Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5753

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
11/2052
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster eerst op zijn minst een gedeelte van het bestaande gebouw moet slopen om het bodemonderzoek te kunnen laten plaatsvinden. Hoewel de opschortende voorwaarde van schriftelijke instemming van verweerder met het (aanvullend) bodemrapport is verbonden aan de omgevingsvergunning, dient deze voorwaarde – mede gelet op artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs gelezen te worden als te zijn verbonden aan (uitsluitend) het omgevingsvergunninggedeelte voor de activiteit bouwen. Bij de te nemen beslissing op bezwaar kan verweerder bezien op welke wijze de voorwaarde in de omgevingsvergunning moet worden opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 11 / 2052 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekers],

allen wonende te Roosendaal, verzoekers,

gemachtigde mr. L.J.J.M. Klijs

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 4 februari 2011 (bestreden besluit), inzake de aan [vergunninghoudster] verleende omgevingsvergunning voor het slopen van het bestaande pand op het perceel [adres] en voor het oprichten van 6 appartementen op dat perceel.

Tevens hebben zij op 8 april 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 april 2011, waarbij aanwezig waren verzoekers [verzoekers] en [verzoekers] alsmede gemachtigde mr. L.J.J.M. Klijs. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder]. Vergunninghoudster [vergunninghoudster] is gehoord bij monde van [woordvoerder vergunninghoudster].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[vergunninghoudster] heeft op 16 november 2010 verzocht om een omgevingsvergunning voor het slopen van het bestaande pand op het perceel [adres] en voor het oprichten van 6 appartementen op dat perceel.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Daarbij heeft verweerder (onder meer) bepaald dat de omgevingsvergunning in werking treedt nadat met het nog opnieuw in te dienen (aanvullend) bodemrapport schriftelijk is ingestemd.

2.2 Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Binnenstad Oost” voor wat betreft de minimum inhoud per woning en maximale bebouwingspercentage Daarnaast is het bouwplan in strijd diverse andere regelingen, zoals het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening en de gemeentelijke fietsparkeernorm. Verzoekers wonen in de nabijheid van pand [adres] en vrezen dat de realisatie van het bouwplan zal leiden tot schade aan hun woningen en aantasting van hun woongenot.

Hun bezwaren tegen de sloop van het bestaande pand zien op de vrees dat door de duur van het bodemonderzoek en de onderhavige procedure tegen de omgevingsvergunning, gedurende lange tijd een gat in de straatwand blijft bestaan. Een langdurig braakliggend terrein geeft volgens verzoekers veel overlast.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 De bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit slopen zullen naar verwachting van de voorzieningenrechter ongegrond verklaard worden. Het sloopplan is getoetst aan hoofdstuk 8 van de gemeentelijke bouwverordening. Deze toets ziet op het verantwoord slopen van het bestaand gebouw en het verantwoord afvoeren van het sloopafval. Het onderhavige perceel is niet gelegen in een beschermd stadsgezicht zodat aan een mogelijk langdurig gat in de straatwand geen betekenis kan worden toegekend.

Ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster eerst op zijn minst een gedeelte van het bestaande gebouw moet slopen om het bodemonderzoek te kunnen laten plaatsvinden. Hoewel de opschortende voorwaarde van schriftelijke instemming van verweerder met het (aanvullend) bodemrapport is verbonden aan de omgevingsvergunning, dient deze voorwaarde – mede gelet op artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs gelezen te worden als te zijn verbonden aan (uitsluitend) het omgevingsvergunninggedeelte voor de activiteit bouwen. Bij de te nemen beslissing op bezwaar kan verweerder bezien op welke wijze de voorwaarde in de omgevingsvergunning moet worden opgenomen.

Met inachtneming hiervan wijst de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om schorsing van de omgevingsvergunning, voor zover betrekking hebbend op de activiteit slopen, af.

2.5 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ Binnenstad oost” rust op het onderhavige perceel de bestemming “ Woondoeleinden 1 (W1)”.

Krachtens artikel 4, derde lid, van de bijbehorende planregels is op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend bebouwing toegestaan die in overeenstemming is met – voor zover hier van belang – de bepalingen dat de inhoud per woning minimaal 150 m3 moet bedragen en dat het bebouwingspercentage per bouwperceel, zoals dat per bestemmingsvlak op de plankaart is aangegeven, niet mag worden overschreden.

Artikel 20, aanhef en onder 1.2, van de planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van de in de artikelen 4 t/m 15 genoemde maten resp. percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

2.6 Ter zitting hebben verweerder en vergunninghoudster erkend dat de door hen als appartement nr. 2 aangeduide woning minder inhoud heeft dan 150 m3. Door de gebrekkige aanlevering van de stukken heeft de voorzieningenrechter niet kunnen verifiëren of de overige appartementen wel de vereiste minimale inhoud hebben.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat door het ontbreken van een schaalaanduiding op de door verweerder overgelegde kopie van de plankaart, niet kan worden vastgesteld of het bouwplan binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage van 70 blijft.

Verweerder heeft eveneens erkend dat hij het bouwplan niet heeft getoetst aan de fietsparkeernormen in het gemeentelijke Uitwerkingsplan Parkeren. Op grond van dit beleidsplan dient het bouwplan, naar verzoekers niet weersproken hebben gesteld, te voorzien in een berging/garage voor het plaatsen van 16 fietsen.

Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat de afwijking van de minimuminhoud van appartement nr. 2 binnen de 10% blijft zodat met toepassing van de in artikel 20, eerste lid, van de planregels neergelegde 10%-regeling alsnog met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 van de Wabo kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Een dergelijke afwijking vergt een belangenafweging, waaraan verweerder niet is toegekomen en waarop de voorzieningenrechter niet vooruit kan lopen. Daarbij hebben verzoekers er terecht op gewezen dat deze afwijkingsbevoegdheid geen soelaas biedt voor het ontbreken van fietsparkeergelegenheid. Weliswaar vormt het niet voldoen aan de fietsparkeernorm geen grond om de omgevingsvergunning te weigeren, maar nu blijkt dat verweerder bij zijn beslissing op bezwaar gehouden is belangen af te wegen, kan niet worden uitgesloten dat deze grief van verzoekers gewicht in de schaal kan leggen.

2.7 Ter zitting heeft vergunninghoudster te kennen gegeven dat de sloop naar verwachting een week in beslag zal nemen en dat aansluitend het bodemonderzoek ongeveer twee maanden gaat duren. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de hoorzitting in het kader van de bezwaarschriftenprocedure op 16 mei 2011 gehouden wordt en dat de beslissing op bezwaar doorgaans enkele weken na ontvangst van het advies van de bezwaarschriftencommissie genomen wordt.

In een en ander ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, ter voorkoming van onevenredig nadeel in vorenbedoelde zin, de omgevingsvergunning, voor zover betrekking hebbend op de activiteit bouwen, te schorsen tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar.

2.8 Nu het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen dient het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de activiteit bouwen, wordt geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af.

gelast dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,--.

Aldus gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, en door deze en mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 11 mei 2011