Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ2877

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
984837-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het onderzoek Mosselbank is gebleken dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet door een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen, een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden en onderdelen van een productieopstelling voorhanden te hebben gehad en hiertoe een loods te hebben gehuurd.

De rechtbank acht het niet van belang dat verdachte de loods in Breda heeft onderverhuurd aan een aantal Russen. Dit doet immers niet af aan de vaststelling van de rechtbank dat verdachte regelmatig in de loods te Breda is geweest, er in de loods werkzaamheden voor hem werden verricht door een medeverdachte en hij zich daar heeft beziggehouden met laboratoriumgerelateerde werkzaamheden.

De rechtbank neemt voorts als vaststaand aan dat verdachte tevens onderhuurder was van de loods aan de Dorpsweg te Ooltgensplaat en betrokken is geweest bij de opslag van de daar aangetroffen productiemiddelen en chemicaliën.

Verdachte heeft samen met anderen BMK en BMK bisulfiet adduct in zijn bezit gehad. Dit zijn geregistreerde stoffen in de zin van Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren. BMK bisulfiet adduct is een mengsel dat de geregistreerde stof BMK bevat welke laatste gemakkelijk en met eenvoudige middelen uit BMK bisulfiet kan worden geëxtraheerd.

Ook degene die een geregistreerde stof in ontvangst neemt en ten doel heeft deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen, of daartoe op een later moment besluit, kan als marktdeelnemer kan worden aangemerkt.

Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn medeverdachten niet beschikten over de daarvoor op grond van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën vereiste vergunning. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen als marktdeelnemer zonder vergunning de geregistreerde stoffen BMK en BMK bisulfiet adduct in zijn bezit heeft gehad. Hiermee heeft hij gehandeld in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 984837-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28, 29 en 31 maart 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Janssen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: als marktdeelnemer samen met anderen, in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, een hoeveelheid 1-fenyl-2-propanon (hierna te noemen: BMK) zonder vergunning in het bezit heeft gehad dan wel in de handel heeft gebracht;

Feit 2: als marktdeelnemer samen met anderen, in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, de stof BMK bisulfiet adduct zonder vergunning in het bezit heeft gehad dan wel in de handel heeft gebracht;

Feit 3: samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische harddrugs en/of de verwerking van cocaïne.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de volgende feiten en omstandigheden:

- de in de locaties [lokatie 1] en [lokatie 2] aangetroffen chemicaliën, apparatuur, amfetaminesporen, MDMA-sporen en cocaïnesporen;

- de conclusie van het LFO en het NFI dat in de loods aan [lokatie 1] op grote schaal BMK bisulfiet adduct werd omgezet naar BMK;

- het gegeven dat verdachte verklaard heeft het pand aan de [lokatie 1] gehuurd te hebben om dit vervolgens onder te verhuren aan enkele Russen, terwijl het verhaal over de onderverhuur op geen enkele wijze te verifiëren is;

- de relatie tussen verdachte en het pand [lokatie 2], in die zin dat hij het pand volgens medeverdachte [mededader 1] vanaf 1 juli 2008 heeft gehuurd en dat zijn signalement klopt met de omschrijving die [naam verhuurder], de verhuurder van dit pand, heeft gegeven;

- het gegeven dat het DNA van verdachte is aangetroffen op een aantal goederen in het pand aan de [lokatie 1], waaronder volgelaatsmaskers;

zoals deze blijken uit de verschillende zaaksdossiers.

Hieruit leidt de officier van justitie af dat verdachte zich heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, waarbij zijn rol te omschrijven is als die van meewerkend voorman. Nu verdachte BMK en BMK bisulfiet adduct in bezit heeft gehad zonder de daarvoor vereiste vergunning, heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Feiten 1 en 2:

Naar de mening van de verdediging kan verdachte niet beschouwd worden als marktdeelnemer in de zin van artikel 2, aanhef en onderdeel a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren. De verdediging beroept zich op een uitspraak van deze rechtbank van 11 februari 2011, waarin is uitgemaakt dat voor het zijn van marktdeelnemer is vereist dat men betrokken is bij het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander dan wel bij handelingen met het oog op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander. Uit het dossier kan volgens de verdediging niet afgeleid worden dat verdachte handelingen heeft verricht ten aanzien van de stoffen BMK en BMK bisulfietadduct met het oog op het afleveren hiervan aan een ander.

De verdediging verzoekt dan ook verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2.

Feit 3:

De verdediging is van mening dat de betrokkenheid van verdachte bekeken moet worden. Daarbij is van belang of de in [lokatie 1] aangetroffen chemicaliën, grondstoffen en hardware gekoppeld kunnen worden aan verdachte, of hij deze zaken voorhanden heeft gehad en of sprake is van medeplegen.

Aanwezigheid bij het pand aan de [lokatie 1]:

Verdachte heeft niet ontkend wel eens bij dit pand te zijn geweest. Het is dan ook niet vreemd dat zijn witte Caddy daar op 16 oktober 2008 zou zijn gesignaleerd. Er zijn echter geen getuigen die verklaard hebben over specifieke handelingen of tijdstippen. Er kan dan ook niet geconcludeerd worden tot enig strafbaar handelen door verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij dit pand had onderverhuurd aan Russen. Zijn verklaring dat er Russen in het spel waren wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [mededader 1] en de vaststelling van het NFI dat de aangetroffen BMK bisulfiet adduct vermoedelijk afkomstig is uit Rusland.

Het overige dat medeverdachte [mededader 1] heeft verklaard wordt door de verdediging als onbetrouwbaar bestempeld. Bovendien is de verklaring van medeverdachte [mededader 1] de enige verklaring, waarin verdachte als hoofdverantwoordelijke voor het pand wordt benoemd. Dit is maar één bron.

De Russen:

Naar aanleiding van de verklaring van verdachte is een tweetal Russen in Rusland gehoord. Naar de mening van de verdediging bevatten deze verklaringen vele tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Het lijkt er op dat men meer weet dan men los wil laten en dat men daarmee het een en ander te verbergen heeft.

Niet uitgesloten kan worden dat andere personen dan verdachte verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de aanwezigheid van strafbare goederen en stoffen in het pand. Verdachtes verklaring over de Russen kan niet als onaannemelijk worden bestempeld en wordt bovendien niet weersproken door de inhoud van het dossier.

DNA:

Het DNA van verdachte is volgens de verdediging niet aangetroffen op materiaal en goederen die in verband staan met de productie van drugs in het pand aan de [lokatie 1]. Het is mogelijk dat verdachte in het pand is geweest om huur te innen of om andere spullen uit te laden en dat daardoor zijn DNA in het pand is terechtgekomen. Deze alternatieve scenario’s kunnen volgens de verdediging niet worden uitgesloten.

Betrokkenheid bij het pand aan de [lokatie 2]:

Over de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij dit pand verklaart alleen medeverdachte [mededader 1]. Volgens deze medeverdachte zou verdachte het pand gehuurd hebben vanaf 1 juli 2008. Medeverdachte [mededader 1] heeft echter ook verklaard dat hij geen wetenschap had van enige directe of indirecte betrokkenheid van verdachte bij de loods.

Uit het dossier is niet concreet vast te stellen hoe lang de betreffende chemicaliën al in de loods hebben gestaan. Tevens is er geen getuige in het dossier te vinden, die kan verklaren dat er chemicaliën, stoffen, tonnen en ketels in de loods zijn gezet, wanneer dit gebeurd zou zijn en of dit door verdachte is gedaan.

Het enkel huren van het pand is naar de mening van de verdediging onvoldoende om strafbare betrokkenheid van verdachte aan te nemen.

Aangekochte goederen:

De in het dossier terug te vinden aankopen bij de verschillende bedrijven, zijn niet in verband te brengen met verdachte.

Gelet op genoemde punten dient verdachte ook van feit 3 vrijgesproken te worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemene inleiding

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 juni 2009 schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, te weten handelingen gericht op (onder meer) het vervaardigen, verkopen en uitvoeren van verdovende middelen (feit 3). Daarnaast wordt hem verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën door zonder vergunning BMK dan wel BMK bisulfiet adduct in zijn bezit te hebben (feiten 1 en 2). De verdenking jegens verdachte is ontstaan naar aanleiding van een brand [lokatie 1]okatie 1].

[lokatie 1]

Op zaterdag 18 oktober 2008, omstreeks 01.30 uur, kwam bij de gemeenschappelijke meldkamer een melding binnen dat er een brand was in een pand gelegen aan de

[lokatie 1]. Door de gearriveerde brandweer werd vervolgens een grote hoeveelheid chemische stoffen aangetroffen. Naar aanleiding hiervan hebben medewerkers van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna te noemen: LFO) en van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) het pand betreden. Aangetroffen werden laboratoriumgerelateerde materialen, laboratoriumopstellingen en een grote hoeveelheid chemicaliën. Op de benedenverdieping bevond zich een centrale hal (ruimte BB genoemd), waarvan een deel was ingericht als werkruimte. Er was een aparte ruimte (BL) gecreëerd door het plaatsen van houten wanden. Deze ruimte was ingericht als productielaboratorium.

Van de chemicaliën zijn monsters genomen en na analyse door het NFI is vastgesteld dat in de loods onder meer aanwezig waren de stoffen BMK, amfetamine, aceton, ether, N-formylamfetamine en BMK bisulfiet adduct. Door het NFI is bovendien melding gemaakt van een doek waarop cocaïne en een mengsel van aceton en ether zijn aangetroffen. Dit past bij het winnen van cocaïne uit een niet nader gedefinieerde grondstof.

In totaal is ongeveer 200 liter BMK als vloeistof aangetroffen. Als drijflaag is in totaal ongeveer 31 liter BMK aangetroffen. Voorts is er een hoeveelheid van ongeveer 480 kilogram BMK bisulfiet adduct aangetroffen. Gelet op de analyseresultaten van de onderzochte monsters is het naar de mening van het LFO zeer waarschijnlijk dat op deze locatie op zeer grote schaal BMK bisulfiet adduct, met behulp van de aangetroffen productieapparatuur en chemicaliën, werd omgezet naar BMK vloeistof. Voorts waren alle grondstoffen, chemicaliën en productiemiddelen op de locatie aanwezig om amfetamine te kunnen vervaardigen.

[lokatie 2]

In het pand aan de [lokatie 1] is een hoeveelheid documenten in beslag genomen. Bij deze documenten werd aangetroffen een nota betreffende de huur van een loods aan de [lokatie 2]. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek gedaan naar de loods aan de [lokatie 2]. Door een ambtenaar van de Fiod-Ecd is op 13 november 2008 waargenomen dat de loods vol stond met chemicaliën.

Medewerkers van het LFO hebben op 13 november 2008 het pand betreden en een onderzoek ingesteld. Door hen werden productiemiddelen en een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen. Door het NFI is vastgesteld dat het onder andere de stoffen cocaïne, aceton, MDMA, PMK, metylamine, methadon, BMK, broomsafrol en zwavelzuur betrof. Volgens het LFO was de loods in gebruik als opslagplaats van goederen en chemicaliën die deels speciaal gemaakt, bestemd en zeer geschikt zijn voor het grootschalig vervaardigen van amfetamine, MDMA en het bewerken c.q. terugwinnen van cocaïne.

4.3.2 Voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet (feit 3)

De rechtbank zal eerst de onder feit 3 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet bespreken.

De betrokkenheid van verdachte bij de loods aan [lokatie 1] in Breda

De loods [lokatie 1] is verhuurd aan het bedrijf Solvo B.V. Enig bestuurder van Solvo B.V. is [verhuur[verhuurder 2]. [verhuurder 2] heeft verklaard dat hij de loods aan [lokatie 1] heeft onderverhuurd aan verdachte. Ongeveer half augustus 2008 heeft hij verdachte de sleutels van het pand gegeven. Verdachte heeft bevestigd dat hij de loods aan [lokatie 1] heeft ondergehuurd van [verhuurder 2].

De politie heeft op 16 oktober 2008 twee witte bestelauto’s met respectievelijk het kenteken [ - - ] en het kenteken [ - - ] zien staan [lokatie 1]] Het kenteken [ - - ] is afgegeven aan [mededader 1]. Het kenteken [ - - ] is afgegeven voor een Volkswagen Caddy. De Volkswagen Caddy stond op 16 oktober 2008 op naam van verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte en [mededader 1] op 16 oktober 2008 bij de loods aan [lokatie 1] zijn geweest.

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij activiteiten gerelateerd aan verdovende middelen in de loods aan [lokatie 1]. Volgens verdachte heeft hij de loods meteen doorverhuurd aan een aantal Russen. Hierna heeft hij geen bemoeienis meer gehad met de loods. Na de onderverhuur is hij maar twee keer bij de loods aan [lokatie 1] geweest. De eerste keer was met de onderhuurder in september 2008 en de tweede keer was in oktober. Het zou daarom kunnen dat zijn auto daar op 16 oktober 2008 is gezien. De tweede keer is hij echter niet binnen geweest.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij na de onderverhuur aan Russen geen bemoeienis meer met de loods aan [lokatie 1] heeft gehad, nu deze verklaring wordt weersproken door de verklaring van [mededader 1] en de resultaten van het sporenonderzoek in de loods.

De verklaring van [mededader 1]

[mededader 1] heeft verklaard dat hij gedurende een periode van ongeveer vier of vijf weken na de zomervakantie voor verdachte heeft gewerkt[lokatie 1]] In de loods aan [lokatie 1] is een kasboek aangetroffen. Het kasboek beschrijft 36 uitgaven gedaan in de periode van 6 oktober 2008 tot en met 17 oktober 2008. [mededader 1] heeft verklaard dat in het kasboek de uitgaven zijn vermeld die hij voor verdachte heeft gedaan.

In de loods aan [lokatie 1] is een kassabon van Praxis te Breda betreffende de aankoop op 15 oktober 2008 van onder meer twee slangen (30 meter) voor een bedrag van € 89,32 aangetroffen. In het kasboek is een transactie bij Praxis voor ditzelfde bedrag vermeld met als datum eveneens 15 oktober 2008. Op camerabeelden van Praxis te Breda van deze datum is gezien dat [mededader 1] samen met een andere man richting de uitgang loopt. De andere man houdt twee om rollen om zijn arm. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat [mededader 1] samen met een andere man twee rollen slang heeft gekocht bij Praxis. In de centrale hal (BB) van de loods aan [lokatie 1] is een glazen kolom aangetroffen, waaromheen een rubberen slang was gewikkeld. De slang is soortgelijk aan de slang die op 15 oktober 2008 door verdachte is aangeschaft bij Praxis. De rechtbank leidt hieruit af dat één van deze rollen is gebruikt ten behoeve van een laboratoriumopstelling in de loods aan [lokatie 1].

[mededader 1] heeft voorts verklaard dat hij in de loods aan [lokatie 1] werkzaamheden voor een aantal Russen heeft verricht, omdat verdachte hem dit had gevraagd. Als deze Russen op de [lokatie 1], dan gingen ze naar boven waar verdachte zat. Dit is in tegenspraak met de verklaring van verdachte dat hij maar twee keer bij het [lokatie 1] is geweest en dat hij de tweede keer niet binnen is geweest. Ten aanzien van de werkzaamheden die hij voor de Russen heeft verricht, heeft [mededader 1] verklaard dat hij voor de Russen onder meer glaswerk heeft schoongemaakt. Het glaswerk bestond uit glazen buizen en bochten die aan elkaar geschroefd waren.

De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van [mededader 1] niet betrouwbaar is, omdat [mededader 1] er belang bij zou hebben om anderen te belasten. De rechtbank stelt vast dat [mededader 1] in zijn verklaringen weliswaar anderen, waaronder verdachte, belast, maar dat hij ook voor zichzelf belastende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van [mededader 1] over het schoonmaken van glaswerk die hierboven is weergegeven. Ook met zijn verklaring dat hij gedurende vijf weken werkzaamheden in de loods aan [lokatie 1] heeft verricht, belast [mededader 1] zichzelf. Voorts heeft [mededader 1] verklaard dat hij in de loods een metalen rek om een glazen cilinder heeft gelast, zonder daarbij naar anderen te wijzen. De verklaring van [mededader 1] wordt bovendien ondersteund door de resultaten van het sporenonderzoek.

De resultaten van het sporenonderzoek

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van sporenmateriaal op voorwerpen die in de loods aan [lokatie 1] in beslag zijn genomen. Het NFI heeft sporen aangetroffen op de binnenzijde van drie volgelaatsmaskers (AAAP2155NL#1, AAAP2171NL#2 en AAAP2172NL#2), de binnenzijde van een halfgelaatsmasker (AAAP2176NL#1) en de binnenzijde van een rechter werkhandschoen (AAAQ1913NL#2). Van deze sporen werden volledige DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen individu een DNA-profiel bezit dat overeenkomt met het betreffende DNA-spoor is kleiner dan 1 op 1 miljard. Daarnaast is een spoor aangetroffen op de binnenzijde van een linker werkhandschoen (AAAQ1913NL#1). Van dit spoor werd een DNA-mengprofiel verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel zijn een onvolledig DNA-hoofdprofiel en DNA-nevenkenmerken van minimaal twee andere personen afgeleid. Het DNA-profiel van verdachte matcht met het afgeleide DNA-hoofdprofiel. De kans dat een willekeurig gekozen individu een DNA-profiel bezit dat overeenkomt met het betreffende DNA-spoor is ook in dit geval kleiner dan 1 op 1 miljard. Ten slotte zijn sporen aangetroffen op de buitenzijde van een latex handschoen (AAAQ1939NL#1) en een kopje (AAAP2167NL#1). Van deze sporen werden volledige DNA-profielen verkregen, die matchen met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen individu een DNA-profiel bezit dat overeenkomt met het betreffende DNA-spoor is respectievelijk ongeveer 1 op 3 miljoen (ten aanzien van de latex handschoen) en ongeveer 1 op 65 miljoen (ten aanzien van het kopje).

Het volgelaatsmasker (AAAP2155NL#1) is aangetroffen in de centrale hal (BB) op een rvs-ketel met vacuümpomp. De ketel was met een rubberen slang verbonden met een kolom in de laboratoriumruimte (BL). De andere volgelaatsmaskers (AAAP2171NL#2 en AAAP2172NL#2) en het halfgelaatsmasker (AAAP2176NL#1) zijn aangetroffen in een kartonnen doos op de werkbank in de centrale hal (BB). De werkhandschoenen (AAAQ1913NL#1 en AAAQ1913NL#2) lagen daarnaast. De latex handschoen (AAAQ1939NL#1) en het kopje (AAAP2167NL#1) zijn aangetroffen op een tafel in de laboratoriumruimte (BL).

Verdachte heeft verklaard dat hij een keer wat oude spullen uit zijn auto in de loods aan [lokatie 1] heeft achtergelaten. Het ging daarbij om spullen die hij had gebruikt bij het schilderen, waaronder werkhandschoenen en mogelijk ook gelaatsmaskers. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring. Verdachte heeft deze verklaring pas voor het eerst ter zitting afgelegd. Geconfronteerd met de bevindingen van het NFI heeft verdachte bij de politie slechts verklaard dat hij misschien wel eens iets heeft aangeraakt in de loods aan [lokatie 1]. Bovendien komt het de rechtbank niet aannemelijk voor dat verdachte dergelijke spullen heeft achtergelaten in de loods. Verdachte is sinds 1999 niet meer werkzaam als schilder. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard nog weleens een garage of iets dergelijks te schilderen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat daarbij volgelaatsmaskers worden gebruikt. Daarbij komt dat de verklaring van verdachte over het achterlaten van de spullen in de loods aan [lokatie 1] niet goed valt te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij de loods zelf niet gebruikt heeft, maar meteen heeft doorverhuurd aan de Russen.

Op grond van de conclusies van het NFI stelt de rechtbank vast dat verdachte de vier gelaatsmaskers en het paar werkhandschoenen heeft gedragen. Deze gelaatsmaskers en werkhandschoenen zijn in de nabijheid van de laboratoriumopstellingen en chemicaliën aangetroffen. Het gaat weliswaar om verplaatsbare voorwerpen, maar gelet op de hoeveelheid met verdachte in relatie gebrachte voorwerpen en de plaats in de loods waar deze zijn aangetroffen, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat verdachte de voorwerpen heeft gebruikt in de loods aan [lokatie 1]. Nu het gaat om gelaatsmaskers en werkhandschoenen staat voor de rechtbank daarmee tevens vast dat verdachte laboratoriumgerelateerde werkzaamheden heeft verricht in de loods aan [lokatie 1].

Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de [lokatie 1]

Na de brand zijn in de loods aan [lokatie 1] in Breda laboratoriumopstellingen en een grote hoeveelheid chemicaliën aangetroffen. Verdachte was onderhuurder van de loods. Uit de verklaring van [mededader 1] leidt de rechtbank af dat verdachte na de zomer van 2008 regelmatig in de loods is geweest, al dan niet samen met [mededader 1] en een aantal Russen. [mededader 1] heeft in de loods werkzaamheden verricht voor [verdachte] en spullen voor hem aangeschaft, waaronder een slang die is gebruikt in een laboratoriumopstelling. Voorts heeft [mededader 1] op verzoek van verdachte werkzaamheden verricht voor de Russen, waaronder het schoonmaken van glaswerk. Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte laboratoriumgerelateerde werkzaamheden heeft verricht in de loods aan [lokatie 1]. Nu de in de loods aangetroffen laboratoriumopstellingen en (een deel van) de chemicaliën werden gebruikt voor het omzetten van BMK bisulfiet adduct naar BMK vloeistof, neemt de rechtbank aan dat de laboratoriumgerelateerde werkzaamheden van verdachte hierop zagen.

De rechtbank acht het niet van belang of verdachte de loods heeft onderverhuurd aan een aantal Russen. Dit doet immers niet af aan de vaststelling van de rechtbank dat verdachte regelmatig in de loods is geweest, er in de loods werkzaamheden voor hem werden verricht door [mededader 1] en hij zich daar heeft beziggehouden met laboratoriumgerelateerde werkzaamheden.

De betrokkenheid van verdachte bij de loods [lokatie 2]

De loods [lokatie 2] werd gebruikt voor de opslag van productiemiddelen en chemicaliën bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en MDMA en het bewerken en/of terugwinnen van cocaïne. De politie heeft vastgesteld dat er overeenkomsten zijn tussen een aantal jerrycans en vaten met chemicaliën die zijn aangetroffen op de [lokatie 1] in Breda en een aantal jerrycans en vaten die zijn aangetroffen op de [lokatie 2]. In twee gevallen komen batchnummers overeen, in één geval komt het lotnummer overeen, in drie gevallen komen de etiketten overeen en in vijf gevallen komt het zogenoemde UN-nummer overeen. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat de loods [lokatie 2] is gebruikt als (extra) opslagruimte ten behoeve van de activiteiten in de loods aan [lokatie 1].

De loods aan de [lokatie 2] werd sinds 2005 gehuurd door [mededader 1]. Hij heeft de huur van de loods betaald tot en met de maand november 2008. [mededader 1] heeft verklaard dat verdachte de loods [lokatie 2] hem heeft ondergehuurd vanaf begin juli 2008. Verdachte zou de loods gaan gebruiken als opslagruimte.

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de loods [lokatie 2]. De rechtbank acht de verklaring van [mededader 1] over de onderverhuur aan verdachte echter geloofwaardig. De verklaring wordt ondersteund door het hierboven vastgestelde verband tussen de [alle twee de lokaties] inhoudende dat de loods [lokatie 2] werd gebruikt als opslagruimte ten behoeve van de activiteiten in de loods aan [lokatie 1]. Verdachte was onderhuurder van de loods aan [lokatie 1] en hield zich daar bezig met aan verdovende middelen gerelateerde activiteiten. Dat verdachte tevens de loods [lokatie 2] heeft ondergehuurd voor de opslag van in de loods aan [lokatie 1] gebruikte chemicaliën en apparatuur is hiermee in lijn. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat verdachte onderhuurder was van de loods [lokatie 2] en betrokken is geweest bij de opslag van de daar aangetroffen productiemiddelen en chemicaliën.

Conclusie ten aanzien van feit 3

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat verdachte, die onderhuurder was van de loods aan de [lokatie 1], in de periode voorafgaand aan de brand regelmatig in de loods is geweest en dat [mededader 1] daar werkzaamheden voor hem heeft verricht. Voorts is vastgesteld dat verdachte zich heeft beziggehouden met laboratoriumgerelateerde werkzaamheden die gericht waren op het omzetten van BMK bisulfiet adduct naar BMK vloeistof. BMK is een belangrijke grondstof voor amfetamine. Daarnaast heeft verdachte in juli 2008 de loods [lokatie 2] ondergehuurd en was hij betrokken bij de opslag van productiemiddelen en chemicaliën bestemd voor de vervaardiging van amfetamine en MDMA en het bewerken en/of terugwinnen van cocaïne in deze loods. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 juli 2008 tot en met 13 november 2008 (zijnde de datum van het onderzoek in de loods [lokatie 2]) samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

4.3.3 Handelen in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (feiten 1 en 2)

Marktdeelnemer

Door de verdediging is betoogd dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van de relevante regelgeving kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

In artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën is bepaald dat verboden is om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 3, lid 2, van de Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen Verordening nr. 273/2004).

Artikel 3, lid 2, van Verordening nr. 273/2004 houdt in dat marktdeelnemers alvorens zij geregistreerde stoffen van categorie 1 van bijlage I in hun bezit mogen houden of in de handel mogen brengen, zij een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning dienen te verkrijgen. Door de bevoegde instanties kunnen speciale vergunningen worden afgegeven aan apotheken, verkooppunten voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, bepaalde typen overheidsinstanties of aan de strijdkrachten. Dergelijke speciale vergunningen zijn enkel geldig voor het gebruik van precursoren op het gebied waarop betrokken marktdeelnemers hun officiële taken verrichten.

In artikel 3, lid 3, van Verordening nr. 273/2004 is bepaald dat marktdeelnemers met een vergunning als bedoeld in lid 2 geregistreerde stoffen van categorie 1 alleen leveren aan natuurlijke of rechtspersonen die zelf een dergelijke vergunning hebben en een afnemersverklaring hebben ondertekend. Ingevolge artikel 4, lid 1, van Verordening nr. 273/2004 vraagt iedere marktdeelnemer die aan een afnemer een geregistreerde stof van categorie 1 of 2 levert, aan de afnemer om een verklaring waarin de gebruiksdoeleinden van de geregistreerde stof worden gespecificeerd.

Uit artikel 2, onderdeel c, van de Verordening nr. 273/2004 volgt dat onder in de handel brengen wordt verstaan: elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen.

In artikel 2, onderdeel d, van de Verordening nr. 273/2004 is opgenomen dat als marktdeelnemer wordt aangemerkt elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte betrokken is geweest bij de levering van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap dan wel bij handelingen als in de vorige alinea genoemd met het oog op levering daarvan in de Gemeenschap.

Bij de beantwoording van deze vraag speelt, naast de inhoud van de hierboven weergegeven bepalingen, het volgende een rol.

In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 779, nr. 5) is overwogen dat deze wet, anders dan de Opiumwet, niet ziet op verboden (eind)producten (zoals drugs of psychotrope stoffen), maar op grondstoffen. De regulering van de fabricage en de verhandeling ervan maakt het mogelijk om in te grijpen voordat het komt tot misbruik van deze grondstoffen. De handel van de met een vergunning vervaardigde stoffen wordt gereguleerd in de zin dat zij niet aan iedereen mogen worden verhandeld en dat transacties met betrekking tot deze stoffen behoorlijk moeten worden gedocumenteerd.

Daarnaast wordt in de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 329, nr. 3) aangegeven dat een systeem vereist is dat toezicht houdt op de internationale handel in drugsprecursoren. Dit systeem moet ervoor zorgen dat de stoffen die nodig zijn om verdovende middelen en psychotrope stoffen te vervaardigen niet in handen komen van personen die zich bezighouden met de (illegale) productie hiervan. Deze grondstoffen kunnen ook voor talloze legale doeleinden gebruikt worden en de handel in deze stoffen is in beginsel legaal, zodat toegang tot deze stoffen niet algemeen kan worden verboden. Er moeten derhalve maatregelen worden genomen om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds de wens om te voorkomen dat drugsprecursoren in handen komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het streven om te voorzien in de commerciële behoeften van de chemische bedrijfstak.

In de preambule van de Verordening nr. 273/2004 wordt kort het systeem van toezicht geschetst. Zo is aangegeven dat er voor de vervaardiging of het gebruik van bepaalde in bijlage I genoemde geregistreerde stoffen een vergunning nodig is. Daarnaast mag de levering van deze stoffen alleen worden toegestaan aan afnemers die een vergunning hebben en een afnemersverklaring hebben ondertekend. Voorts moeten maatregelen worden genomen om de marktdeelnemers te stimuleren om de bevoegde instanties in kennis te stellen van verdachte transacties met de in bijlage I genoemde stoffen. Alle transacties die ertoe leiden dat geregistreerde stoffen van categorie 1 of 2 van bijlage I in de handel worden gebracht moeten goed gedocumenteerd zijn. Uitgangspunt daarbij is dat naarmate een stof in de genoemde bijlage I valt in een categorie die een groter risico op misbruik in zich draagt, er meer voorschriften gelden ten aanzien van de vervaardiging en het in de handel brengen van de desbetreffende geregistreerde stof.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat met het in de Verordening nr. 273/2004 genoemde betrokken zijn bij de levering van geregistreerde stoffen wordt gedoeld op zowel degene die levert als op degene die de stof in ontvangst neemt. De rechtbank leest hier niet in dat de ontvanger slechts als marktdeelnemer wordt aangemerkt indien deze de geregistreerde stof in ontvangst neemt met als doel om deze door te leveren aan (een) ander(en). Gelet op artikel 3, lid 3, van Verordening nr. 273/2004 dienen ook afnemers over een vergunning te beschikken, terwijl ingevolge artikel 3, lid 2, van deze regeling vergunningen (uitsluitend) worden afgegeven aan marktdeelnemers. In het systeem van Verordening nr. 273/2004 worden dus ook afnemers als marktdeelnemers aangemerkt. Dat afnemers ook (eind)gebruikers van geregistreerde stoffen kunnen zijn, leidt de rechtbank af uit het feit dat zij ingevolge artikel 4, lid 1, van Verordening nr. 273/2004 over een verklaring dienen te beschikken waarin de gebruiksdoeleinden van de aan hen geleverde geregistreerde stof worden gespecificeerd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat ook degene die de geregistreerde stof in ontvangst neemt en ten doel heeft deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen, of daartoe op een later moment besluit, als marktdeelnemer kan worden aangemerkt. Dat de marktdeelnemer, die beoogt met de geregistreerde stof verdovende middelen te vervaardigen en dit al dan niet daadwerkelijk doet, met zijn handelen tevens onder het bereik van de Opiumwet kan vallen, doet daaraan niet af.

Geregistreerde stoffen

De rechtbank stelt vast dat BMK een stof is die genoemd wordt in genoemde categorie 1 van bijlage I van de Verordening nr. 273/2004.

BMK bisulfiet adduct wordt niet genoemd in voornoemde bijlage I. Uit artikel 2, onderdeel a, van de Verordening nr. 273/2004 volgt echter dat als geregistreerde stof tevens worden aangemerkt mengsels en andere preparaten die geregistreerde stoffen bevatten die zodanig zijn vermengd dat ze gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft gerapporteerd dat het mogelijk is om BMK bisulfiet om te zetten in BMK en dat het voorts mogelijk is om BMK weer om te zetten in BMK bisulfiet. Het omzettingsproces is eenvoudig en vereist geen specifieke (chemische) kennis.

Door een bepaalde hoeveelheid base (bijvoorbeeld natriumcarbonaat en natriumhydroxide) of een zuur (zoals zoutzuur) aan een waterige oplossing van het BMK bisulfiet adduct toe te voegen wordt het vrij aanwezige alkali sulfiet geneutraliseerd dan wel kapotgemaakt waarbij BMK gevormd wordt. Om deze omzetting tot stand te brengen heeft men de volgende goederen en materialen nodig.

Ten eerste een vat waarin het BMK bisulfiet adduct en een alkalische oplossing gemend kunnen worden. Daarnaast is er materiaal nodig om de gevormde BMK laag af te scheiden van de waterige vloeistof zoals een scheitrechter of vergelijkbaar systeem, een apparaat waarmee de BMK laag afgezogen kan worden of een opstelling waarmee de BMK door destillatie of bevriezing van het waterige afval gescheiden kan worden.

De rechtbank concludeert hieruit dat BMK bisulfiet adduct een mengsel is dat de geregistreerde stof BMK bevat welke laatste gemakkelijk en met eenvoudige middelen uit BMK bisulfiet kan worden geëxtraheerd.

Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de feiten 1 en 2.

Bij de bespreking van feit 3 heeft de rechtbank vastgesteld dat in de loods aan [lokatie 1] in Breda onder meer BMK en BMK bisulfiet adduct zijn aangetroffen en dat daar BMK bisulfiet adduct werd omgezet in BMK. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte samen met [mededader 1] en de eerdergenoemde Russen BMK en BMK bisulfiet adduct in zijn bezit gehad. Dit zijn geregistreerde stoffen in de zin van Verordening nr. 273/2004. Gelet op de uitleg die de rechtbank hierboven aan het begrip marktdeelnemer heeft gegeven, kunnen ook verdachte en zijn mededaders als marktdeelnemer worden aangemerkt. Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn mededaders niet beschikten over de daarvoor op grond van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën vereiste vergunning. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met anderen als marktdeelnemer zonder vergunning de geregistreerde stoffen BMK en BMK bisulfiet adduct in zijn bezit heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

als marktdeelnemer, in de periode van 01 juli 2008 tot en met 18 oktober 2008 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten 1-Fenyl-2-propanon (BMK) (een hoeveelheid van circa 250 230 liter, zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit heeft gehad.

2.

als marktdeelnemer, op 18 oktober 2008 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten een stof (BMK

bisulfiet adduct) die gemakkelijk met eenvoudige middelen te extraheren is tot 1-Fenyl-2-propanon (BMK), zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit heeft gehad.

3.

de periode van 1 juli 2008 tot en met 13 november 2008 te Breda en Ooltgensplaat, gemeente Oostflakkee tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in

het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheiden

van een materiaal bevattende amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne, (elkens zijnde amfetamine en 3,4 Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en cocaïne een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- zich en ander(en) gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en een of meer van verdachtes mededaders wisten of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders telkens opzettelijk daartoe een,

loods gehuurd en ter beschikking gehad grote hoeveelheiden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad en, onderdelen van een productieopstelling voorhanden

gehad en een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele bewezenverklaring kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Er was sprake van een professionele werkwijze die onder andere bleek uit de aanwezigheid van twee locaties en uit de grote hoeveelheid daar aangetroffen chemicaliën en apparatuur. Verdachte wist dat deze bestemd waren voor de productie van synthetische drugs.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten ernstig.

De productie van en handel in synthetische harddrugs dient krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid. Het gebruik van deze harddrugs brengt immers gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van synthetische harddrugs gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van vrijkomende chemische afvalstoffen en ontploffingsgevaar Dat dit een reëel gevaar is blijkt wel uit het feit dat deze zaak aan het licht is gekomen vanwege een brand in het pand [lokatie 1]. Hierbij is een brandweerman gewond geraakt.

Verdachte heeft voorts samen met anderen grote hoeveelheden van de stoffen BMK en BMK bisulfiet adduct, zonder de verplichte vergunningen, voorhanden gehad. Daarmee heeft verdachte in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van eendaadse samenloop van deze feiten met de voorbereidingshandelingen zoals bewezen verklaard bij feit 3 en daarom zal zij de feiten 1 en 2 niet in strafverzwarende zin meenemen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich met deze criminele activiteiten heeft ingelaten, zonder acht te slaan op de mogelijke negatieve gevolgen voor anderen.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft specifiek gekeken naar de rol die verdachte bij de afzonderlijke feiten heeft gespeeld. In vergelijking met medeverdachte [mededader 1] is verdachte gedurende een kortere periode betrokken geweest bij de locaties [lokatie 1] en [lokatie 2]. Daartegenover staat dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank een andere, meer directe rol heeft gespeeld in relatie tot de aangetroffen laboratoriumopstellingen en chemicaliën dan medeverdachte [mededader 1]. De rechtbank zal daarom aan verdachte en [mededader 1] dezelfde straf opleggen. Gelet op de rol van verdachte en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 2 en 25 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feiten 1 en 2: telkens: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan en in eendaadse samenloop gepleegd met:

feit 3: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zichzelf en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

1 1.00 STK Krant

krantenknipsel melding bij brand in Breda lab

2 1.00 STK Pas

RABOBANK

bankmapje met Rabo Europas 304652822 en visitekaartje

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Combee en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij, als marktdeelnemer, op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of

omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 9 juni 2009 te Breda,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de

Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten

1-Fenyl-2-propanon (BMK)(een hoeveelheid van circa 250 liter en/of circa 600

liter), zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn

bezit heeft gehad en/of in de handel heeft gebracht.

2.

hij, als marktdeelnemer, op of omstreeks 18 oktober 2008 te Breda, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, een

geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nummer

273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten een stof (BMK

bisulfiet adduct) die gemakkelijk met eenvoudige en/of economisch rendabele

middelen te extraheren en/of te gebruiken is tot/als 1-Fenyl-2-propanon (BMK),

zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit

heeft gehad en/of in de handel heeft gebracht.

3.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de

periode van 01 januari 2005 tot en met 30 juni 2006 te Breda en/of

Ooltgensplaat, gemeente Oostflakkee en/of Rotterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken

en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen

van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of

3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne, (telkens) zijnde

amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne

(een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te

bereiden en/of te bevorderen (telkens)

- een ander tracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen,

mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn of om

daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot

het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

opzettelijk daartoe meermalen, althans eenmaal,

-(op zijn (bedrijfs)naam en/of op de (bedrijfs)naam van zijn, verdachtes,

mededader(s)) meerdere, althans een, pand(en) en/of meerdere, althans een,

loods(en) gehuurd en/of verhuurd en/of ter beschikking gehad en/of ter

beschikking gesteld,

-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad

en/of

-meerdere, althans een, onderde(e)l(en) van een productieopstelling voorhanden

gehad en/of

-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden besteld en/of

gekocht en/of voorhanden gehad en/of bemiddeld in de (ver)koop

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode

van 01 juli 2006 tot en met 9 juni 2009 te Breda en/of Ooltgensplaat, gemeente

Oostflakkee en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in

het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en)

van een materiaal bevattende amfetamine en/of

3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne, (telkens) zijnde

amfetamine en/of 3,4-Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) en/of cocaïne (een)

middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te

bereiden en/of te bevorderen (telkens)

- een ander tracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen,

mede te plegen of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn of om

daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot

het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

opzettelijk daartoe meermalen, althans eenmaal,

-(op zijn (bedrijfs)naam en/of op de (bedrijfs)naam van zijn, verdachtes,

mededader(s)) meerdere, althans een, pand(en) en/of meerdere, althans een,

loods(en) gehuurd en/of verhuurd en/of ter beschikking gehad en/of ter

beschikking gesteld,

-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad

en/of

-meerdere, althans een, onderde(e)l(en) van een productieopstelling voorhanden

gehad en/of

-(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden besteld en/of

gekocht en/of voorhanden gehad en/of bemiddeld in de (ver)koop