder te noemen verzoeker.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 17 juni 2011, onder meer vermeldende het op deze terechtzitting door verzoeker mondeling gedane verzoek tot wraking van de betrokken politierechter, [naam rechter], rechter bij deze rechtbank, en

- de behandeling van dit verzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 5 juli 2011, waarbij zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M.A. Loevendie, advocaat te Breda, [naam rechter], voornoemd en mr. L.L. van Delft, officier van justitie.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van [naam rechter] voornoemd, in zijn hoedanigheid van politierechter, belast met de behandeling van de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer 02/801310-09.

[naam rechter], verder te noemen de politierechter, berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3. De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

In de hiervoor genoemde strafzaak wordt verzoeker samengevat bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, althans met zware mishandeling, alsmede mishandeling ten laste gelegd.

Blijkens voormeld proces-verbaal van de zitting van de politierechter heeft deze de strafzaak van verzoeker volledig behandeld en heeft hij het onderzoek gesloten, waarna hij meteen is overgegaan tot doen van zijn mondelinge uitspraak. De politierechter heeft daarbij het volgende meegedeeld:

“Ik heb overal van kennisgenomen. U vindt dat u onheus bent bejegend. Nu zal ik mij tot de feiten beperken.

Ten aanzien van feit 3 is aangifte gedaan door [slachtoffer]. [slachtoffer] is ook bij de rechter-commissaris gehoord. De verbalisanten hebben letsel geconstateerd. Dat er geen camerabeelden zijn, is vreemd, maar daar kunnen vele oorzaken van zijn. Camera’s zijn bijvoorbeeld draaibaar of de kwaliteit van de beelden kan erg slecht zijn. Ten aanzien van dit feit zou ik tot een bewezenverklaring kunnen komen. Maar er zijn twee mogelijke getuigen niet gehoord, waardoor het een één op één verhaal blijft. Dat is te weinig om het feit te bewijzen, zodat u van dat feit zult worden vrijgesproken.

Feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van getuige [naam getuige].

Ten aanzien van feit 1 maakt het proces-verbaal melding van specifiek woordgebruik dat u tijdens de zitting ook uitte. Het hele dossier ademt een bepaalde sfeer vanwege dat woordgebruik. Ik geloof overigens best dat u in het verleden onrecht is aangedaan.

Feit 1 acht ik wettig en overtuigend bewezen. Ook dat u tegen de secretaresse heeft gezegd: “het moorden kan beginnen”.

Verzoeker heeft hierop de politierechter onderbroken en hem gewraakt en daarbij verklaard: “Ik wraak u wegens vooringenomenheid. Ik erken dit rechtsinstituut niet als zijnde een wettig instituut. Hierbij leg ik aangiften over van ambtsmisdrijven die in het verleden zijn gepleegd (als bijlage 2 aan het proces-verbaal gehecht). U had moeten zeggen dat het om vermeende feiten ging, in plaats van dat ik het heb gedaan.”

Ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker ter verdere onderbouwing van zijn wrakingsverzoek nog aangevoerd, dat het opgemaakte proces-verbaal van de zitting onvolledig en incorrect is. Verklaringen die hij heeft afgelegd zijn daarin niet opgenomen, terwijl zaken die daarin wel zijn opgenomen onjuist zijn. Verder is de politierechter voorbijgegaan aan de beelden van een 5-tal (beveiligings)camera’s, die van doorslaggevend belang zijn voor zijn onschuld, en zijn slechts 4 van de 24 door verzoeker opgegeven getuigen gehoord, welk verhoor bovendien buiten zijn aanwezigheid heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt volgens verzoeker voorbijgegaan aan zijn eerdere aan het openbaar ministerie gedane telefonische mededeling dat een aantal getuigen in het verleden meinedige verklaringen hebben afgelegd.

Verzoekers raadsman heeft nog aangevoerd, dat voorstelbaar is dat de politierechter, ofschoon sprake is van een zorgvuldige behandeling van de zaak, met zijn motivering van zijn bewezenverklaring van feit 1, met name dat het hele dossier vanwege het woordgebruik van verzoeker een bepaalde sfeer ademt, bij verzoeker de indruk van vooringenomenheid heeft gewekt.

4. Het standpunt van de politierechter

De politierechter voert aan dat hij bij de aanvang van de behandeling van de zaak heeft meegedeeld dat, hoewel de zaak zich beperkte tot een drietal ten laste gelegde feiten, begrip had voor de daaraan voorafgaande lange voorgeschiedenis en dat hij verzoeker dan ook de gelegenheid heeft geboden deze voor het voetlicht te brengen, waarbij hij hem slechts een enkele maal heeft onderbroken. Na de hele zaak te hebben doorlopen, waarvoor meer dan 2 uur was uitgetrokken, is hij vervolgens aan zijn uitspraak toegekomen. De politierechter stelt verder dat hij na het uitspreken van de bewezenverklaring door verzoeker werd onderbroken met diens wrakingsverzoek. Nog daargelaten of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, valt volgens de politierechter niet in te zien dat hij, door melding te maken van het uit het dossier blijkende taalgebruik en vast te stellen dat het dossier daardoor een bepaalde sfeer ademt, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. De politierechter stelt dat hij de zaak met de meeste zorgvuldigheid heeft behandeld en dat uit niets blijkt van enige uitspraak of gedraging van zijn zijde, die de conclusie van partijdigheid of vooringenomenheid zou kunnen rechtvaardigen. De politierechter meent dan ook dat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

5. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert primair tot een niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn wrakingsverzoek, omdat dit tijdens de einduitspraak in de zaak en derhalve ontijdig is gedaan.

Subsidiair concludeert hij tot afwijzing van het verzoek, nu de daaraan door verzoeker ten grondslag gelegde gronden dit verzoek niet kunnen dragen.

6. De beoordeling en de gronden daarvoor

Ingevolge artikel 513 Wetboek van Strafvordering dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.

Blijkens arresten van de Hoge Raad van 18 december 1998 (LJN AD2977) en 2 november 2010 (LJN BN2366) kan een wrakingsverzoek worden ingediend in elke stand van het geding totdat een einduitspraak is gedaan. Dit uitgangspunt is eveneens opgenomen in artikel 4.4 van het wrakingsprotocol Rechtbank Breda. Wraking strekt immers ertoe te voorkomen dat de door een verzoeker niet onpartijdig of vooringenomen geachte rechter over zijn zaak oordeelt en beslist. Als de betrokken rechter die de zaak heeft behandeld een beslissing heeft genomen, kan die beslissing niet meer worden voorkomen.

Het vorenstaande brengt met zich dat een wrakingsverzoek niet kan worden gedaan wanneer, zoals in het onderhavige geval, met het doen van een uitspraak een aanvang is gemaakt. In dat geval heeft immers de betrokken rechter zijn oordeel gevormd en zijn beslissing genomen, zij het dat hij als gevolg van de onderbreking door verzoeker niet aan de mededeling van zijn volledige beslissing is kunnen toekomen. Daarbij moet worden aangetekend dat de wet ervan uitgaat dat een vonnis in zijn geheel wordt uitgesproken.

Het vorengaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. De wrakingskamer tekent daarbij aan dat een wrakingsverzoek nimmer tot gevolg mag hebben dat een voor betrokkene negatief blijkende einduitspraak (voorlopig) wordt opgeschort of teniet wordt gedaan, te minder nu daartegen voor hem hoger beroep openstaat.

Dit leidt ertoe dat verzoeker niet in zijn verzoek tot wraking van de politierechter kan worden ontvangen, zodat aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet kan worden toegekomen.

7. De beslissing

De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven op 8 juli 2011 door mrs. P.P.M.H. van Hooff, D. van Kralingen en H..W.M. Pulskens, in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

--