Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4966

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
993023-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van vervoeren of aanwezig hebben van 500 kilogram hennep. Weliswaar had verdachte moeten beseffen dat er iets mis was met de lading goederen, maar niet kan worden gezegd dat hij zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat hij hennep vervoerde en dat hij die kans ook heeft aanvaard. Dat valt niet uit het dossier en uit de door de officier van justitie geschetste feiten en omstandigheden af te leiden. Opmerkelijk in dit verband is dat in het dossier wordt vermeld dat de Douane, op basis van een melding van de transporteur van een vreemd transport naar Engeland en mede op basis van de ervaring dat er vaak illegale sigaretten naar Engeland werden vervoerd, een controle van de lading heeft uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 993023-10-A [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 april 2011. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie, mr. Huisman, heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de feiten onder voormeld parketnummer gesplitst, in die zin dat feit 1 afzonderlijk van de feiten 2 en 3 is behandeld, zijnde dit naar het oordeel van de rechtbank in het belang van het onderzoek. In de onderhavige zaak is het op de dagvaarding als feit 1 vermelde feit behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. samen met anderen op 23 oktober 2007 ruim 500 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd of vervoerd dan wel deze hennep aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte [naam mededader] heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ruim 500 kilogram hennep.

Zij baseert zich daarbij op een aantal in het dossier opgenomen feiten en omstandigheden, te weten:

1. verdachte heeft op 18 oktober 2007 in opdracht van ene Ruud van [naam bedrijf] opdracht gegeven aan [naam transportbedrijf] tot het vervoeren van 7 pallets naar Birmingham; verdachte heeft noch van [naam bedrijf], noch van Ruud een telefoonnummer;

2. [naam transportbedrijf] heeft de vervoeropdracht doorgegeven aan Eurospan;

3. verdachte heeft op 23 oktober 2007 bij [nam van bedrijf mededader] in Etten-Leur, het bedrijf van [naam mededader], 7 pallets met goederen opgehaald, bestaande uit blikken tomatenpuree en zeezout. Eurospan heeft die goederen dezelfde dag bij [naam BV] BV, het bedrijf van verdachte, opgehaald;

4. op 23 oktober 2007 zijn de in de lading verstopte drugs in beslag genomen, waarna verdachte en [naam mededader] door de opdrachtgever zijn bedreigd en zijn verzocht een bewijs van inbeslagneming te overleggen. Tijdens een telefoongesprek op 17 december 2007 heeft [naam mededader] aan verdachte gevraagd of hij al stukken heeft, waarna verdachte heeft gezegd dat hij wel stukken heeft, maar dat daar niets op staat;

5. verdachte heeft verklaard dat [naam mededader] hem na de inval heeft verzocht hem op de hoogte te houden met betrekking tot de inbeslagneming en dat [naam mededader] hem daar meermalen over heeft gebeld;

6. bij de doorzoeking op 25 oktober 2007 bij [nam van bedrijf mededader] zijn papiersnippers aangetroffen, die samen een CMR met als goederen 2 pallets gepelde tomaten en als ontvanger London Works in Birmingham vormden’

7. verdachte heeft verklaard dat hij 2200 tot 2700 euro heeft ontvangen voor het regelen van het transport, hetgeen ook volgens verdachte zelf een absurd hoog bedrag en in elk geval niet markt-conform is;

8. verdachte heeft verklaard dat hij een briefje van [naam mededader] junior heeft ontvangen met de opdracht om het transport te volgen en om het briefje naderhand weg te gooien; verdachte schrok van het briefje en dacht dat het foute boel was;

9. verdachte heeft verklaard dat vlak voor de zending van 23 oktober 2007 mensen van [naam bedrijf] hem hebben gezegd dat als er iets mis was met de zending, hij contact moest opnemen met [naam mededader], wat vreemd is omdat [naam bedrijf] in Rotterdam zat, terwijl [naam mededader] in Etten-Leur zat;

10. verdachte heeft eerst gezegd dat hij [naam mededader] niet kende vóór de inval van 23 oktober 2007 en later heeft hij erkend dat hij [naam mededader] al langer kende;

11. verdachte heeft in de periode van 8 oktober 2007 tot en met 24 oktober 2007 148 keer contact gehad met een bepaalde telefoonnummer. Volgens verdachte zou dit nummer toebehoren aan ene Peter, een nieuwe klant van hem;

12. Verdachte heeft verklaard dat hij wel iets had moeten vermoeden bij het transport van 23 oktober 2007.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden is de officier van justitie van mening dat verdachte minimaal het voorwaardelijk opzet moet hebben gehad op het vervoeren van hennep.

4.2 Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden voor de stelling dat verdachte had moeten beseffen dat er iets mis was met de lading goederen van 23 oktober 2007. Verdachte heeft zelf ook erkend dat hij iets had moeten vermoeden met betrekking tot dit transport.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat het opzet van verdachte, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, zich heeft gericht op het vervoeren van hennep.

Verdachte heeft ontkend dat hij wist dat er drugs in de lading zat en dat hij daar enig vermoeden van had. Ook kan niet worden gezegd dat verdachte zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij hennep vervoerde en dat hij die kans ook heeft aanvaard. Dat valt niet uit het dossier en ook niet uit de door de officier van justitie geschetste feiten en omstandigheden af te leiden. Nergens valt af te leiden dat verdachte had moeten beseffen dat hij met drugs te maken had.

Opvallend in dit verband is dat in het dossier wordt vermeld dat de Douane, op basis van een melding van het bedrijf Eurospan dat zij een vreemd transport naar Engeland moest uitvoeren en mede op basis van de ervaring dat er vaak illegale sigaretten naar Engeland werden vervoerd, op 23 oktober 2007 een controle van de lading heeft uitgevoerd.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad en zal hem zal hem dan ook van dat feit vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Pick en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 april 2011. Mrs. Peeters en Pick zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2007 te Heerewaarden en/of Etten-Leur en/of

Made, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van ongeveer 507,5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht