Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9779

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 4856 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW0759, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reconstructieplan Beerze-Reusel. Intensieve veehouderij.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 4856 WRO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

1. (naam eisers),

2. (naam eisers),

3. (naam eisers),

allen wonende te (woonplaats), eisers,

gemachtigde (naam gemachtigde),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek,

verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

de besloten vennootschap (naam bedrijf),

gevestigd te (plaatsnaam),

gemachtigde (naam gemachtigde).

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 september 2011 (bestreden besluit), inzake een aan de besloten vennootschap (naam bedrijf) (vergunninghoudster) verleende vrijstelling van een bestemmingsplan en een bouwvergunning 1e fase voor het oprichten van een zeugen-, kraam-, biggen- en vleesvarkensstal.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 mei 2011, waarbij aanwezig waren de (naam eisers) en de heer en mevrouw (naam eisers) met hun gemachtigde en namens verweerder T. Li en A.P. d’Haens, bijgestaan door mr. P.L.J.M. van Dun als gemachtigde. Namens de derde-partij is verschenen (naam), bijgestaan door haar gemachtigde.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghoudster wil op de locatie (naam), plaatselijk bekend (adresnaam) te (plaatsnaam) (hierna: projectlocatie), een zeugen-, kraam-, biggen- en vleesvarkensstal oprichten. Het gaat hier om intensieve veehouderij. Op dit perceel was voorheen een melkrundveebedrijf gevestigd.

Verweerder heeft op 20 april 2007 het verzoek ontvangen van (naam) om het bouwblok van de projectlocatie te vergroten tot 2,5 hectare en hiervoor een procedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) op te starten. Daarnaast heeft verweerder op 20 april 2007 van vergunninghoudster een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning fase 1 ontvangen.

Bij brief van 10 september 2007 heeft Welstandszorg Noord-Brabant positief geadviseerd.

Adviesbureau SAB Eindhoven heeft op 27 juni 2008 een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Verweerder heeft op 3 juli 2008 zijn voornemen om een vrijstelling te verlenen voor het realiseren van intensieve veehouderij op de projectlocatie bekend gemaakt waarna het voorgenomen besluit vanaf 4 juli 2008 ter inzage heeft gelegen.

Op 15 augustus 2008 heeft verweerder van eisers zienswijzen ontvangen tegen dit voornemen.

Op 13 januari 2009 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Verweerder heeft bij besluit van 14 april 2009 vrijstelling ten behoeve van het oprichten van een zeugen-, kraam-, biggen- en vleesvarkensstal met aanverwante voorzieningen op het perceel Van de Veldenweg 4 te Diessen.

Op 27 oktober 2009 heeft verweerder vervolgens een bouwvergunning 1e fase verleend voor het oprichten van een zeugen-, kraam-, biggen- en vleesvarkensstal.

Eisers hebben op 10 december 2009 bezwaar gemaakt tegen de vrijstelling en de bouwvergunning.

De gemeenteraad van (plaatsnaam) heeft op 10 december 2009 een voorbereidingsbesluit vastgesteld met betrekking tot de projectlocatie. Dit voorbereidingsbesluit is op 7 januari 2010 in werking getreden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie – de bezwaren van eisers ongegrond verklaard, met dien verstande dat in het bestreden besluit de zinsnede “door middel van deze vrijstellingsprocedure een deel van de huidige bestemming ‘Agrarisch gebied’ in materiële zin wordt gewijzigd in ‘Agrarisch bouwblok’” komt te vervallen.

2.2 Eisers hebben in beroep tegen het bestreden besluit, samengevat, aangevoerd dat:

a. de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de wettelijk gestelde eisen;

b. het project niet voldoet aan het reconstructieplan, omdat het oorspronkelijk bouwblok volledig in het verwevingsgebied is gelegen en het reconstructieplan een uitbreiding van het bouwblok tot ruim 3 hectare niet toestaat;

c. het verzoek om vrijstelling voor uitbreiding van het bestaande bouwblok tot 2,5 hectare onjuist is gebleken, het gaat om ruim 3 hectare;

d. de afgegeven verklaring van geen bezwaar op onzorgvuldige en onrechtmatige wijze tot stand is gekomen. Het college van Gedeputeerde Staten heeft in de verklaring van geen bezwaar van 13 januari 2009 aangegeven dat er geen milieuplanologische belemmeringen zijn, terwijl de milieuvergunning bij uitspraak van 22 oktober 2008 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) was vernietigd;

e. een voorbereidingsbesluit ontbreekt, terwijl het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ meer dan 10 jaar oud is;

f. de beek Reusel deel uitmaakt van het te beschermen Natura 2000-gebied Kempenland-West en van het natuurontwikkelingsgebied Turkaa. Het bestaande agrarische bouwblok ligt binnen de 1.000 meter zonde van het Natura 2000-gebied;

g. de AbRS in een uitspraak van 4 april 2007 heeft geoordeeld dat het reconstructieplan Beerze-Reusel van 22 april 2005 wordt vernietigd voor zover gronden binnen 1000 tot 1500 meter van de beken Reusel, Groote Beerze en Kleine Beerze als primair Landbouwontwikkelingsgebied zijn aangewezen. Wegens het vervallen van het reconstructieplan waarin het beoogde perceel deels ligt, vervallen ook de ontwikkelingsmogelijkheden voor die locatie;

h. er sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging.

2.3 Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Gelet op artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een vrijstelling waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Het verzoek om vrijstelling is ingediend op 28 augustus 2007; gelet hierop is op dit verzoek de WRO van toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Artikel 19, vierde lid, van de WRO bepaalt dat vrijstelling krachtens het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor een bestemmingsplan ouder dan 10 jaren geldt, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.4 Het onderhavige perceel ligt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en heeft de bestemming ‘Agrarisch Gebied’ en ‘Agrarisch Bouwblok, code A’.

In artikel 8.1.1 van de planvoorschriften is bepaald dat gronden met de bestemming ‘Agrarisch Gebied’ bestemd zijn voor onder andere de duurzame uitoefening van een agrarisch bedrijf, met de daarbij behorende voorzieningen. Artikel 10.1.1 van de planvoorschriften bepaalt dat de gronden die zijn aangeduid als ‘Agrarisch Bouwblok’ bestemd zijn voor de uitoefening van het agrarische bedrijf, met de daarbij behorende voorzieningen, met dien verstande dat voor zover de code ‘A’ is aangegeven, de omschakeling naar andere bedrijfsvormen is toegestaan (al dan niet in combinatie met uitbreiding), behoudens de gehele of gedeeltelijke omschakeling naar een glastuinbedrijf.

Tussen partijen is niet in geschil dat het project in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, omdat het project voorziet in uitbreiding van het agrarisch bouwblok naar 2,5 hectare. De in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van agrarische bouwblokken laat vergroting toe tot maximaal 1,5 hectare.

De gemeenteraad van de gemeente Hilvarenbeek heeft op 28 juni 2001 de bevoegdheid om te beslissen op verzoeken om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO gedelegeerd aan verweerder.

Voorts constateert de rechtbank dat is voldaan aan de formele eisen die in artikel 19 van de WRO zijn gesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door de gemeenteraad op 10 december 2009 een voorbereidingsbesluit is genomen dat op 7 januari 2010 in werking is getreden voor het gebied waar het project wordt gerealiseerd. Het college van Gedeputeerde Staten heeft een verklaring van geen bezwaar afgegeven en het bestreden besluit is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing.

Verweerder was derhalve bevoegd om vrijstelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ te verlenen. Beroepsgrond e. is ongegrond.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat artikel 19, eerste lid, van de WRO aan verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid verschaft, en dat de bestuursrechter het gebruik van deze vrijheid slechts terughoudend mag toetsen.

In de ruimtelijke onderbouwing van het project is in gegaan op het streekplan ‘Brabant in balans’, het reconstructieplan Beerze Reusel, het uitwerkingsplan Oisterwijk-Hilvarenbeek, de structuurvisie ‘Brabant in ontwikkeling’ en de paraplunota. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank alle planologisch relevante aspecten voldoende besproken in de ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast is in de ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed aan akoestiek, flora en fauna, cultuurhistorie en archeologie, bodem, milieuhinder omliggende bedrijven, waterhuishouding, externe veiligheid, luchtkwaliteit en economische haalbaarheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Beroepsgrond a. is ongegrond.

2.6 Het projectperceel ligt in de Agrarische Hoofdstructuur (AHS) in de zone ‘AHS-landbouw’. Het projectperceel is in de correctieve herziening van het reconstructieplan Beerze-Reusel gedeeltelijk aangewezen als secundair landbouwgebied en gedeeltelijk als verwevingsgebied.

De AbRS heeft in de uitspraak van 24 februari 2010 (200807643/1/R1) in rechte vastgesteld dat het bestaande agrarische bouwblok geheel is gelegen binnen het secundaire landbouwontwikkelingsgebied (overweging 2.18). Van een ‘harde’ grens in de zin van paragraaf 11.6.1. van het reconstructieplan is - anders dan eisers stellen - geen sprake. De AbRS heeft in deze uitspraak ook geoordeeld dat het secundaire landbouwontwikkelings-gebied juist is vastgesteld overeenkomstig de uitgangspunten die provinciale staten daarvoor hanteren (en welke door de AbRS al eerder in de uitspraak van 4 april 2007 (200506283/1) niet onredelijk zijn geacht). Secundaire landbouwontwikkelingsgebieden liggen tussen de 1.000 tot 1.500 meter rondom Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden). Beroepsgrond f. en g. zijn dus feitelijk onjuist en ongegrond.

De rechtbank stelt voorts vast dat het toekomstige agrarische bouwblok grotendeels is gelegen in het secundaire landbouwontwikkelingsgebied en voor een klein deel in het verwevingsgebied.

Op grond van artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (Rwc) wordt onder een landbouwontwikkelingsgebied verstaan: een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat landbouw waar de mogelijkheid bestaat tot uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Provinciale staten hebben vastgesteld dat binnen secundaire landbouwontwikkelingsgebieden een verbod op nieuwvestiging geldt. Hervestiging en omschakeling op een bestaand agrarisch bouwblok is wel mogelijk, evenals uitbreiding tot een agrarisch bouwblok met een omvang van 3 hectare.

Het onderhavige project voorziet in de uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwblok en past daarom in een secundair landbouwontwikkelingsgebied.

Artikel 1, van de Rwc bepaalt dat onder verwevingsgebied wordt verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

In het reconstructieplan Beerze Reusel wordt met betrekking tot verwevingsgebieden aangegeven dat een bouwblok van maximaal 2,5 hectare kan worden toegekend voor intensieve veehouderij, mits er sprake is van een duurzame locatie.

De Landinrichtingscommissie De Hilver, de Regionale Reconstructiecommissie Beerze-Reusel, verweerder, het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, de Locale Adviescommissie De Hilver en de Ontwikkelingsmaatschappij Intensieve Veehouderij CV hebben op 4 maart 2004 een overeenkomst gesloten, waarin zij de intentie hebben uitgesproken om op de locatie Van Strijdhoven een duurzaam project te ontwikkelen ten behoeve van intensieve veehouders uit het gebied De Hilver. Gelet op de Beoordelingstabel duurzame projectlocaties in de ‘Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderij (2003)’ gelden in de AHS-Landbouw geen specifieke randvoorwaarden, waarmee bij de beoordeling van duurzame projectlocaties minimaal rekening dient te worden gehouden. In de ruimtelijke onderbouwing is vervolgens nader uitgewerkt dat ter plaatse geen belemmeringen aanwezig zijn van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudelijke of milieuhygiënische aard.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende onderbouwd dat de projectlocatie duurzaam is. Het onderhavige project past dus in een verwevingsgebied.

Het voorstaande leidt tot de conclusie dat verweerder voldoende heeft onderbouwd en gemotiveerd waarom het project past in het reconstructieplan Beerze Reusel. De beroepsgronden b. en g. zijn dus ongegrond.

