Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5647

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-05-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
10 / 4673 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van een bestuurlijke boete in verband met een (dodelijk) arbeidsongeval. Overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van het (deels) ontbreken van de verwijtbaarheid. Boete is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 4673 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam persoon] [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het ongedateerde besluit van verweerder, verzonden op 17 september 2010 (bestreden besluit), inzake het opleggen van een boete op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2011, waarbij aanwezig waren eiser en namens verweerder mr. R.W.J. Crommelin.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 15 mei 2009 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden bij eiser, op het eiland [naam locatie]. Een jeugdige werknemer (slachtoffer) heeft in verband met een examenopdracht werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden bestonden uit (voorbereidingshandelingen voor) het aankoppelen van een hefmast aan een trekker. Het slachtoffer heeft deze werkzaamheden alleen (zonder toezicht) verricht. Het slachtoffer is op enig moment aangetroffen achter de trekker, zittend op de betonnen vloer met de hefmast op zijn schouders. Door het gewicht van de hefmast is het slachtoffer onder meer door inwendig borsttrauma om het leven gekomen.

Naar aanleiding van dit arbeidsongeval is op 16 oktober 2009 een ongevallenboeterapport opgemaakt. De inspecteur van de Arbeidsinspectie verklaart in dit rapport dat hem onder meer het volgende is gebleken. De hefmast was niet stabiel was opgesteld. De hefmast stond op een smalle ijzeren kokerbalk. De hefmast was niet geborgd tegen omvallen. De inspecteur van de Arbeidsinspectie concludeert dat het deskundige toezicht niet zodanig was georganiseerd dat de gevaren voorkomen werden bij het aankoppelen van een werktuig aan een trekker door een jeugdige werknemer. Volgens de inspecteur is sprake van een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in samenhang met artikelen 7.4, derde lid, en 7.39, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9c, eerste lid, onder g, van datzelfde besluit.

Verweerder heeft eiser bij brief van 23 oktober 2009 in kennis gesteld van het voornemen om voor deze overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen van € 4.500,-.

Bij brief van 5 november 2009 heeft eiser zijn zienswijze op het voornemen naar voren gebracht.

Op 15 december 2009 is het arbeidsongeval door de Arbeidsinspectie en eiser gereconstrueerd. De bevindingen van deze reconstructie zijn neergelegd in een aanvullend boeterapport van 26 februari 2010.

Bij besluit van 19 maart 2010 (primair besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 4.500,-.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de conclusie getrokken dat eiser nog meer had kunnen doen om het arbeidsongeval te voorkomen. Het is niet terecht dat verweerder daar alles aan ophangt. De gebruikte hefmast is namelijk stabiel. Eiser heeft dit aangetoond met foto’s, de reconstructie en de toelichting tijdens de hoorzitting.

2.3 Artikel 8 van de Arbowet luidt – voor zover relevant – als volgt:

1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

4. De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

In artikel 16, tiende lid, van de Arbowet is bepaald dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Terzake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Artikel 1:37 van het Arbobesluit luidt als volgt:

1. Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, gebleken gevaren die kunnen ontstaan, indien deskundig toezicht ontbreekt.

2. Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden, mag die arbeid slechts worden verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat die gevaren worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht.

Artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit luidt als volgt:

Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

In artikel 7.39, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is bepaald dat artikel 1.37, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is op jeugdige werknemers die arbeid verrichten, bestaande in het besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen.

Ingevolge artikel 9.9c, aanhef en onder g, van het Arbobesluit wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikelen 7.4 en 7.39 van het Arbobesluit.

Ingevolge beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (beleidsregel 33) – voor zover relevant – wordt een boete van € 4.500,- opgelegd indien het arbeidsongeval dodelijk letsel ten gevolge heeft.

In beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder c, is vermeld dat bij de berekening van de op te leggen boete de drie factoren aan de orde kunnen zijn als genoemd in het vierde lid, onder a, en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

In beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, worden de volgende factoren genoemd die kunnen leiden tot verlaging van de bestuurlijke boete:

1. Indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

2. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

3. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

In beleidsregel 33, negende lid, is bepaald dat geen boete wordt opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

2.4 De rechtbank moet beoordelen of verweerder eiser terecht een boete heeft opgelegd van € 4.500,- in verband met het (dodelijke) arbeidsongeval dat op 15 mei 2009 heeft plaatsgevonden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hefmast op een ijzeren kokerbalk stond. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de hefmast is omgevallen, waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.

De rechtbank stelt vast dat er een reconstructie heeft plaatsgevonden. Een natuurkundige berekening op grond van de in het dossier aanwezige (politie)foto’s maakt onderdeel uit van deze reconstructie.

De inspecteur van de Arbeidsinspectie verklaart in het aanvullend boeterapport van 26 februari 2010 onder meer het volgende:

“Het is bekend uit verklaringen, maar het blijkt ook uit foto’s van de Arbeidsinspectie en foto’s van de politie, dat de hefmast was geplaatst op een vierkante stalen buis van 50 bij 50 mm. […] Door het gebruik van de vierkante buis wordt de hefmast iets hellend opgesteld, waardoor deze stabieler staat, dan bij een vlakke opstelling. […] Een nadeel van het gebruik van de vierkante buis – uit het oogpunt van veiligheid – is dat het gunstige effect op de stabiliteit geheel afhankelijk is van een juiste plaatsing van de hefmast op de buis. Als bij het achteruitrijden om de hefmast af te zetten op de vierkante buis, iets minder ver naar achter gereden wordt, dan heeft dat grote invloed op de stabiliteit van de hefmast, als deze ontkoppeld is van de tractor. […] Als de hefmast met het zwaartepunt precies boven de vierkante buis geplaatst is […] dan is er sprake van een gevaarlijke situatie, een situatie waarbij een geringe kracht het kantelen van de hefmast tot gevolg kan hebben. […]

Gelet op de ligging van de vierkante buis – zoals deze is aangetroffen na het ongeval – kan de hefmast, direct voordat het ongeval gebeurde, niet stabiel op de buis gestaan hebben. De overweging daarbij is dat de relatief grote afstand waarop de buis ligt ten opzichte van de (onderplaat van de) hefmast alleen te verklaren is als de hefmast zodanig op de vierkante buis gestaan heeft, dat er sprake was van een kritische situatie ten aanzien van de stabiliteit, ook als wordt aangenomen dat de vierkante buis verplaatst is geworden door de kantelbeweging van de hefmast."

Eiser heeft aangevoerd dat de hefmast stabiel was en heeft als bewijs hiervoor verschillende foto’s overgelegd. Eiser heeft verder ter zitting aangevoerd dat de hefmast niet omvalt, zelfs niet als de ijzeren kokerbalk op het slechtste punt onder de hefmast ligt en vervolgens aan de hydraulische slang wordt getrokken. Volgens eiser is het tijdens de reconstructie ook niet gelukt om de hefmast op deze manier te laten kantelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de natuurkundige berekening opgenomen in het aanvullend boeterapport, voldoende vast is komen te staan dat een verkeerde plaatsing van de hefmast op de ijzeren kokerbalk een instabiliteit met zich meebrengt. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de hefmast onder deze omstandigheden wel stabiel is. De enkele stelling van eiser dat de hefmast niet is omgevallen tijdens de reconstructie op 15 december 2009 is hiertoe onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat het omvallen van de hefmast onder deze omstandigheden onmogelijk is. Dat klemt temeer nu eiser geen concrete, plausibele verklaring voor het omvallen van de hefmast heeft kunnen geven en van een andere, waarschijnlijkere, oorzaak ook niet is gebleken.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hefmast ten tijde van het ongeval op 15 mei 2009 nergens aan vast was gemaakt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het mogelijk was om het omvallen van de hefmast verder te voorkomen door deze bijvoorbeeld met voldoende sterke kettingen aan de muur te zetten of de lepels in een pallet te zetten met voldoende gewicht op de pallet. Dit betekent dat er sprake is van een overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mag in dat geval van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Als de werkgever stelt dat hem geen enkel verwijt valt te maken, dan moet de werkgever dit aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2006, LJN: AW3971).

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of eiser het niet naleven van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit te verwijten valt en zo ja, in welke mate. Verwijtbaarheid ontbreekt als de werkgever alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen. Van de werkgever mag verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van de aan de arbeid verbonden risico’s en de werknemer de nodige middelen ter beschikking stelt om deze risico’s tegen te gaan, de werknemer instructies geeft en voldoende feitelijk toezicht houdt of laat houden op de werkzaamheden.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van het (deels) ontbreken van de verwijtbaarheid. Er is niet gebleken dat eiser de risico’s van het plaatsen van de hefmast voor het ongeval heeft geïnventariseerd en geëvalueerd. Hierdoor is niet voldaan aan de eerste factor van beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a. Daarom bestaat geen aanleiding om de opgelegde boete van € 4.500,- te matigen in verband met verminderde verwijtbaarheid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser terecht de boete van € 4.500,- opgelegd.

Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat er sprake was van een leer/werkstage in een solitair beroep. Daardoor is het niet mogelijk om als werkgever continu bij alle (routinematige) werkzaamheden aanwezig te zijn en toezicht te houden. De rechtbank overweegt dat in het Arbobesluit specifiek regels worden gegeven voor het houden van toezicht op jeugdige werknemers. Indien deskundig toezicht niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

2.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H. Lagas, rechter, en door deze en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: