Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9227

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
11/2160
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke openbaarmaking inspectierapporten Voedsel en Waren Autoriteit o.g.v. Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Niet is gebleken dat er weigeringsgronden zijn, op grond waarvan verweerder de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de inspectielijsten had moeten weigeren. De inspectielijsten bevatten geen bedrijfs- of fabricagegegevens of bijzondere persoonsgegevens. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden, dat de (gedeeltelijke) openbaarmaking tot onevenredig nadeel van verzoekster kan leiden of direct van invloed kan zijn op de persoonlijke levenssfeer van haar medewerkers. Eveneens is onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat in de inspectielijsten persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen of dat het belang van inspectie en toezicht met de (gedeeltelijke) openbaarmaking wordt geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 2160 WOB VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

te Tilburg, verzoekster,

gemachtigde mr. G.A. van der Veen,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 31 maart 2011 (bestreden besluit), waarbij inspectierapporten van de Voedsel en Waren Autoriteit inzake makakenapen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) op verzoek van [naam derde-partij] (derde-partij) (gedeeltelijk) openbaar zijn gemaakt.

Tevens heeft zij op 15 april 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft – onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – verzocht om geheimhouding van de in geding zijnde documenten. De voorzieningenrechter heeft bij beslissing van 4 mei 2011 dit verzoek gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de in die beslissing nader omschreven stukken. Verzoekster en derde-partij hebben de voorzieningenrechter vervolgens toestemming gegeven om mede op grond van dat stuk uitspraak te doen.

Het verzoek is, gevoegd met procedurenummer 11 / 2388 WOB VV, behandeld ter zitting van 7 juni 2011, waarbij namens verzoekster aanwezig waren haar gemachtigde en [verzoekster]. Tevens is namens verzoekster verschenen [naam adviseur], adviseur. Namens verweerder is verschenen [woordvoerder verweerder]. Derde-partij is ter zitting verschenen bij gemachtigde [naam gemachtigde].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 3 februari 2011 heeft derde-partij de Voedsel en Waren Autoriteit verzocht om afschriften van alle documenten die betrekking hebben op een onderzoek naar de dood van een aantal makakenapen, dat vanuit het bedrijf van verzoekster is vervoerd naar een onderzoekscentrum in Zweden. Tevens heeft zij alle inspectierapporten opgevraagd en eventuele andere documenten die op deze inspecties betrekking hebben. Bij e-mail van 9 maart 2011 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij bedenkingen heeft tegen de openbaarmaking van deze documenten. Verzoekster heeft daarop bij e-mail van 10 maart 2011 gereageerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door derde-partij gevraagde documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van de naam van het bedrijf waar de inspecties hebben plaatsgevonden, de naam van de contactpersoon die betrokken is bij het bedrijf, de nummers van de ambtenaren van de Voedsel en Waren Autoriteit die de inspecties hebben uitgevoerd en de gegevens over de beveiliging van het bedrijf. Verweerder heeft daarbij opgemerkt, dat hij de documenten niet eerder zal verstrekken dan vier weken nadat het bestreden besluit is bekendgemaakt.

Bij brief van 21 april 2011 heeft verweerder de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

2.2 Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij met het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld. Zij wijst erop dat haar bedrijf onder vuur ligt en dat er geregeld acties worden gevoerd. Dat betekent volgens verzoekster dat terughoudend met documenten betreffende haar organisatie moet worden omgegaan. Met het verwijderen van haar naam uit de documenten, worden haar belangen onvoldoende beschermd, nu het verzoek van derde-partij ziet op een concreet bedrijf en het bestreden besluit daarop ook betrekking heeft. Volgens verzoekster kan alleen met volledige onthouding van openbaarheid tegemoet worden gekomen aan haar belangen. Verzoekster merkt daarnaast op dat sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob. Voorts veronderstelt verzoekster, dat de in geding zijnde inspectierapporten interne stukken betreffen, opgemaakt voor intern beraad als bedoeld in artikel 11 van de Wob. Daarnaast doet zij een beroep op artikel 10, tweede lid, sub d en artikel 10, eerste lid, sub d van de Wob

Verzoekster vreest voor een onevenredig benadeling, nu vertrouwelijke bedrijfsgegevens openbaar dreigen te worden gemaakt, en wel gegevens die betrekking hebben op overheidstoezicht bij verzoekster, waarop zij bovendien geen enkele invloed heeft kunnen hebben. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Derde-partij heeft aangevoerd dat het (spoedeisend) belang van verzoekster is komen te vervallen, aangezien verzoekster de in geding zijnde documenten zelf heeft opgevraagd bij verweerder, dit verzoek niet anders kan worden opgevat als een verzoek op grond van de Wob en verweerder daarop in positieve zin heeft beslist. Daarmee zijn de in geding zijnde documenten openbaar geworden, aldus derde-partij. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster in haar bezwaarschrift heeft verzocht om een afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De voorzieningenrechter beschouwt dat als een verzoek als bedoeld in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb. In het verzoek is de Wob niet vermeld, noch blijkt daaruit dat verzoekster de bedoeling heeft gehad om de desbetreffende stukken openbaar te maken. De Wob is derhalve op dat verzoek niet van toepassing.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster wil voorkomen, dat verweerder uitvoering geeft aan het bestreden besluit door de in geding zijnde documenten openbaar te maken. Daarin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang gelegen.

2.5 Artikel 2, eerste lid, van de Wob bepaalt dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Een verzoek om informatie wordt op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wob ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en sub c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. […];

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. […];

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

In artikel 11, eerste lid, van de Wob is bepaald, dat ingeval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrek over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2.6 De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de in geding zijnde documenten. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld, dat het inspectielijsten betreft van bezoeken aan het bedrijf van verzoekster op 11 juli 2003, 24 juli 2003, 4 december 2003, 18 mei 2004, 19 januari 2005, 18 mei 2005, 26 juli 2005, 5 januari 2006, 12 januari 2006, 23 januari 2007, 6 juni 2008, 1 april 2009, 30 juni 2009, 6 augustus 2009, 9 maart 2010, 13 april 2010, 20 mei 2010, 16 augustus 2010, 16 november 2010 en 5 januari 2011. Daarin zijn steeds vermeld:

• naam en adres van de inspectielocatie (weggelakt in openbaar te maken stukken);

• datum, tijdstip en reden van het bezoek;

• vraagstelling en onderzoeksbevindingen.

Tussen partijen is in geschil of er weigeringsgronden zijn op grond waarvan verweerder de openbaarmaking van de in geding zijnde inspectielijsten had moeten weigeren. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of de door verzoekster aangedragen weigeringsgronden (artikel 10, eerste lid, aanhef en sub c en d, artikel 10, tweede lid, sub d, e en g en artikel 11, eerste lid, van de Wob) in dit geval aan de orde zijn.

2.6.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) (o.a. 3 februari 2010, LJ-nummer: BL1831) dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

In geschil is of uit de gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces. Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat de in geding zijnde inspectielijsten vertrouwelijk medegedeelde bedrijfsgegevens bevatten. De voorzieningenrechter kan dat standpunt niet volgen. Mogelijk zijn er bij de bezoeken van de inspecteur mondeling vertrouwelijke bedrijfsgegevens medegedeeld, doch deze zijn niet in de inspectielijsten neergelegd. Niet valt in te zien hoe uit de in de inspectielijsten neergelegde onderzoeksbevindingen wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces van verzoekster. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevatten de inspectielijsten dan ook geen bedrijfs- of fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, sub c, van de Wob.

2.6.2 Verzoekster kan als rechtspersoon geen beroep doen op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht, dat zij met haar beroep op eerbiediging op de persoonlijke levenssfeer doelt op haar medewerkers. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien hoe de in de inspectielijsten neergelegde informatie direct van invloed kan zijn op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van verzoekster. Verzoekster heeft eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de in geding zijnde inspectielijsten tot onevenredig nadeel van verzoekster kan leiden. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid overwogen, dat de openbaarmaking van de in geding zijnde inspectielijsten in weggelakte vorm een dusdanige anonimisering oplevert, dat voor een willekeurig persoon niet duidelijk is op welk bedrijf de inspectielijsten zien en wie de contactpersoon is van dat bedrijf.

2.6.3 In artikel 10, eerste lid, sub d, van de Wob wordt verwezen naar paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Die paragraaf bevat regels met betrekking tot ‘bijzondere persoonsgegevens’. Ingevolge artikel 16 van de Wbp wordt daaronder verstaan: persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging, strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag. De voorzieningenrechter stelt vast dat dergelijke gegevens in de (geanonimiseerde) inspectielijsten niet voorkomen.

2.6.4 Voor zover al zou kunnen worden gezegd, dat de in geding zijnde inspectielijsten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat in deze inspectielijsten persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen. De voorzieningenrechter stelt vast, dat de onderzoeksbevindingen van de inspecteur feitelijk van aard zijn en daarom niet als persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden aangemerkt.

Ook heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt, dat het belang van inspectie en toezicht met de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de in geding zijnde inspectielijsten wordt geschaad.

2.7 Gezien het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar rechtens kunnen standhouden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

2.8 Gelet op dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Het verzoek van derde-partij, om verzoekster te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten, wordt ook afgewezen, omdat de voorzieningenrechter van een kennelijk misbruik van procesrecht door verzoekster niet is gebleken.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, en door deze en N.A. D’Hoore, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 24 juni 2011