2.7 Eisers hebben nog aangevoerd dat het project voorziet in een uitbreiding van het agrarisch bouwblok tot 3 hectare. Zij rekenen dan ook de geplande groenstroken rondom het erf en de stallen mee, zoals deze zijn aangegeven in het erfbeplantingsplan.

Verweerder is van mening dat de groenstroken en soortgelijke voorzieningen niet relevant zijn voor de vaststelling van het agrarisch bouwblok en de omvang van de intensieve veehouderij die op het perceel wordt gevestigd.

De rechtbank merkt op dat de aanleg van groenstroken rondom het agrarisch bouwblok past in de bestemming ‘agrarisch gebied’. De rechtbank verwijst naar artikel 8.1.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften: de gronden met de bestemming ‘agrarisch gebied’ zijn ook bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden. Daarvan is hier sprake: de groenstroken worden aangelegd om de nieuwe stallen in te passen in de omgeving. Voor de aanleg van de groenstroken is dus geen vrijstelling van het bestemmingsplan nodig.

De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat de groenstroken niet relevant zijn voor de vaststelling of het project in overeenstemming is met het reconstructieplan Beerze Reusel. Overigens is uitbreiding van het agrarische bouwblok tot een omvang van 3 hectare binnen het secundaire landbouwontwikkelingsgebied in beginsel mogelijk. Beroepsgrond c. is daarom ongegrond.

2.8 De stelling van eisers dat het projectperceel is gelegen binnen een afstand van 1.000 meter van een Natura 2000-gebied is gelet op de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de AbRS van 24 februari 2010 feitelijk onjuist. De rechtbank merkt daarbij op dat de Reusel is aangewezen als Natura 2000-gebied (Kempenland-West) voor zover gelegen tussen de Langvoortse brug tot aan de Wilhelminadijk. De vraag naar de natuurwaarden kan naar het oordeel van de rechtbank overigens voldoende aan de orde komen in de procedure die eisers hebben aangespannen tegen de vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet, die gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant aan vergunninghoudster hebben verleend. Beroepsgrond f. is ook in zoverre ongegrond.

2.9 Ook het standpunt van eisers dat de verklaring van geen bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat daarin is aangegeven dat er geen milieuplanologische belemmeringen zijn, terwijl de milieuvergunning al twee keer is vernietigd door de AbRS, is naar het oordeel van de rechtbank ongegrond. De milieuvergunning ziet immers op de bedrijfsvoering van de inrichting (de toekomstige veehouderij). Dat is een andere vraag dan de vraag of er (milieu)planologische bezwaren bestaan tegen de vestiging van intensieve veehouderij op deze locatie. Beroepsgrond d. is ongegrond.

2.10 Verweerder heeft in de reactie op de zienswijze van eisers aangegeven dat het hier gaat om de hervestiging van intensieve veehouderij op de locatie Straatsedijk 2a te Westelbeers, gelegen in een verwevingsgebied, naar de huidige projectlocatie, gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, dus verder weg van kwetsbare natuurgebieden. Daardoor verbetert de situatie in het totale reconstructiegebied. In de intentieovereenkomst van 4 maart 2004 is deze locatie al aangewezen als duurzame locatie voor intensieve veehouderij.

Eisers vrezen stankoverlast en verstoring van het landschap. De rechtbank is van oordeel dat eisers de milieutechnische bezwaren voldoende aan de orde hebben kunnen stellen in het kader van de procedure tegen de milieuvergunning. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat stankoverlast of ammoniakemissie de verlening van de milieuvergunning in de weg staat. De afstand tussen de woningen van de families Gimbrère en Lagendijk en de projectlocatie is meer dan 300 meter. Het perceel van de familie Van Strijdhoven wordt uitsluitend recreatief gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom in redelijkheid kunnen beslissen om het belang van vergunninghoudster en het algemene belang van verplaatsing van intensieve veehouderij naar een duurzame locatie in het landbouw-ontwikkelingsgebied zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij behoud van hun uitzicht.

Van een onzorgvuldige belangafweging door verweerder is geen sprake. Beroepsgrond h. is ongegrond.

2.11 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en door deze en mr. P.E. van Althuis, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: