Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4613

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
02/800243-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van de twee broers die werden verdacht van het (medeplegen van) een poging tot zware mishandeling wordt hun versie, dat het slachtoffer ongelukkig op zijn hoofd zou zijn gevallen, door de rechtbank terzijde geschoven. De ene broer wordt voor dit feit veroordeeld, de andere kan alleen het subsidiaire openlijk geweld worden verweten.

De eis van 5 maanden gevangenisstraf voor beiden wordt niet gevolgd. De hoofddader krijgt een werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, zijn broer alleen een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800243-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 20 februari 2010 in Oosterhout heeft geprobeerd met anderen [slachtoffer] ernstig letsel toe te brengen, althans openlijk geweld tegen die [slachtoffer] heeft gepleegd, danwel met anderen hem heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn broer de primair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [ge[vriend slachtoffer]] alsmede op (de plaats van) het ontstane letsel. Zij stelt zich op het standpunt dat de broer van verdachte, [mededader], gezien het letsel, [slachtoffer] met een hard voorwerp op diens hoofd heeft geslagen terwijl verdachte die [slachtoffer] van achteren vasthield, zodat deze de klap niet kon ontwijken. Beide verdachten namen hierdoor het niet ondenkbeeldige risico dat zij [slachtoffer] ernstig hadden kunnen verwonden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De raadsman wijst daarbij op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en zijn vrienden, op het feit dat bij verdachte of zijn broer geen ploertendoder is aangetroffen en op de mogelijkheid dat het letsel is ontstaan doordat [slachtoffer] tijdens een vechtpartij verkeerd terecht kwam. De broer van verdachte, [mededader], heeft, nadat hij door [slachtoffer] werd aangevallen, deze een klap gegeven en [slachtoffer] is met zijn hoofd ongelukkig tegen een hard voorwerp gevallen, maar verdachte had hiermee geen bemoeienis, zodat hij integraal dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal voor de leesbaarheid zowel verdachte als zijn broer aanduiden bij hun voornamen.

Vast staat dat tussen [mededader] en [slachtoffer] op 20 februari 2010 bij winkelcentrum Arkendonk in Oosterhout onenigheid is ontstaan, welke onenigheid heeft geleid tot een vechtpartij waarbij ook [verdachte] betrokken raakte.

Ook staat vast dat [slachtoffer] daarbij een splijtwond op zijn hoofd heeft opgelopen.

De rechtbank ziet zich echter voor de vraag geplaatst wat er zich nu precies heeft afgespeeld. Uit het dossier vallen immers twee scenario’s op te maken.

Aan de ene kant de versie van [slachtoffer], welke in grote lijnen overeenkomt met de verklaringen van zijn vrienden en er op neer komt dat [slachtoffer] werd aangevallen door [mededader], die onmiddellijk een ploertendoder, althans een daarop lijkend voorwerp, pakte en [slachtoffer] daarmee op zijn been sloeg. [verdachte] kwam vervolgens ter plaatse, greep [slachtoffer] vast zodat deze zich niet meer kon verweren, en [mededader] sloeg [slachtoffer] op zijn hoofd waardoor de verwonding op het hoofd ontstond.

Volgens [mededader], [verdachte] en hun vrienden was het verloop echter heel anders. Niet [mededader] was de aanvaller, maar hij werd aangevallen door [slachtoffer]. [mededader] werd dermate geslagen dat hij zich naar eigen zeggen niet veel meer kan herinneren van wat er verder gebeurde. [verdachte] is zijn broer te hulp gekomen en geeft aan dat hij daarbij [slachtoffer] eenmaal heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] ten val kwam. Er stonden ijzeren obstakels in de buurt, dus het kan niet anders dan dat [slachtoffer] met zijn hoofd ongelukkig terecht is gekomen tegen zo’n obstakel, waardoor de verwonding op zijn hoofd is ontstaan. Een ploertendoder of een daarop lijkend voorwerp is niet gebruikt.

De rechtbank stelt voorop dat zij, zoals door de raadsman terecht is aangevoerd, [slachtoffer] niet ziet als enkel het slachtoffer in deze zaak. Hij bedreigde beide broers al voor 20 februari 2010 en ook na het incident liet [slachtoffer] zich niet onbetuigd. Maar dat laat onverlet dat de verklaring van [slachtoffer] in grote lijnen overeenkomt met de verklaringen van zijn vrienden [getuige 1] en [vriend slachtoffer].

Ook de verklaringen van [mededader] en [verdachte] vinden echter steun in de verklaringen van hun vrienden [naam vriend 1] en [naam vriend 2], maar opvallend is wel dat niemand, ook [mededader] en [verdachte] niet, bij de politie heeft verklaard dat de ernstige hoofdwond was veroorzaakt doordat [slachtoffer] met zijn hoofd tegen een obstakel zou zijn gevallen.

De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan dit scenario.

[slachtoffer] heeft boven op zijn hoofd, boven de haargrens, een zogenaamde splijtwond opgelopen van 6 centimeter lang. Er waren 8 hechtingen nodig om de wond dicht te krijgen.

[slachtoffer] heeft geen verdere verwondingen die zouden kunnen duiden op een val, welke dermate ernstig moet zijn geweest dat hij daarbij een splijtwond boven op zijn hoofd opliep.

De rechtbank acht daarom de verklaringen van [slachtoffer] en zijn vrienden, zoals deze ook steun vinden in de ontstane verwonding, op dat punt betrouwbaar en zal daar van uitgaan.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 20 februari 2010 omstreeks 19.25 uur een melding en troffen [slachtoffer] aan. Deze had een zogenaamde splijtwond op zijn hoofd en een snee onder het linkeroog (jukbeen).

[slachtoffer] verklaarde bij de politie dat hij op 20 februari 2010 omstreeks 19.15 uur met zijn vrienden [getuige 1] en [vriend slachtoffer] op Arkendonk te Oosterhout de broers [mededader] en [verdachte] tegen kwam. Er ontstond een woordenwisseling. [slachtoffer] zag dat de vuist van [verdachte] op hem afkwam en onder zijn linkeroog op zijn jukbeen terechtkwam. Dit deed erg zeer. Meteen daarna zag hij dat [mededader] hem met een voorwerp, lijkend op een ploertendoder, op zijn hoofd sloeg. Hij voelde een hevige pijn en het werd zwart voor zijn ogen. [slachtoffer] zag en voelde dat er bloed uit zijn hoofd stroomde.

Specialist [naam specilalist] van het Amphiaziekenhuis te Oosterhout stelde op 20 februari 2010 om 19.59 uur als voorlopige diagnose vast dat [slachtoffer] een hoofdwond had. Zijn anamnese is dat [slachtoffer] met een ijzeren buis op zijn hoofd is geslagen. Het betrof een diepe wond, frontaal 6 centimeter.

[vriend slachtoffer] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij met [getuige 1] en [slachtoffer] in het winkelcentrum Arkendonk te Oosterhout was en [slachtoffer] woorden kreeg met [verdachte] en [mededader]. Hij zag dat [mededader] een voorwerp uit zijn zak haalde en daarmee uithaalde naar het hoofd van [slachtoffer].

[getuige 1] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij op 20 februari 2010 met [slachtoffer] en [vriend slachtoffer] in het winkelcentrum in Oosterhout liep en zij de gebroeder [achternaam daders] tegenkwamen. Hij zag dat [mededader] een soort knuppel trok en daarmee [slachtoffer] op het hoofd sloeg.

Verdachte verklaarde op de zitting dat hij [slachtoffer] met de vuist in zijn gezicht heeft geslagen.

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat [mededader] [slachtoffer] met een hard voorwerp op diens hoofd heeft geslagen en dat verdachte hem met de vuist in het gezicht heeft geslagen.

Dit gebeurde in het openbaar, te weten in winkelcentrum Arkendonk, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld.

Weliswaar was [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank niet direct betrokken bij de slag op het hoofd van [slachtoffer] door zijn broer [mededader], maar bij openlijk geweld geldt dat iedere deelnemer daaraan strafbaar is voor al het tijdens het openlijk geweld gehanteerde geweld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

subsidiair:

op 20 februari 2010 te Oosterhout met een ander, aan de openbare weg, de Arkendonk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit met een hard langwerpig voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en hem tegen diens gezicht te slaan/stompen ;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit in ieder geval geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op te leggen, gelet op de grote consequenties daarvan voor verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer], gepleegd in een winkelcentrum tijdens openingsuren. Dit zal voor de omstanders tot grote gevoelens van onveiligheid hebben geleid en de rechtbank acht verdachte daar mede verantwoordelijk voor.

Verdachte is al eerder voor geweldgerelateerde delicten met justitie in aanraking geweest, maar dat heeft hem er niet van weerhouden andermaal geweld te gebruiken. Wel is het zo dat de rol van verdachte wezenlijk minder is geweest in het gepleegde geweld.

Gelet op de oriëntatiepunten voor openlijk geweld en mede in aanmerking genomen de houding van het slachtoffer in het geheel acht de rechtbank een werkstraf van 80 uur op zijn plaats.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], [adres], vordert een schadevergoeding van € 901,54. De vordering behelst een bedrag van € 4,54 aan geleden materiële schade en een bedrag van € 897,00 immateriële schade.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank beschouwt het betoog van de raadsman als een betwisting van de vordering.

De geleden schade is een rechtstreeks gevolg van de klap die [slachtoffer] kreeg op zijn hoofd. Verdachte is vrijgesproken van dat feit.

Nu verdachte voor de daad welke tot deze schade heeft geleid is vrijgesproken zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 27 en 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], [adres] wordt afgewezen;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. (BP.07)

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Oijen, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Van Breevoort, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Oosterhout tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een ploertendoder, althans in elk geval met een hard langwerpig voorwerp, op het hoofd en/of tegen het (rechter) bovenbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Oosterhout met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Arkendonk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit met een ploertendoder, althans in elk geval met een hard langwerpig voorwerp op het hoofd en/of het (rechter) bovenbeen van die [slachtoffer] te slaan en/of en/of hem in/op/tegen diens gezicht en/of hoofd te slaan/stompen en/of die [slachtoffer] rond diens middel vast te pakken, zodanig dat diens armen eveneens vast kwamen te zitten en/of (krachtig) tegen diens gezicht en/of lichaam te duwen, (mede) waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] rond diens middel heeft vastgepakt zodanig dat diens armen eveneens vast kwamen te zitten en/of die [slachtoffer] in/op/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft geslagen/gestompt;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2010 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met een ploertendoder, althans in elk geval met een hard langwerpig voorwerp op diens hoofd en/of (rechter) bovenbeen heeft geslagen en/of hem in/op/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft geslagen/gestompt en/of (krachtig) tegen diens gezicht en/of lichaam heeft geduwd, (mede) waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.