Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9893

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
229113 HAZA 10-2392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229113 / HA ZA 10-2392

Vonnis in incident van 15 juni 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Shenzen (China),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.A.A. Voermans te Zaltbommel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SJIENA BV,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. S.J. Bruins Slot te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Sjiena genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22,

- de incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv van de zijde van Sjiena,

- de incidentele conclusie van antwoord van de zijde van [eiseres] met 1 productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1. Sjiena vordert dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt om binnen veertien dagen na het vonnis in incident zekerheid te stellen voor de proceskosten van Sjiena, waartoe [eiseres] mogelijk in de hoofdzaak zou kunnen worden veroordeeld, door een depotstorting op de derdengeldrekening van Sjiena’s advocaat of door afgifte van een bankgarantie op eerste afroep van een Nederlandse bankinstelling, een en ander op straffe van niet-ontvankelijkheid, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident.

2.2. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. In de hoofdzaak vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - kort gezegd - Sjiena te veroordelen tot het aan [eiseres] verschaffen van een opgave van haar accountant van de gemaakte nettowinst over het jaar 2010, op verbeurte van een dwangsom van Euro 1.000,- per dag indien zij langer dan twee dagen na betekening van het vonnis hiervan in gebreke blijft, en tot betaling aan [eiseres] van:

- een bedrag in hoofdsom van Euro 96.278,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

- de kosten van twee kort gedingprocedures, vermeerderd met de wettelijke rente;

- de kosten van de Legal Opnion van Euro 1.190,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

- een bedrag van Euro 4.430,32 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

- de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2. Sjiena grondt haar vordering tot zekerheidstelling van proceskosten op artikel 224 Rv, nu [eiseres] in China woonachtig is en geen gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Sjiena begroot de proceskosten, gelet op de hoogte van de vordering in de hoofdzaak, op Euro 11.504,50, daarbij uitgaande van een bedrag van Euro 3.490,- aan griffierecht, een bedrag van Euro 7.815,50 aan salaris advocaat (5,5 punten binnen tariefgroep V) en een bedrag van Euro 199,- aan nakosten.

3.3. [eiseres] betwist jegens Sjiena gehouden te zijn tot het stellen van zekerheid. Zij stelt dat een proceskostenveroordeling in China executabel is op grond van het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (hierna: Haags Betekeningsverdrag van 1965), zodat haar een beroep toekomt op de uitzondering van artikel 224 lid 2 Rv.

Indien en voor zover [eiseres] wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid, verweert zij zich ten aanzien van de hoogte van de gevorderde zekerheidstelling en de wijze waarop daaraan uitvoering dient te worden gegeven. Het door Sjiena begrote bedrag is volgens haar onredelijk hoog nu de zaak eenvoudig is af te doen op grond van stukken, zodat volstaan moet kunnen worden met twee punten van het liquidatietarief. Verder heeft Sjiena volgens [eiseres] ten onrechte de kosten van het incident meegerekend, aangezien deze hadden kunnen worden voorkomen, indien Sjiena haar hiervoor buiten rechte had benaderd, want in dat geval zou aan het verzoek gehoor zijn gegeven. Derhalve acht zij een zekerheidstelling van € 6.531,- toereikend. [eiseres] voert aan dat de depotstorting van dit bedrag op de derdengeldrekening van haar advocaat voldoende waarborgen voor Sjiena biedt om de mogelijke proceskostenveroordeling vergoed te krijgen.

3.4. Het eerste lid van artikel 224 Rv bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Vaststaat dat [eiseres] geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zodat zij in beginsel zekerheid voor proceskosten dient te stellen.

In het tweede lid van artikel 224 Rv zijn onder a tot en met d echter vier uitzonderingsgevallen opgesomd waarin geen verplichting tot zekerheidstelling bestaat.

3.5. Het beroep van [eiseres] op artikel 224 lid 2 Rv slaagt niet. China is weliswaar partij bij het Haags Betekeningsverdrag van 1965, maar genoemd verdrag ziet niet op executie van buitenlandse vonnissen. China is voorts geen partij bij het Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen (Trb. 1989,114) of het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (Trb. 1954,40). Genoemde verdragen bevatten bepalingen die het stellen van zekerheid voor proceskosten uitsluiten. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat een van de in artikel 224 lid 2 genoemde uitzonderingen zich voordoen.

3.6. Voor de wijze waarop zekerheidstelling voor eventuele proceskosten door buitenlandse partijen op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, dient aansluiting te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. Voorop staat dat de gedaagde zonder moeite verhaal zal moeten kunnen nemen op de geboden zekerheid.

3.7. [eiseres] heeft tegen de door Sjiena voorgestelde wijze van zekerheidstelling, te weten een bankgarantie, geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat die wijze van zekerheidstelling voor haar onredelijk bezwaarlijk is. Nu Sjiena wel bezwaren heeft aangevoerd tegen de door [eiseres] aangeboden wijze van zekerheidstelling en het afgeven van een bankgarantie ter zekerheid bovendien het meest gebruikelijk is, zal de rechtbank Sjiena’s vordering in zoverre toewijzen. Ook tegen de gevorderde termijn voor zekerheidstelling heeft [eiseres] geen bezwaren aangevoerd. Gelet hierop zal de rechtbank de termijn waarbinnen zij de bankgarantie moet hebben afgegeven, stellen op veertien dagen na heden.

3.8. Nu [eiseres] het griffierecht, het liquidatietarief en de nakosten, zoals die door Sjiena in de begroting van de proceskosten zijn opgenomen, niet heeft betwist, is met betrekking tot de hoogte van het bedrag van de zekerheidstelling slechts nog in geschil het aantal te hanteren punten van het liquidatietarief en het meerekenen van de proceskosten van het incident. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Sjiena onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat thans in de begroting voor proceskosten punten voor enquête, contra-enquête, conclusie na enquête en een nadere akte ter rolle moeten worden meegerekend. De rechtbank zal derhalve uitgaan van twee punten op basis van tariefgroep V (Euro 1.421,-). Overigens staat het Sjiena vrij om gedurende de hoofdzaak aanvullende zekerheid te vorderen indien dat nodig blijkt.

De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist. In dit licht bezien dient in de begroting van de zekerheidstelling rekening te worden gehouden met deze kosten. De rechtbank zal, gelet op de hierna te melden hoogte van de zekerheidstelling, uitgaan van één te liquideren punt van tariefgroep I (Euro 384,-). Het bedrag waarvoor [eiseres] zekerheid dient te stellen wordt derhalve begroot op in totaal Euro 6.915,- (Euro 3.490,- aan griffierecht, Euro 3.226,- aan salaris advocaat en Euro 199,- aan nakosten).

3.9. De procedure in de hoofdzaak zal worden voortgezet zodra de vereiste zekerheid is geschied aan de hand van een bankgarantie door een Nederlandse bank en nadat bij akte daarvan bewijs in het geding is gebracht.

3.10. De rechtbank zal, nu dit vonnis een provisioneel vonnis betreft waartegen hoger beroep openstaat, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.beveelt [eiseres] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zekerheid te stellen ten behoeve van Sjiena voor een bedrag van Euro 6.915,- (zegge: zesduizend negenhonderdvijftien euro) door middel van een door een Nederlandse bank afgegeven bankgarantie conform het model van de Nederlandse Vereniging van Banken, laatste versie;

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoer bij voorraad,

4.3. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.4. verwijst de zaak naar de rol van 29 juni 2011 voor het nemen van een akte door [eiseres] waarbij zij bewijs van zekerheidstelling in het geding dient te brengen;

4.5. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2011.