Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4883

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
230487 JE RK 11-129
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BT2209, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het betreft een verlenging van de ots en uhp van een minderjarige waarbij beide ouders strafrechtelijk worden verdacht van handeling van de minderjarige.

Vader is onlangs vrijgesproken door de rechtbank. Het is onbekend of het OM moeder nog gaat vervolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 230487 JE RK 11-129

beschikking betreffende verlenging uithuisplaatsing, in de zaak van

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, mede kantoorhoudende

Alleenhouderstraat 25, 5041 LC Tilburg,

hierna te noemen de stichting,

en

de minderjarige [naam geboortedatum en plaats]

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 31 januari 2011 ingekomen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 25 januari 2011 door de stichting genomen indicatiebesluit;

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 december 2010;

- de brieven van de griffier van de rechtbank van 15 februari 2011 aan de hierna te

noemen belanghebbenden;

- de op 15 maart 2011 ingekomen stelbrief van mr. G.J.P.M. Mooren;

- de op 17 maart 2011 ingekomen brief van de stichting;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 maart 2011.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. mevrouw [naam], moeder van de minderjarige en gezagdragende ouder,

2. de heer [naam], vader van de minderjarige en gezagdragende ouder.

Beide ouders worden bijgestaan door mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle.

2. Het verzoek

De stichting verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen met een periode voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3. De beoordeling

3.1. Bij voormelde beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige en de machtiging aan de stichting tot uithuisplaatsing van deze telkens verlengd tot respectievelijk 2 januari 2012 en 12 april 2011.

3.2. De stichting brengt ter zitting naar voren dat bij de minderjarige, terwijl hij nog maar vier maanden oud was, 24 fracturen zijn geconstateerd. Hierop zijn beide ouders aangehouden en aangemerkt als verdachte. De vader is vervolgens door het Openbaar Ministerie vervolgd en inmiddels heeft er een inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. De rechtbank heeft de vader onlangs vrijgesproken van het ten laste gelegde. De stichting heeft, op het moment van constatering van het letsel, een verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige ingediend hetwelk door de kinderrechter is toegewezen. Sindsdien verblijft hij bij een perspectief biedend pleeggezin. De stichting vond het noodzakelijk dat op korte termijn een veilige omgeving voor de minderjarige werd gevonden. Gelet op de huidige leeftijd van de minderjarige begint de hechting inmiddels mee te spelen. Sinds de vrijspraak door de rechtbank heeft de vader weer de gelegenheid gekregen de minderjarige te bezoeken. In de nabijheid van de pleegmoeder mag hij samen met de moeder de minderjarige zien. Met de ouders is besproken dat de pleegmoeder aanwezig is tijdens dit bezoek.

De situatie is op dit moment onveranderd ondanks de vrijspraak van de vader, aldus de stichting. De rechtbank heeft in de strafzaak tegen de vader overwogen dat het ontstane letsel door een persoon/personen moet zijn toegebracht. De vraag wie dat echter aangerekend kan worden, is onbeantwoord gebleven. Dit betekent volgens de stichting dat de personen die in de directe nabijheid van de minderjarige hebben vertoefd, hiervoor in aanmerking komen. Voor de moeder is het onbespreekbaar dat haar ouders hierbij worden betrokken. De stichting is van mening dat zij niet meer terugblikken naar hoe de mishandeling heeft kunnen gebeuren maar dat, gezien de huidige situatie, voorkomen moet worden dat iets dergelijks wederom kan plaatsvinden. De kans op herhaling blijft volgens de stichting onverminderd aanwezig ingeval de minderjarige nu thuis zou worden teruggeplaatst, omdat thans nog niet kan worden gesteld dat de dreiging verdwenen is. Volgens de stichting is men nu op hetzelfde punt beland als toen de uithuisplaatsing van start ging. Om die reden acht zij thuisplaatsing thans niet aan de orde.

3.3. De raadsman geeft namens de ouders ter zitting aan dat de uitspraak in de strafzaak van de vader belangrijk is. Het staat vast dat er iets is gebeurd maar het is de vraag of dit ooit duidelijk wordt, zo stelt de raadsman. Hij is van mening dat de stichting te veel op de stoel van de rechter gaat zitten. De ouders hebben de eerste verjaardag van de minderjarige niet kunnen meemaken. Zij zijn meteen aangemerkt als dader en sindsdien is de minderjarige uit huis geplaatst. Er is iets gebeurd in de thuissituatie maar ook als ouder kun je niet permanent bij je kind zijn. De raadsman is van mening dat gekeken moet worden naar een terugplaatsing in de thuissituatie. De ondertoezichtstelling loopt zodat er voldoende waarborgen zijn. Hij verwijst naar een soortgelijke zaak in Maastricht waarbij de kinderrechter heeft besloten de minderjarige terug te plaatsen bij de ouders. De ouders hebben gesteld bereid te zijn overal aan mee te werken. Zij zijn eveneens van mening dat de minderjarige bij hen hoort. Indien de kinderrechter een ander oordeel heeft over de onderhavige kwestie, is de raadsman van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing slechts dient te worden toegewezen voor een korte periode. Het onderzoek in de strafzaak is afgerond. De moeder is ook aangemerkt als verdachte maar sinds haar schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft zij niets meer vernomen van het Openbaar Ministerie. Uiterst subsidiair merkt de raadsman op dat er geleidelijk aan moet worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de ouders.

3.4. De vader vult nog aan dat de stichting niet de aangewezen instantie is om een oordeel te vellen over wie de mishandeling jegens mj heeft gepleegd. Hij is van mening dat zij als ouders nog geen enkele kans hebben gekregen om aan te tonen wat zij kunnen. Zij willen als ouders laten zien dat zij veel van de minderjarige houden maar die kans wordt hen op deze manier onthouden. De vader stelt dat hij sinds kort een nieuwe baan heeft en dat hij hierdoor niet altijd de minderjarige kan bezoeken. De stichting is hiervan op de hoogte maar er wordt niets mee gedaan.

3.5. De stichting brengt nog naar voren, naar aanleiding van hetgeen door de raadsman en de vader is aangehaald, dat de ouders verantwoordelijk zijn en blijven voor hun kind en voor personen die hun kind verzorgen om verantwoord met het kind omgaan. Zij herhaalt dat de vraag, of haar ouders een aandeel in de mishandelingen hebben gehad, voor de moeder onbespreekbaar blijft. De grootouders van moederszijde kwamen echter vaak bij hen over de vloer. De stichting geeft aan als instelling verantwoordelijk te zijn om er zorg voor te dragen dat de veiligheid van de minderjarige wordt nagekomen. Bij terugplaatsing van de minderjarige in de thuissituatie kan op dit moment niet worden gesteld dat aan die voorwaarde wordt voldaan.

Volgens de stichting wordt er bij de omgangsregeling rekening gehouden met de nieuwe baan van de vader. Ze stelt echter ook gebonden te zijn aan de mogelijkheden van het pleeggezin.

3.6. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter terechtzitting blijkt dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn en dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is deze gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De kinderrechter overweegt hiertoe dat in het belang van de minderjarige zijn verblijf binnen het pleeggezin dient te worden gecontinueerd. Ondanks de vrijspraak van de vader acht de kinderrechter terugplaatsing van de minderjarige op dit moment nog niet aan de orde.

De rechtbank heeft immers, in de strafzaak jegens de vader, in haar vonnis nadrukkelijk overwogen dat de letsels van mj door menselijk handelen zijn ontstaan en dat er geen sprake is van een medische oorzaak. Voorts dat het niet alleen de vader is die de letsels aan mj kan hebben toegebracht maar dat in die periode ook anderen uit de familiekring van de ouders mj hebben verzorgd en dat de ontstane letsels daarom niet zonder meer aan de vader toe te rekenen zijn.

Voorts is door de raadsman naar voren gebracht dat de moeder nog steeds als verdachte wordt aangemerkt. Ook is ter zitting duidelijk geworden dat de moeder niets wil vertellen over haar rol dan wel die van haar ouders met betrekking tot de toegebrachte letsels. Thans is daarom niet duidelijk waar mj aan zal worden blootgesteld ingeval hij nu of op korte termijn wordt teruggeplaatst binnen het gezin. Er is thans onvoldoende zicht op zijn veiligheid bij een eventuele terugplaatsing binnen het gezin van de vader en de moeder.

Gelet hierop acht de kinderrechter het thans niet verantwoord de minderjarige terug te laten keren naar zijn ouders. Het belang van de minderjarige prevaleert in het onderhavige geval boven dat van de ouders. Dit belang brengt mee dat de minderjarige wordt geplaatst in de door de stichting aangegeven soort voorziening, waarvan is gebleken dat hij het daar goed doet. Dat brengt mee dat het verzoek zal worden toegewezen met dien verstande dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor na te noemen duur zal worden toegewezen. De kinderrechter overweegt daarbij dat er over een half jaar meer duidelijkheid valt te verwachten over de eventuele strafzaak van de moeder.

4. De beslissing

De rechtbank

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een verblijf pleegouder 24 uurs met ingang van 12 april 2011 tot 12 oktober 2011, zulks (deels) ter effectuering van het voornoemde indicatiebesluit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Van Gastel, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld

a. door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: