Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ7199

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
10/5048
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Verlaagd tarief voor Kustmarathon. Interpretatie vierdaagse-arrest Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/36.23.10
FutD 2011-1391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/5048

Uitspraakdatum: 16 maart 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

Stichting [belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

Eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Goes,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 19 februari 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de beschikking heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011 te Bergen op Zoom. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar bestuurslid [bestuurslid], vergezeld van haar gemachtigden [gemachtigden], verbonden aan [accountantskantoor] te [woonplaats] alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.790;

-vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.035;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 298 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende organiseert jaarlijks voor haar rekening en risico onder de naam Kustmarathon een evenement dat bestaat uit een wedstrijdmarathon, een ladiesrun, een minimarathon voor de jeugd, een wandelmarathon en een mountainbiketocht. Belanghebbende is als zodanig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet). Voor de deelname aan de Kustmarathon brengt belanghebbende aan de deelnemers inschrijfgelden in rekening.

2.2.De wedstrijdmarathon en wandelmarathon starten in [woonplaats A] en finishen in [woonplaats B]. Het parcours loopt over wegen, het strand en door bossen. De minimarathon en de ladiesrun vinden plaats in [woonplaats B] en hebben hetzelfde begin- en eindpunt. De start en de finish van de marathons zijn afgezet met dranghekken en gereserveerd voor de deelnemers. Er staan kleedkamers en douches in een nabijgelegen sporthal ter beschikking van de deelnemers. Voor de start van de wedstrijd- en wandelmarathon wordt de [straat] in [woonplaats A] afgesloten van 7.00 tot 9.00 uur. De [straat] in [woonplaats B] is afgesloten van 8.00 tot 21.00 uur en volledig gereserveerd voor de deelnemers. Ook een aantal paden in de bossen is volledig gereserveerd voor de deelnemers. De deelnemers dragen een borstnummer. Het parcours is zoveel als mogelijk en nodig afgezet en wordt bewaakt door parcourswachters. Zij zorgen voor de veiligheid van de deelnemers en wijzen hen de juiste weg. Ook zorgen zij ervoor dat toeschouwers en eventuele zwartlopers zich niet op het parcours begeven. Langs het parcours zijn verversingsposten voor de deelnemers opgesteld.

2.3.In geschil is het antwoord op de vraag of de inschrijfgelden die belanghebbende ontvangt, onderworpen zijn aan het verlaagde tarief van artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet zoals belanghebbende bepleit, danwel naar het algemene tarief, zoals de inspecteur stelt. Niet in geschil is dat sprake is van actieve sportbeoefening door de mens.

Rechtszekerheidsbeginsel

2.4.Belanghebbende heeft zich beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens belanghebbende is de tekst van de bepaling in Tabel I, behorende bij de Wet OB, post b.3, volstrekt helder en duidelijk. Daar staat namelijk: “het geven van de gelegenheid tot sportbeoefening”. Volgens belanghebbende is het duidelijk dat zij gelegenheid geeft tot sportbeoefening. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dan dat deze bepaling van toepassing is.

2.5.De rechtbank overweegt dat de tekst van Tabel I, post b.3 afwijkt van het bepaalde in artikel 12, derde lid, letter a, van de Zesde richtlijn (de Zesde richtlijn) juncto de omschrijving van bijlage H, categorie 13, bij de Zesde richtlijn, luidende: “Het recht gebruik te maken van sportaccommodaties”. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 augustus 2007, nr. 43169 (V-N 2007/40.27, LJN: AZ3758, hierna: het vierdaagse-arrest) reeds beslist over de uitleg van de tekstueel van de Zesde richtlijn afwijkende bepaling in Tabel I, post b.3. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat post b.3 richtlijnconform uitgelegd dient te worden en dat dit meebrengt dat het in de rede ligt het nationale begrip ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’ zo op te vatten dat daarmee wordt bedoeld het gelegenheid geven tot sportbeoefening in een gebouw dat, of een locatie die voor sportbeoefening is ingericht. Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel in verband met de andersluidende Nederlandse tekst faalt, reeds omdat in de overwegingen van de Hoge Raad de opvatting besloten ligt dat in het geval van tabelpost b3 de rechtszekerheid niet in de weg staat aan richtlijnconforme interpretatie (zie r.o. 3.4 en 3.5 van het vierdaagse-arrest). Daarbij komt dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 28015, nr. 3, p. 29-30) duidelijk volgt dat het ook de bedoeling van de Nederlandse wetgever is geweest om, net als in de Zesde richtlijn, alleen het gebruik van sportaccommodaties tegen het verlaagde tarief te belasten. De omstandigheid dat het woord “sportaccommodatie” niet in de Nederlandse tekst is gekomen, doet daaraan niet af.

Sportaccommodatie

2.6.Subsidiair heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het parcours samen met het begin- en eindpunt van de Kustmarathon kan vallen onder het begrip sportaccommodatie, zoals dat door de Hoge Raad in het vierdaagse-arrest met betrekking tot de Nijmeegse wandelvierdaagse is ingevuld. Belanghebbende wijst in dit verband naar het parcours van de Nijmeegse vierdaagse, waarbij een heel groot deel van de route ook niet met dranghekken is afgezet, maar dat volgens de Hoge Raad desondanks als sportaccommodatie kwalificeerde. De inspecteur bestrijdt dat sprake is van een sportaccommodatie. Hij acht belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat tijdens het evenement het parcours alleen voor de sporters is gereserveerd. Hiertoe wijst hij er onder meer op dat op het strandgedeelte van het parcours tussen de recreërende strandgasten wordt doorgelopen.

2.7.De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Uit het vierdaagse-arrest komt naar voren dat start en finish, met de daarbij behorende voorzieningen, die samen met een parcours gedurende de duur van de sportbeoefening zijn gereserveerd voor die sportbeoefening vallen onder het begrip sportaccommodatie. In het besliste geval werd op basis van de vaststaande feiten geoordeeld dat de infrastructuur kwalificeerde als een sportaccommodatie. De rechtbank leidt uit dit arrest af dat de infrastructuur van een sportieve activiteit die plaatsvindt buiten een gebouw dat, of een locatie die duurzaam en specifiek voor de sportbeoefening is ingericht, als sportaccommodatie kan kwalificeren in een situatie waarin sprake is van een voor sporters voorgeschreven route met controle op het afleggen daarvan. Die infrastructuur moet daarbij in voldoende mate gereserveerd zijn voor die sportbeoefening. Of daaraan is voldaan hangt naar het oordeel van de rechtbank af van de feiten en omstandigheden van het betreffende geval, zoals de toegankelijkheid van de infrastructuur voor niet-sporters, omgevingsfactoren en de aard van de desbetreffende sport. Daarbij neemt de rechtbank voorts in ogenschouw dat ook bij een evenement als de wandelvierdaagse niet valt uit te sluiten dat niet-deelnemers de straat oversteken of zelfs de gehele route afleggen.

2.8.Ter zake van de Kustmarathon overweegt de rechtbank als volgt. De sporters moeten een voorgeschreven parcours afleggen. Belanghebbende ziet er daarbij op toe dat dat parcours daadwerkelijk wordt afgelegd. Het parcours van de Kustmarathon loopt over de openbare weg, het strand en door bossen. Daar waar er een noodzaak is om aan te geven hoe de route loopt, zijn voorzieningen getroffen. Voor het strandgedeelte spreekt het voor de sporters voor zich dat de route parallel aan de kustlijn loopt. De start en finish zijn afgezet met dranghekken en alleen toegankelijk voor sporters. Daar hebben de sporters ook toegang tot douche- en omkleedvoorzieningen. De [straat] in [woonplaats A] is ’s ochtends afgesloten, De [straat] in [woonplaats B] is de hele dag afgesloten en de bospaden zijn uitsluitend gereserveerd voor de deelnemers. Onderweg wordt het parcours bewaakt door parcourswachters onder meer om te voorkomen dat niet-deelnemers zich op het parcours begeven.

2.9.Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de onderhavige infrastructuur voldoende gereserveerd is voor de sportbeoefening om te kunnen spreken van een sportaccommodatie. Daaraan doet niet af dat – zoals de inspecteur onweersproken heeft aangevoerd – op het strand tussen de recreërende strandgasten wordt doorgelopen. Het verlangen dat ook deze openbare ruimte exclusief de sporters toekomt, dient naar het oordeel van de rechtbank immers hier geen redelijk doel. Aangenomen mag namelijk worden dat de te volgen route voor zich spreekt en dat de sporters en andere verkeersdeelnemers geen gevaar voor elkaar vormen. Ook de ter zitting door de inspecteur aangehaalde uitspraak van rechtbank ‘s-Gravenhage (AWB 10/6851) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In het daar besliste geval ging het om het geven van zeillessen door een zeilschool. Niet kan worden gezegd dat dit sporten plaatsvindt via een voorgeschreven route met controle op het afleggen daarvan zoals wel het geval is bij de wandelvierdaagse en de Kustmarathon.

2.10.Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk reeds aan belanghebbende. De inspecteur heeft niet bestreden dat de naheffingsaanslag in dat geval moet worden verminderd tot € 1.790. Daarom heeft de rechtbank dienovereenkomstig beslist en het beroep gegrond verklaard.

2.11.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, overeenkomstig het verzoek van belanghebbende ter zitting, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.035 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en door deze en mr. M.J. van Balkom, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 29 maart 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA

‘s-Gravenhage.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.