Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BR0236

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
10/3467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beoordeling of loonsanctie bekort moet worden zijn de beleidsregels beoordelingskader poortwachter onverkort van toepassing.

Bij de beoordeling of een opgelegde loonsanctie moet worden bekort mag verweerder niet volstaan met de enkele toets of een bevredigend resultaat is bereikt. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat vervolgens nog getoetst zal moeten worden of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest. Zijn die inspanningen voldoende dan zal de loonsanctie bekort moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 / 3467 WIA

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2011 in de zaak tussen

Siemens Healthcare Diagnostics BV, te Breda, eiseres,

gemachtigde: mr. A.C. Cornelisse,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Alkmaar), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2010 (primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de opgelegde loonsanctie gehandhaafd blijft.

Bij besluit van 12 juli 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

[werknemer] (werknemer) is door de rechtbank aangemerkt als belanghebbende. Werknemer heeft aangegeven dat hij niet betrokken wil worden in de onderhavige procedure. Werknemer heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van medische gegevens door eiseres. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 8:32, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot enkele, door de rechtbank nader omschreven stukken. Aan de gemachtigde van eiseres is bijzondere toestemming verleend in de zin van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1. Werknemer is sinds 1 februari 2005 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) eiseres in de functie van Key Account Manager. Hij is voor dat werk uitgevallen op 5 juli 2007. Op 3 april 2009 heeft werknemer een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd.

Na arbeidskundig onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 16 april 2009 aangegeven dat eiseres alsnog onderzoek moet doen naar herplaatsingsmogelijkheden in spoor 1 en een adequaat spoor 2 traject moet opzetten.

Daarbij heeft de arbeidsdeskundige aangegeven dat het te verwachten resultaat is:

- werknemer werkt in werk dat min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden binnen het eigen bedrijf.

- werknemer werkt met zijn toestemming buiten het bedrijf.

- werknemer werkt in werk met een loonwaarde van tenminste 65% van het oorspronkelijke loon terwijl dit werk structureel is.

- er is een adequaat re-intregratietraject afgerond naar ander werk bij een andere werkgever.

Bij besluit van 4 mei 2009 heeft verweerder meegedeeld dat een loonsanctie van 52 weken wordt opgelegd. Eiseres heeft bezwaar aangetekend tegen dit besluit. In bezwaar is de bezwaararbeidsdeskundige tot het oordeel gekomen dat spoor 1 als herstelactie niet kan worden verlangd. Wel zal eiseres een adequaat spoor 2 traject moeten opstarten en afronden. Bij besluit van 25 september 2009 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het beroep dat eiseres tegen dit besluit heeft ingesteld, is door deze rechtbank op 4 oktober 2010 ongegrond verklaard.

Op 27 augustus 2009 heeft de werkgever een deskundigenoordeel aangevraagd bij verweerder. Deze aanvraag is, in overleg met eiseres, aangemerkt als een aanvraag om de loonsanctie te bekorten.

De arbeidsdeskundige heeft op 2 februari 2010 onderzoek gedaan. Hij komt tot de conclusie dat eiseres zich voldoende inspant met betrekking tot de re-integratie. De arbeidsdeskundige is echter van oordeel dat dit niet leidt tot het bekorten van de loonsanctie nu geen van de resultaten zoals aangegeven in het rapport van 16 april 2009 is bereikt.

2. In geschil is of verweerder op goede gronden heeft geweigerd de loonsanctie te bekorten.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat het oordeel dat zij in september 2009 voldoende re-integratie-inspanningen verrichtte aanleiding moet geven de sanctietermijn te bekorten. Eiseres acht het onredelijk dat het bekorten van de sanctietermijn afhankelijk wordt gesteld van een succesvolle plaatsing of van een afgerond spoort 2 traject. Ook met betrekking tot het afronden van een spoor 2 traject heeft een werkgever niet altijd invloed. Door het stellen van de voorwaarde dat een spoor 2 traject volledig moet zijn afgerond, is er geen sprake meer van een inspanningsverbintenis, maar van een resultaatverbintenis. Zo er sprake is van een tekortkoming, hetgeen eiseres ontkent, is eiseres van mening dat deze tekortkoming voldoende is hersteld.

4. In artikel 25, negende lid, van de WIA is bepaald dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

In artikel 25, twaalfde lid, van de WIA is bepaald dat indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichting of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, hij dit aan het UWV meldt, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.

Ingevolge artikel 25, veertiende lid, van de WIA eindigt de loonsanctie zes weken nadat

UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming heeft hersteld.

5. Niet in geschil is dat geen van de resultaten zoals genoemd in de rapportage van

de arbeidsdeskundige van 16 april 2009 is bereikt. Tevens is niet in geschil dat eiseres voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De arbeidsdeskundige heeft dit immers in zijn rapportage van 2 februari 2010 expliciet aangegeven. De rechtbank ziet zich derhalve uitsluitend voor de vraag gesteld of het enkele feit dat geen van de te verwachten resultaten is bereikt voldoende grondslag biedt om de loonsanctie niet te bekorten. De rechtbank overweegt het volgende.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder aangegeven dat verweerder ook bij de vraag of een opgelegde loonsanctie bekort moet worden de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) hanteert. In die Beleidsregels is bepaald dat als geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeeld moet worden of de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn. Zijn de inspanningen van de werkgever voldoende dan wordt geen loonsanctie opgelegd.

Nu niet in geschil is dat eiseres voldoende inspanningen heeft verricht, had verweerder, gelet op zijn eigen Beleidsregels, de opgelegde loonsanctie moeten bekorten. De stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat de tekortkoming van de werkgever pas hersteld is als een van de te verwachten resultaten is bereikt, volgt de rechtbank niet. Dat een resultaat moet zijn bereikt, wordt immers niet als voorwaarde genoemd in de Beleidsregels. Verder merkt de rechtbank op dat, zou deze stelling gevolgd worden, dit zou betekenen dat bij de beoordeling of de loonsanctie bekort kan worden hogere eisen aan een werkgever worden gesteld dan bij de beoordeling of een loonsanctie opgelegd moet worden. De rechtbank is van oordeel dat artikel 25, twaalfde lid, van de WIA geen ruimte laat voor deze opvatting. Als het bereiken van een bevredigend resultaat geen verplichting was die bij de beoordeling van de WIA-aanvraag op de werkgever rustte, kan het ook geen verplichting zijn waar bij een verzoek om bekorting van de loonsanctie aan moet zijn voldaan.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen dient het bestreden besluit vernietigd te worden.

Om de procedure niet langer te laten duren dan strikt noodzakelijk is, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door vast te stellen wanneer de loonsanctie eindigt. Om dit te kunnen vaststellen is het van belang op welk moment verzocht is om de loonsanctie te bekorten. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting aangegeven dat de datum waarop gevraagd is om een deskundigenoordeel moet worden aangemerkt als het moment waarom verzocht is om bekorting van de loonsanctie. Volgens de gemachtigde van eiseres is het deskundigenoordeel aangevraagd met het oog op de bekorting van de loonsanctie.

De rechtbank is van oordeel dat een aanvraag om een deskundigenoordeel niet zondermeer gelijkgesteld kan worden met een verzoek de loonsanctie te bekorten. Dit zou anders kunnen zijn als uit de aanvraag voor een deskundigenoordeel duidelijk blijkt dat eiseres de bedoeling heeft gehad te verzoeken om verkorting van de loonsanctie.

Eiseres heeft bij de aanvraag om een deskundigenoordeel de volgende vraagstelling aangegeven: ‘zijn de activiteiten en verrichtingen van de werkgever tot nu tot te zien als voldoende/goede inspanning(en) om [werknemer] volgens afspraak te laten re-integreren en zijn functionele activiteiten en uren uit te breiden.” Anders dan de gemachtigde van eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit deze vraagstelling niet zondermeer duidelijk blijkt dat eiseres verzoekt om bekorting van de loonsanctie. De aanvraagdatum van het deskundigenoordeel kan derhalve niet worden aangemerkt als het moment waarop is verzocht om bekorting van de loonsanctie.

In de rapportage van de arbeidsdeskundige van 2 februari 2010 wordt vermeld dat de gemachtigde van eiseres telefonisch heeft aangegeven dat het aangevraagde deskundigenoordeel moet worden aangemerkt als een aanvraag om de loonsanctie te bekorten. In het primaire besluit van 3 februari 2010 wordt aangegeven dat de gemachtigde van eiseres op 29 januari 2010 heeft verzocht te beoordelen of de tekortkomingen in de re-integratie-verplichtingen zijn hersteld. Dat er op 29 januari 2010 telefonisch contact is geweest tussen verweerder en de gemachtigde van eiseres wordt niet betwist. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat eiseres op 29 januari 2010 heeft verzocht om de loonsanctie te bekorten. Het primaire besluit waarmee geweigerd is de loonsanctie te bekorten dateert van 3 februari 2010. Daarmee heeft verweerder tijdig beslist op het verzoek de loonsanctie te bekorten, zodat de loonsanctie ingevolge het bepaalde in artikel 25, veertiende lid, van de WIA moet eindigen op 17 maart 2010.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank bepaalt dat de loonsanctie eindigt op 17 maart 2010.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 3 februari 2010;

- bepaalt dat de loonsanctie eindigt op 17 maart 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 298,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G.M. Wouters, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 juli 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep