Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ0787

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
233447 HA RK 11-65
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in strafzaak met parketnummer 02/811747-09 toegewezen. De wrakingskamer van de rechtbank Breda heeft het wrakingsverzoek van raadsman J. Dionisius in de strafzaak rond de dood van een baby, genaamd Sky, toegewezen. Dionisius wraakte de drie behandelend rechters afgelopen dinsdag 5 april tijdens de zitting, omdat ze weigerden om R. Bilo als getuige te horen. De wrakingskamer vindt de vrees bij de verdachte en zijn raadsman voor partijdigheid van de rechters in dit geval begrijpelijk. De rechters hebben onvoldoende gemotiveerd waarom ze zijn teruggekomen op een eerdere beslissing om de heer Bilo wel te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Wrakingskamer

Zaaknummer 233447 HA RK 11-65

Beslissing op het verzoek tot wraking ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering van

[verdachte],

gedetineerd te Maastricht,

verder te noemen verzoeker,

advocaat mr. J.C.B. Dionisius

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige strafkamer van 5 april 2011, onder meer vermeldende het op deze zitting gedane verzoek tot wraking van die kamer, en

- de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 5 april 2011, waarbij zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door mr. Dionisius, voornoemd, mrs. H.A. van Gameren J.H.M. van Oijen en E.M.D.M. van der Linden, allen deel uitmakende van de meervoudige strafkamer, en mr. C.M. Breman, officier van justitie.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van de hiervoor genoemde leden van de meervoudige strafkamer, belast met de behandeling van de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer 02/811747-09.

De meervoudige strafkamer, verder te noemen de strafkamer, berust niet in het verzoek tot wraking.

3. De wrakingsgronden

Verzoeker wordt door officier van justitie vervolgd ter zake van doodslag, subsidiair zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend.

Nadat een eerder ter terechtzitting van de strafkamer van 18 februari 2011 namens verzoeker gedaan wrakingsverzoek door de wrakingskamer bij beslissing van 17 maart 2011 is afgewezen, heeft de strafkamer (in een, wat betreft mr. Van der Linden, gewijzigde samenstelling) de behandeling van de zaak op de zitting van 5 april 2011 hervat.

Blijkens het ter zake van die zitting opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker gepersisteerd bij zijn verzoek om dr. Bilo, opsteller van het autopsierapport, niet alleen als getuige-deskundige, maar tevens als getuige à decharge te horen, dit laatste over zijn rol in het opsporingsonderzoek en met name over zijn rol bij de verhoren van verzoeker.

Omdat dr. Bilo vanwege gezondheidsreden niet ter zitting is kunnen verschijnen, heeft de verdediging van verzoeker om aanhouding van de behandeling verzocht om Bilo alsnog als getuige(-deskundige) ter zitting te kunnen horen.

De strafkamer heeft hierop (bij monde van haar voorzitter) dit verzoek afgewezen. Ter zake daarvan is in het proces-verbaal het volgende opgenomen:

“In het proces- verbaal van de zitting van 25 november 2010 is de situatie rond dr. Bilo besproken. Hij is overspannen. Er is toen accoord gegaan met een vervanger met betrekking tot de medische aspecten. De rechtbank heeft toen bepaald dat, mocht dr. Bilo niet kunnen komen, een andere collega ter zitting zou worden gehoord. Indien een ander het rapport zou hebben opgemaakt, dan zou die ander en eventueel dr. Bilo ter zitting worden gehoord. Dr. Bilo zou dan de niet-medische aspecten kunnen beantwoorden.

Over het niet medische deel heeft de officier van justitie gemeend contact te moeten opnemen met dr. Bilo. Dr. Bilo heeft zijn rol in de opsporingsfase aangegeven. De rechtbank heeft vervolgens een afweging gemaakt. Enerzijds is er gekeken naar de voortgang van de zaak (waarbij uitdrukkelijk is gekeken naar het belang van verdachte bij een inhoudelijke behandeling), anderzijds is gekeken naar het belang van het horen van dr. Bilo, daar waar het gaat om zijn vermeende rol in de onderzoeksfase. Bij die afweging heeft de rechtbank de brief van dr. Bilo van 1 april 2011 betrokken, waarin hij aangeeft op welke wijze hij bij de zaak betrokken is geweest.”

en

“De rechtbank is van oordeel dat dr. Bilo geen getuige à decharge is, maar een getuige-deskundige. Dat is een andere kwalificatie. De gang van zaken is al geschetst. Op 25 november 2010 is geconstateerd dat dr. Bilo overspannen is. De rechtbank heeft toen vastgesteld dat er een rapport moest komen van dr. Bilo of van een vervanger. Dit gold zowel voor het rapport als voor de zitting. Als datum waarop het rapport gereed moest zijn, is toen 1 februari 2011 bepaald. Op 18 februari 2011 is gebleken dat het rapport nog niet gereed was. Dr. Bilo was er toen wel mee bezig en het rapport zou op korte termijn worden afgerond. Daarmee is de rechtbank accoord gegaan. Vervolgens is meegedeeld dat dr. Bilo niet ter zitting kon verschijnen. De rechtsbank is toen teruggevallen op wat eerder was bepaald ter zitting van 25 november 2010. De rechtbank heeft steeds deze lijn aangehouden. Het is onduidelijk wanneer het herstel van dr. Bilo te verwachten is. Het feit dat dr. Bilo zelf de zaak had willen afmaken, zegt iets over zijn betrokkenheid, maar daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om op haar beslissing terug te komen.”

Verzoeker heeft hierop de strafkamer doen wraken, waartoe het volgende is aangevoerd.

Volgens verzoeker bestaat er een objectieve vrees dat de strafkamer vooringenomen is.

Dr. Bilo is een cruciale getuige, die vanaf het begin bij het onderzoek betrokken is geweest

Eerder is geconcludeerd dat een opsteller van het rapport kon worden gehoord. Volgens de strafkamer kan dr. Bilo niet worden gehoord door de rechter-commissaris in verband met het onmiddellijkheidsbeginsel. De strafkamer verlaat de ingezette koers en het is in strijd met de belangen van de verdediging als dr. Bilo niet over niet-medische aspecten kan worden gehoord. Het tijdsaspect is ondergeschikt aan de waarheidsvinding. De rechtbank had als termijn voor het gereed komen van het rapport 1 februari 2011 gesteld. Nu bleek het rapport pas gereed te zijn in maart 2011. Dit was kennelijk geen probleem. Het tijdsaspect is echter nu wel een belemmering om dr. Bilo alsnog te horen. De officier van justitie heeft meegedeeld dat dr. Bilo slechts één zitting per maand mag bijwonen, maar noch zij, noch de strafkamer heeft iets ondernomen om informatie verkrijgen wanneer hij wel beschikbaar zou kunnen zijn.

Daarnaast doet verzoeker aanvoeren dat officier van justitie, geheel buiten verzoeker om, aan dr. Bilo een brief heeft gestuurd met vragen over zijn rol in het opsporingsonderzoek, waarop dr. Bilo heeft geantwoord. Deze gang van zaken is in strijd met de beginselen van een behoorlijk strafproces. Niettemin heeft de strafkamer dit gebillijkt.

Deze omstandigheden zijn voldoende grond voor een geslaagde wraking en dit zeker cumulatief bezien met de gronden, zoals aan het eerdere wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd.

4. Het standpunt van de strafkamer

De strafkamer acht voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de volgende omstandigheden van belang.

- Ter zitting van 25 november 2010 is gebleken dat dr. Bilo overspannen is.

- Het genoot de voorkeur dat de in de zaak uit te brengen rapportage zou plaatsvinden door dr. Bilo en, indien dit niet mogelijk zou zijn, door een ander, die dan ook als getuige-deskundige ter zitting zou moeten verschijnen.

- Het tijdstip van 1 februari 2011 waarop de rapportage zou moeten worden uitgebracht is als controlemoment ingebouwd.

- Ter zitting van 18 februari 2011 bleek dat het rapport nog niet gereed was, maar dat het rapport van de hand dr. Bilo op korte termijn te verwachten was. De strafkamer heeft hiermee ingestemd.

- De officier van justitie heeft vervolgens meegedeeld dat dr. Bilo niet ter zitting van

5 april 2011 kon verschijnen. De strafkamer is toen teruggevallen op wat tijdens de zitting van 25 november 2010 is afgesproken, in die zin dat een ander dan Bilo ter zitting zou moeten verschijnen. Die ander is dr. Nijs, die ter zitting als getuige-deskundige ook aanwezig was.

- De strafkamer heeft al die tijd op deze lijn gezeten, omdat niet duidelijk is op welke termijn herstel van Bilo valt te verwachten. Dat Bilo heeft aangegeven dat hij zelf de zaak zou willen doen, getuigt van betrokkenheid van zijn kant, maar is geen reden om op grond daarvan de zaak aan te houden.

Bij monde van haar voorzitter voert de strafkamer aan dat zij gelet op dit alles geen aanleiding heeft gezien terug te komen op de beslissing, die vrijwel aan het begin van de zitting is meegedeeld, om over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Aan die beslissing heeft de strafkamer de volgende afweging vooraf laten gaan. Enerzijds is gekeken naar de voortgang van de zaak (waarbij uitdrukkelijk in ogenschouw is genomen het belang van verzoeker bij een inhoudelijke behandeling), terwijl anderzijds is gekeken naar het belang van het horen van Bilo, daar waar het gaat om zijn vermeende rol in de onderzoeksfase. Bij die afweging heeft de strafkamer de brief van Bilo van 1 april 2011 (als antwoord op de bij brief van de officier van justitie gestelde vragen) betrokken, waarin hij aangeeft op welke wijze hij bij de zaak betrokken is geweest. Bovendien is er geen enkele garantie dat Bilo binnen afzienbare tijd ter zitting kan worden gehoord.

De strafkamer deelt verder niet het standpunt van verzoeker dat Bilo tevens als getuige à decharge moet worden aangemerkt. Bilo is uitsluitend als getuige-deskundige bij de zaak betrokken.

Voorts stelt de strafkamer dat de ingeslagen weg geen verrassing voor (de verdediging van) verzoeker kan zijn en zij verwijst daarvoor naar het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2010.

Ten aanzien het recente contact tussen de officier van justitie en Bilo voert de stafkamer aan dat de officier van justitie naar aanleiding van de faxbrief van 25 maart 2011 van de raadsman van verzoeker, die in kopie naar officier van justitie is verzonden, de strafkamer heeft meegedeeld, dat zij Bilo een brief had gestuurd om te vragen naar zijn betrokkenheid in het vooronderzoek. Deze mededeling heeft de strafkamer voor kennisgeving aangenomen en dat de officier van justitie de verdediging niet hierbij heeft betrokken, noch daarover heeft geïnformeerd, kan in het kader van het wrakingsverzoek niet aan haar, de strafkamer, worden tegengeworpen.

Evenmin kunnen volgens de strafkamer de bij het eerdere wrakingsverzoek aangevoerde voorvallen meewegen bij de beoordeling van het thans voorliggende verzoek. In de eerste plaats wordt gerefereerd aan beslissingen die voor het merendeel zijn genomen door een andere samenstelling van de strafkamer dan thans het geval is, terwijl voorts ten aanzien daarvan reeds is beslist in het kader van het eerdere wrakingsverzoek.

Volgens de strafkamer beroept verzoeker zich op een voor hem niet welgevallige processuele beslissing. Deze kan echter geen zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat strafkamer jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert en evenmin kan naar aanleiding van die beslissing worden gesteld dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De strafkamer verzoekt dan ook het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren.

5. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie deelt, samengevat, het standpunt van de strafkamer en concludeert dan ook tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

6. De beoordeling en de gronden daarvoor

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking, moet volgens vaste jurisprudentie voorop worden gesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Verzoeker doet zijn wrakingsverzoek steunen op de volgende gronden.

Volgens verzoeker heeft de strafkamer volstrekt ten onrechte het verzoek van de verdediging om dr. Bilo als getuige (à decharge) te horen en daartoe, nu deze niet ter terechtzitting is verschenen, de zitting te verdagen tot een zodanig tijdstip waarop het voor dr. Bilo mogelijk is te verschijnen, afgewezen.

Daarnaast heeft de strafkamer in haar afweging om tot die beslissing te komen betrokken de door de officier van justitie in strijd met de beginselen van een behoorlijk strafproces geheel buiten de verdediging om gevoerde correspondentie met dr. Bilo over zijn rol in het opsporingsonderzoek. De strafkamer heeft daarmee deze met een behoorlijke procesorde strijdige correspondentie gebillijkt.

Deze omstandigheden leveren volgens verzoeker elk voor zich, maar zeker cumulatief bezien met de gronden van zijn eerdere wrakingsverzoek meer dan voldoende reden voor een geslaagde wraking.

In dit laatste kan verzoeker niet worden gevolgd. Alle door hem aan zijn eerdere wrakings-verzoek ten grondslag gelegde redenen zijn immers bij beslissing van de wrakingskamer van 17 maart 2011 ongegrond bevonden en hebben ieder voor zich, noch in samenhang bezien, tot een gegronde wraking geleid. Deze kunnen dan ook niet in cumulatieve samenhang met de thans aangevoerde gronden worden bezien.

Met de verdediging van verzoeker moet, anders dan de strafkamer van mening is, echter worden vastgesteld, dat de door strafkamer ter zitting van 25 november 2010 gegeven beslissing met betrekking tot het horen van dr. Bilo als getuige-deskundige tevens behelst toewijzing van het toen gedane verzoek van de verdediging om hem mede als getuige te horen over wat zijn rol is geweest bij het opsporingsonderzoek, met name bij de verhoren van verzoeker.

Hetgeen daaromtrent in het betreffende proces-verbaal van die zitting is opgenomen, namelijk “Ingeval een ander dan Bilo het eerder genoemde rapport heeft opgemaakt, dient die ander als deskundige op zitting te verschijnen. Bilo kan dan worden gevraagd de overige –niet medische- vragen van de raadsman te beantwoorden”, laat daarover geen onduidelijkheid bestaan.

De thans door de strafkamer gegeven beslissing tot afwijzing van het verzoek van de verdediging om (de niet verschenen) dr. Bilo alsnog als getuige te horen en daartoe de (verdere) behandeling van de zaak aan te houden, verdraagt zich dan ook niet met die eerdere beslissing. De strafkamer komt daarmee in feite daarop terug. Naar het oordeel van de wrakingskamer is de motivering van de huidige beslissing onjuist en onbegrijpelijk. Die beslissing kan niet worden gedragen door de omstandigheid dat dr. Bilo vanwege gezondheidsredenen slechts in beperkte mate, slechts eenmaal per maand, op een zitting kan verschijnen en dat proceseconomische redenen zouden nopen tot een voortzetting van de inhoudelijke behandeling van de zaak zonder het horen van Bilo. Niet onderzocht is in hoeverre het mogelijk is Bilo de komende maanden alsnog te horen, hetzij ter zitting, hetzij bij de rechter-commissaris. De verwijzing naar het belang van verzoeker bij een spoedige afdoening van zijn strafzaak is niet terecht, nu verzoeker zelf heeft verzocht om aanhouding.

Deze omstandigheid maakt de bij verzoeker op grond daarvan postgevatte vrees van vooringenomenheid begrijpelijk. Dit wordt bovendien nog versterkt door de omstandigheid dat de strafkamer voor die beslissing gebruik heeft gemaakt van de door de officier van justitie met Bilo gevoerde correspondentie over zijn rol in het opsporingsonderzoek. Deze kan, gelet op de eenzijdigheid daarvan, - verzoeker is daar immers geheel buiten gelaten - niet anders worden beschouwd dan als strijdig met een behoorlijke procesvoering.

De wrakingskamer komt op grond hiervan tot de conclusie dat zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de strafkamer jegens hem een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.

Het wrakingsverzoek behoort dan ook te worden toegewezen.

7. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven op 7 april 2011 door mrs. Th. Peters, E.J.G. Eijssen-Vruwink,

M. Breeman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.E.A.M. Busio-Graaumans, griffier.