Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5212

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
10/3028
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV6843, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting/aftrek voorbelasting

Een van de vennoten van belanghebbende (een vof) stelt een gedeelte van zijn nieuwe woonhuis voor zakelijk gebruik aan haar ter beschikking. Belanghebbende wil de volledige op de bouw van dat woonhuis drukkende voorbelasting in aftrek brengen. Het woonhuis is aan de vennoot geleverd en de daarop betrekking hebbende facturen zijn aan hem uitgereikt. De vennoot is geen ondernemer voor de omzetbelasting. Uit het arrest Heerma van het HvJ leidt de rechtbank af dat een vennoot niet vereenzelvigd kan worden met zijn vennootschap. De rechtbank is daarom van oordeel dat arrest Charles Tijmens van het HvJ niet van toepassing is. Er is slechts aftrek mogelijk voor zover het woonhuis zakelijk gebruikt wordt (Besluit van de staatssecretaris 22 januari 2004, nr. CPP2003/602M).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1506
V-N Vandaag 2011/1508
V-N 2011/35.2.4
FutD 2011-1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3028

Uitspraakdatum: 13 april 2011

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Helmond,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 met dagtekening 30 november 2009 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]F.01.6501) omzetbelasting opgelegd naar een bedrag aan belasting van € 18.239. Gelijktijdig hiermee is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 2.893.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 juli 2010 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 juli 2010, ontvangen bij de rechtbank op 22 juli 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde]. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.6.De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Partijen zijn door de griffier van de rechtbank bij brief van 4 maart 2011 in kennis gesteld van de verlenging van de termijn voor het doen van schriftelijk uitspraak ingevolge artikel 8:66, tweede lid, van de Awb.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1.Belanghebbende is een vennootschap onder firma die een landbouw- en veeteeltbedrijf exploiteert en gevestigd is op het adres [adres].

2.2.Een van de vijf vennoten, [de vennoot] (hierna: de vennoot) is, samen met zijn echtgenote, ieder voor de helft, eigenaar van een woonhuis op het adres [adres]. De echtgenote, met wie de vennoot buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, is geen vennoot.

2.3.De bouw van het woonhuis is begonnen in de loop van 2005. De vennoot en zijn echtgenote hebben op [datum] 2006 het woonhuis als zodanig in gebruik genomen en 26,2 m² van het totaal aan gebruiksoppervlakte van 225,5 m² aan belanghebbende in gebruik gegeven. De vennoot noch zijn echtgenote ontvangen hiervoor een vergoeding.

2.4.De omzetbelasting die betrekking heeft op de bouw van het woonhuis respectievelijk op het door belanghebbende gebruikte deel daarvan (hierna: het zakelijk gebruikte deel) bedraagt:

BTW woonhuis BTW zakelijk deel

2005 € 11.379 € 1.322

2006 € 21.407 € 2.487

2007 € 895 € 103

totaal € 33.681 € 3.912

De betreffende facturen zijn aan de vennoot gericht.

2.5.Belanghebbende heeft het in 2.4 vermelde bedrag van € 11.379 als voorbelasting in haar aangiften over 2005 in aanmerking genomen. Over 2006 en 2007 heeft belanghebbende geen bedrag aan voorbelasting wegens bouwkosten in haar aangiften in aanmerking genomen.

2.6.De inspecteur heeft aan belanghebbende over 2005 en 2006 ambtshalve teruggaven verleend voor de door belanghebbende via suppleties verzochte bedragen van € 6.611 respectievelijk € 1.500. De suppletie over 2006 zag volledig op bouwkosten.

2.7.Tijdens een in 2009 bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende geen recht had op aftrek van de voorbelasting van het woonhuis. Subsidiair is daarbij gesteld dat de aftrek zich beperkt tot het zakelijk gebruik van het woonhuis (als weergegeven in 2.4, rechterkolom).

2.8.De naheffingsaanslag bestaat uit de volgende componenten:

belasting rente

2005 € 11.379 € 1.971

2006 € 6.860 € 922

€ 18.239 € 2.893

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag in hoeverre belanghebbende gerechtigd is tot aftrek van de op de bouw van het woonhuis drukkende omzetbelasting.

3.2.Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op aftrek van het gehele ter zake van het woonhuis in rekening gebracht bedrag aan omzetbelasting. In plaats van na te heffen moet volgens belanghebbende een teruggave worden verleend doordat ter zake van de bouwkosten over de 2005 en 2006 nog een bedrag van € 28.871 aan voorbelasting in aanmerking moet worden genomen.

3.3.De inspecteur stelt dat de aftrek van de voorbelasting is beperkt tot het gedeelte van het zakelijk gebruik. Voorts stelt de inspecteur dat de naar aanleiding van de suppleties gedane teruggaven van € 6.611 en € 1.500 niet in de naheffingsaanslag kunnen worden begrepen. Ter zitting heeft de inspecteur voorts aangegeven dat in afwijking van haar verweerschrift, de teruggaaf van omzetbelasting die zij over 2007 bereid is te verlenen, onafgerond groot € 103,99 (rechterkolom 2.4), niet in de naheffingsaanslag over 2005 en 2006 begrepen kan worden. Hierdoor heeft zij ter zitting de becijfering van haar standpunt betreffende de onderhavige naheffingsaanslag herzien en toegezegd de teruggaaf van € 103,99 ambtshalve separaat over 2007 te gaan verlenen.

3.4.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.5.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot nihil en tot teruggaaf van belasting van een bedrag van € 10.632.

3.6.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep voor zover het betreft het verzoek tot teruggaaf dat het bedrag van de naheffingsaanslag overstijgt en voor het overige tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en – rekening houdende met hetgeen in 3.3 is vermeld – tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 9.141, opgebouwd als volgt:

Naheffingsaanslag € 18.239

Af: ten onrechte daarin begrepen ambtshalve teruggaven 2005 -€ 6.611

Af: ten onrechte daarin begrepen ambtshalve teruggave 2006 -€ 1.500

Af: vanwege aftrek zakelijk gebruik over 2005 nog te verlenen (€ 1.322 -/- € 11.379) 0

Af: vanwege aftrek zakelijk gebruik over 2006 nog te verlenen (€ 2.487 -/- € 1.500) -€ 987

Nadere vaststelling naheffingsaanslag (afgerond) € 9.141

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet luidt als volgt:

“De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a.de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;”

4.2.Uit het voorgaande volgt dat degene die aftrek claimt daarop slechts recht heeft voor zover hij afnemer van de prestatie is. Bovendien dient de afnemer ondernemer te zijn, in die hoedanigheid te handelen en zelf prestaties te verrichten waarvoor een recht op aftrek bestaat. In beginsel is degene die als contractpartij optreedt ook de afnemer van de dienst.

4.3.Het Hof van Justitie overwoog in rechtsoverweging 8 in de zaak Heerma (HvJ EG 27 januari 2000, nr. C-23/98, onder meer gepubliceerd in BNB 2000/297) dat een maatschap naar Nederlands recht geen rechtspersoonlijkheid, maar wel feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid bezit en zelfstandig economische activiteiten verricht en dat uit dien hoofde de maatschap als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Zesde richtlijn te beschouwen is en niet de beherende maat of maten. De rechtbank leidt hieruit af dat een maatschap voor de omzetbelasting niet te vereenzelvigen is met haar maten. De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor een vennootschap onder firma en haar vennoten. De rechtbank leidt daaruit af dat op grond van een richtlijnconforme uitleg een vennootschap onder firma en de daarin participerende personen voor de omzetbelasting zelfstandig in aanmerking worden genomen.

4.4.Niet in geschil is dat niet belanghebbende, maar de vennoot de contractspartij is geweest betreffende het woonhuis. Vaststaat derhalve dat de vennoot de afnemer van de dienst is geweest en niet belanghebbende. De rechtbank is van oordeel, nu belanghebbende niet vereenzelvigd kan worden met de vennoot en ook anderszins niet gebleken is dat belanghebbende als afnemer kan worden aangemerkt, zij ook niet gerechtigd is tot aftrek van de ter zake van de bouw in rekening gebrachte omzetbelasting. De omstandigheid dat de vennoot een deel van het woonhuis aan belanghebbende in gebruik heeft gegeven maakt dat niet anders.

4.5.Belanghebbende beroept zich op de beslissing van het Hof van Justitie in de zaak Charles-Tijmens (HvJ EG 14 juli 2005, nr. C-434/03, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/284), waarin werd geoordeeld dat het mogelijk was een goed dat zowel zakelijk als privé wordt gebruikt in zijn geheel tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Deze stelling kan haar echter niet baten. Zoals hiervoor overwogen in 4.3 is de vennoot niet te vereenzelvigen met belanghebbende zodat het woonhuis in dit geval niet tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende is gaan behoren. De keuze om het woonhuis tot het ondernemingsvermogen te rekenen ligt hier dan ook bij de vennoot en niet bij belanghebbende. Niet in geschil is dat de vennoot zelf geen ondernemer is in de zin van de Zesde richtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan er dan ook niets, anders dan bij het echtpaar Charles Tijmens, tot het ondernemingsvermogen van de vennoot gaan behoren.

4.6.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft belanghebbende wettelijk gezien geen recht op aftrek van de ter zake van de bouw in rekening gebrachte omzetbelasting. De inspecteur stelt dat uit het besluit van 22 januari 2004, nr. CPP2003/602M, volgt dat belanghebbende aftrek van voorbelasting moet worden verleend voor zover het woonhuis is gebezigd in het kader van de onderneming van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat deze voor 2005 en 2006 € 1.322 respectievelijk € 2.487 bedraagt (als weergegeven in 2.4, rechterkolom).

4.7.Gezien al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in de naheffingsaanslag te begrijpen:

Jaar Verleend Aftrek Na te heffen

2005 € 11.379 € 1.322 € 10.057

€ 1.500 € 2.487 -/- € 987

totaal € 12.879 € 3.809 € 9.070

4.8.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vermindert de naheffingsaanslag tot € 9.070;

-vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 437;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 298 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en door deze en mr. M.J.M. Mies, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 26 april 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.