Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ3543

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
382065 / FA RK 10-9812
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoering

De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming verzocht om met spoed onderzoek te verrichten naar de mate van rijpheid van de minderjarige, die rechtvaardigt dat met haar verzet tegen terugkeer naar Spanje, rekening wordt gehouden.

Na ontvangst van de rapportage van de raad voor de kinderbescherming is de zaak nogmaals ter terechtzitting behandeld, zodat de rechtbank en partijen aan de raadsonderzoekers vragen over de door de raad uitgebrachte rapportage kunnen stellen. Op grond van de raadsrapportage en de nadere behandeling ter terechtzitting komt de rechtbank tot de conclusie dat, hoewel niet uitgesloten is dat de minderjarige aan het ouderverstotingssyndroom lijdt, en zij in een loyaliteitsconflict is geraakt, sprake is van voldoende mate van rijpheid van de minderjarige die rechtvaardigt dat met haar mening, i.c. verzet tegen terugkeer naar Spanje, rekening wordt gehouden. Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 HKOV slaagt derhalve en het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje wordt afgewezen.

Dit is de eindbeslissing. Zie ook: tussenbeschikking d.d. 31 januari 2011 (LJN BQ 3540).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-9812

Zaaknummer: 382065

Datum beschikking: 29 maart 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 24 november 2010 ingekomen verzoek van:

de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), hierna: het Haagse Verdrag, gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats A], Spanje,

advocaat: mr. M.H. Bressers te Barcelona, Spanje.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Procedure

Bij beschikking van 31 januari 2011 van deze rechtbank is de behandeling van de zaak aangehouden. De raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is verzocht een onderzoek te verrichten naar de volgende vraag:

- in hoeverre kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, uitgegaan worden van een mate van rijpheid van de minderjarige, die rechtvaardigt dat met haar mening, i.c. haar verzet tegen een terugkeer naar Spanje, rekening wordt gehouden?

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het briefrapport d.d. 17 februari 2011 van de raad;

- het faxbericht d.d. 18 februari 2011 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 21 februari 2011 van de Centrale Autoriteit.

Op 15 maart 2011 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. C.L. Wehrung, de moeder met haar advocaat, en de raad in de persoon van J.J. de Kok en drs. M. Holleman.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Uit het briefrapport van de raad d.d. 17 februari 2011 blijkt het volgende.

De raad heeft één gesprek met de minderjarige (hierna: [de minderjarige]) gevoerd en informatie ingewonnen bij GGZ Breburg en vervolgens geconcludeerd dat gesteld kan worden dat [de minderjarige] rijp genoeg is om met haar mening rekening te houden. De raad komt tot deze conclusie op grond van het volgende:

- [de minderjarige] komt over als een zeer gewetensvol en schuldbewust meisje, dat haar antwoorden nuanceert. Zij imponeert door de wijze waarop ze formuleert en reflecteert.

- [de minderjarige] voelt zich door deskundigen nochtans niet serieus genomen en vraagt zich af wat te doen om gehoord te worden. Ze spant zich in om te overtuigen van de authenticiteit van haar gevoelens.

- [de minderjarige] is bang dat ze geforceerd zal worden naar Spanje en haar vader te gaan. Ze wil dat absoluut niet, net zo min als zij haar moeder door de onderhavige procedure wenst kwijt te raken. De relatie tussen haar en de vader beleeft [de minderjarige] als geheel verstoord; ze verwacht niet dat de relatie tussen hen nog hersteld kan worden.

- De relatie met de moeder beleeft [de minderjarige] als vertrouwelijk. Ze ervaart schuldgevoel ten opzichte van haar moeder, nu haar moeder voor haar alles in Spanje heeft opgegeven.

- De onderhavige procedure legt een zo groot beslag op [de minderjarige] dat zij er niet toe komt om zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Er bestaat gevaar van parentificatie nu zij door de situatie gedwongen is om meer dan gewoon op haar moeder te zijn aangewezen.

- [de minderjarige] is door de hele situatie enigszins vroegrijp geworden en heeft een groot moreel bewustzijn. Daarnaast maakt de procedure haar onzeker en kwetsbaar.

- Wanneer [de minderjarige] wordt gedwongen naar Spanje, naar de vader, terug te keren, zijn er risico's dat haar gedrag escaleert, omdat het samenzijn met de vader die zij vreest de door haar ervaren werkelijkheid is. In Spanje zijn op dit moment ten behoeve van [de minderjarige] geen kinderbeschermingsmaatregelen en/of andere voorzieningen getroffen, die een risico op escalatie zouden kunnen doen verminderen.

- [de minderjarige] heeft er last van dat zij door de ontstane situatie geen "gewoon" meisje meer kan zijn. Zij voelt zich op school een buitenbeentje; de procedure maakt haar een gevangene en geeft haar het gevoel te verbijzonderen tussen haar leeftijdsgenoten.

- Teneinde bedreiging voor haar ontwikkeling tot een evenwichtige volwassene te voorkomen heeft [de minderjarige] op korte termijn belang bij helderheid in haar situatie.

De moeder stelt zich op grond van voormelde rapportage op het standpunt dat het door [de minderjarige] geuite verzet tegen terugkeer naar Spanje dient te worden gehonoreerd en dat

uit de door GGZ Breburg verstrekte informatie blijkt dat [de minderjarige] bij terugkeer naar Spanje in een ondragelijke toestand komt te verkeren, zodat bovendien - alsnog - de door haar aangevoerde weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag dient te worden gehonoreerd.

De Centrale Autoriteit heeft schriftelijk opgemerkt dat uit de rapportage van de raad niet valt op te maken of de onderzoekers, naast het gesprek met [de minderjarige] en het inwinnen van informatie bij GGZ Breburg, gebruik hebben gemaakt van de beschikbare aanvullende stukken (met name de deskundigenverklaringen uit Spanje). De Centrale Autoriteit acht de basis van het onderzoek van de raad te smal om de door de raad daaraan verboden conclusie, te weten dat [de minderjarige] rijp genoeg is om met haar mening (in dit geval: haar verzet tegen terugkeer naar Spanje) rekening te kunnen houden, te kunnen dragen. Het rapport van de raad voldoet niet aan het verzoek c.q. de opdracht van de rechtbank, aldus de Centrale Autoriteit. Uit de door de raad opgemaakte rapportage blijkt immers niet of is onderzocht of [de minderjarige] - zoals uit de overgelegde rapportages van Spaanse deskundigen blijkt - werkelijk lijdt aan het ouderverstotingssyndroom. Daartoe bestond volgens de Centrale Autoriteit aanleiding, nu de raad wél heeft opgemerkt dat [de minderjarige] daaraan mogelijk lijdt, dat [de minderjarige] de werkelijkheid mogelijk onjuist interpreteert, en/of dat zij in een loyaliteitsconflict is geraakt. De Centrale Autoriteit meent op grond van het voorgaande dat - nog steeds op grond van de beschikbare rapportages van Spaanse deskundigen - aan de echtheid en de betrouwbaarheid van de uitlatingen van [de minderjarige] getwijfeld dient te worden en dat de terugkeer van [de minderjarige] naar Spanje dient te worden bevolen. Daarbij is voorts nog van belang dat aannemelijk is dat [de minderjarige], als gevolg van beïnvloeding en sturing door de moeder, bij voortgezet verblijf in Nederland gedurende de komende vijf of tien jaar geen contact zal hebben met haar vader, hetgeen strijdig met het belang van [de minderjarige] is. De Centrale Autoriteit heeft tenslotte opgemerkt dat indien de teruggeleiding van [de minderjarige] wordt bevolen, in Spanje op korte termijn kinderbeschermingsmaatregelen ten behoeve van [de minderjarige] in gang kunnen worden gezet.

Ter terechtzitting d.d. 15 maart 2011 heeft de rechtbank naar aanleiding van de rapportage van de raad vragen gesteld aan de raad. Ook partijen hebben daartoe de gelegenheid gekregen.

De raad heeft - op vragen van de rechtbank en partijen, ter aanvulling van de rapportage - ter terechtzitting (kort samengevat) het volgende verklaard.

De raad heeft voorafgaand aan het gesprek met [de minderjarige] kennis genomen van het dossier, derhalve ook van de rapportages van de geraadpleegde Spaanse deskundigen. De rapportages dateren van ruime tijd geleden en geven weer dat [de minderjarige] een beschadigd kind is. Wat hiervan de oorzaak is ,staat niet vast. Er heeft mondeling en schriftelijk contact plaatsgevonden met de behandelaars van [de minderjarige] bij GGZ Breburg. De raad heeft zich, mede gelet op de voor dit onderzoek beschikbare tijd, beperkt tot beantwoording van de vraag of bij [de minderjarige] sprake is van een zodanige mate van rijpheid dat gerechtvaardigd is met haar mening rekening te houden. De raad heeft niet onderzocht of [de minderjarige] werkelijk lijdt aan het ouderverstotingssyndroom. Voor een dergelijk onderzoek dient te worden aangeknoopt bij de gebeurtenissen in het verleden, die daartoe eerst ontrafeld dienen te worden. Daartoe is een uitgebreid en langdurig onderzoek noodzakelijk, waaraan overigens eerst kan worden begonnen wanneer er rust is gekomen in de situatie van [de minderjarige] en het voor [de minderjarige] thans meest grote en meest actuele probleem, te weten de mogelijke terugkeer naar Spanje, is opgelost. Ditzelfde geldt voor de therapie die voor [de minderjarige] noodzakelijk is om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken.

[de minderjarige] is in een loyaliteitsconflict geraakt. Zij voelt zich niet alleen schuldig jegens de moeder maar ook jegens de vader. [de minderjarige] voelt zich er schuldig over dat de hele feitelijke situatie is ontstaan door hetgeen zij heeft gezegd over haar ervaringen met de vader. Zij heeft last van de situatie waarin zij terecht is gekomen, slaapt slecht en heeft het gevoel dat zij klem zit.

[de minderjarige] spreekt coherent en is in voldoende mate in staat om met afstand naar moeder te kijken en een eigen mening te hebben. [de minderjarige] voelt zich erg ongelukkig, mede omdat men niet gelooft wat zij zegt. De relatie tussen de vader en [de minderjarige] is verstoord; [de minderjarige] verzet zich in hevige mate tegen contact met de vader. Met het oog op de toekomst is het echter van groot belang voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat de relatie met de vader op orde komt, zodat [de minderjarige] zich een behoorlijk vader- en manbeeld vormt, aldus de raad.

De moeder heeft volgens [de minderjarige] veel voor [de minderjarige] over. [de minderjarige] is bang dat de moeder in het kader van de onderhavige procedure wordt opgepakt en dat zij - al dan niet samen met de moeder - terug moet keren naar Spanje.

De raad heeft naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting het in de rapportage verwoorde advies gehandhaafd.

De Centrale Autoriteit heeft gepersisteerd bij de door hem eerder ingenomen stellingen en voorts gesteld dat [de minderjarige] al anderhalf jaar in Nederland is en dat in de feitelijke geestelijke toestand van [de minderjarige] sinds haar verblijf in Nederland geen enkele verandering is gekomen. [de minderjarige] mist Spanje nog steeds. [de minderjarige] wordt in Nederland - hoewel dat dringend nodig is - niet behandeld en zij volgt hier ook geen therapie. Dit maakt haar situatie in Nederland gelijk aan die in Spanje indien zij (al dan niet met de moeder) daar naartoe terugkeert. Zowel de beslissing tot terugkeer als die tot niet-terugkeer zal [de minderjarige] de voor haar benodigde duidelijkheid bieden, aldus de Centrale Autoriteit.

De moeder heeft haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij beschikking d.d. 31 januari 2011 is overwogen dat, anders dan de moeder heeft gesteld, geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1, sub b, van het Haagse Verdrag. De rechtbank ziet in hetgeen hieromtrent thans nog door de moeder naar voren is gebracht geen aanleiding om deze beslissing te herzien.

De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 31 januari 2011 voorts overwogen dat het, gelet op de leeftijd en het intelligentieniveau van [de minderjarige], voorshands gerechtvaardigd is dat met haar mening rekening wordt gehouden. In verband met de overgelegde rapportages van Spaanse deskundigen achtte de rechtbank het noodzakelijk om de raad te verzoeken onderzoek te verrichten naar de mate van rijpheid van [de minderjarige]. In dit oordeel lag besloten dat de rechtbank het op voorhand niet uitgesloten achtte dat [de minderjarige] op zodanige wijze door de moeder werd/wordt beïnvloed dat hetgeen zij in raadkamer heeft geuit, niet zonder meer geacht kon worden de eigen mening van [de minderjarige] te zijn. Ook kon op voorhand niet worden uitgesloten dat [de minderjarige] zich als gevolg hiervan onvoldoende vrij voelde om haar eigen mening te kunnen of durven geven.

De rechtbank is thans, naar aanleiding van de rapportage van de raad en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, gebleken dat - hoewel niet uitgesloten kan worden dat [de minderjarige] lijdt aan het ouderverstotingssyndroom en voorts aannemelijk is dat zij in een loyaliteitsconflict is geraakt - sprake is van voldoende mate van rijpheid van [de minderjarige] die rechtvaardigt dat met haar mening, i.c. haar verzet tegen een terugkeer naar Spanje, rekening wordt gehouden. Uit hetgeen door de raad naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat [de minderjarige] - los van hetgeen haar door de moeder zou kunnen zijn ingegeven - goed in staat is om zich een eigen mening te vormen en daarbij afstand te nemen tot haar moeder en dat zij voorts goed in staat is om die mening ook op behoorlijke wijze te verwoorden.

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse verdrag slaagt gelet op het voorgaande, zodat het verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Spanje wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, M. Rootring en

A.M.A. Keulen, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2011.