Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ0074

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
10 / 2957
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal daarom eerst nagaan of aan de eisen van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit artikel is namelijk bepaald dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn. Deze termijn begint te lopen op het moment waarop eiser bezwaar maakt tegen het primaire besluit.

Uit jurisprudentie van de ABRvS blijkt onder meer dat de bezwaarprocedure ten hoogste één jaar mag duren. De rechtbank stelt vast dat eiser op 6 november 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit van 8 juni 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van eiser. De bezwaarprocedure heeft dus zeven maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.

De rechtbank overweegt dat er ook recht op schadevergoeding kan bestaan, anders dan op grond van artikel 6 van het EVRM. Hiervan kan alleen sprake zijn als het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het beroep van eiser ongegrond zal worden verklaard. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 10 / 2957 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2010 (bestreden besluit), inzake de weigering van een gehandicaptenparkeerkaart.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 2011, waarbij aanwezig waren eiser en namens verweerder S. van der Meulen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 6 oktober 2009 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart als bestuurder. Verweerder heeft deze aanvraag op 9 oktober 2009 ontvangen.

Naar aanleiding van eisers aanvraag heeft verweerder aan M. Elings, arts, gevraagd om advies uit te brengen over eiser. Elings heeft haar bevindingen en conclusies neergelegd in een advies van 27 oktober 2009.

Bij besluit van 3 november 2009 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eiser niet voldoet aan het criterium om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het advies van Elings.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Naar aanleiding van eisers bezwaarschrift heeft verweerder een aanvullend advies gevraagd aan Elings. Elings heeft haar conclusies neergelegd in een advies van 30 mei 2010.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser voldoet aan alle voorwaarden die door verweerder zijn gesteld. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De inhoud en tijdstip van deze uitspraak zijn niet relevant voor eisers situatie.

2.3 Op grond van artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart onder meer in aanmerking komen:

a. bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;

d. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

2.4 De rechtbank stelt ten aanzien van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling het volgende vast.

Elings heeft in haar advies van 27 oktober 2009 geconcludeerd dat eiser meer dan 100 meter kan lopen bij gebruik van hulpmiddelen. Eiser heeft dit erkend in zijn bezwaarschrift van 6 november 2009 en dit (nogmaals) ter zitting bevestigd.

Dit betekent dat partijen het erover eens zijn dat eiser niet voldoet aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling.

Tussen partijen is alleen nog in geschil of eiser in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Dit artikel wordt in de diverse processtukken aangehaald als “de hardheidsclausule”.

Om op grond van dit artikel in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart moet er sprake zijn van ernstige beperkingen als gevolg van een aandoening of gebrek. Het mag daarbij niet gaan om loopbeperkingen.

Of er sprake is van ernstige beperkingen moet blijken uit het advies van de keuringsarts. Elings heeft in haar advies van 30 mei 2010 aangegeven dat er bij eiser sprake is van sociale factoren en de wens tot behoud van zelfstandigheid. Elings heeft geadviseerd dat eiser op grond van deze factoren in aanmerking zou moeten komen voor een gehandicaptenparkeerkaart.

De rechtbank is van oordeel dat sociale beperkingen zouden kunnen vallen onder het begrip “ernstige beperkingen” zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Uit jurisprudentie van de ABRvS blijkt namelijk dat de in dit artikel genoemde beperkingen niet alleen maar van lichamelijke aard hoeven te zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 juli 2003 met LJN: AI0530 en van 30 september 2009 met LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BJ8902" target="_blank">BJ8902</a>). De uitspraken van de ABRvS zijn relevant voor eisers procedure, omdat de ABRvS als hogere beroepsinstantie een uitleg geeft over hoe de Regeling moet worden opgevat.

Elings heeft ten aanzien van eisers sociale beperkingen verwezen naar haar advies van 27 oktober 2009. Elings heeft in dit advies aangegeven dat <i>“de problemen die betrokkene ervaart als fysiek sterk beperkte man van nog vrij jonge leeftijd in een revalidatieproces op locaties waarbij het lopen vanaf valide parkeerplaatsen erg ver is”</i> reëel zijn. Uit de adviezen van 27 oktober 2009 en 30 mei 2010 komt verder naar voren dat eiser zich te jong voelt voor een rollator of krukken en dat eiser veel moeite heeft om op zijn leeftijd al met een rollator de straat op te gaan. Andere sociale beperkingen komen niet uit de adviezen van Elings naar voren.

De rechtbank stelt vast dat Elings in haar advies van 30 mei 2010 heeft verwezen naar een protocol gehandicaptenparkeervoorzieningen (protocol), vastgesteld door het bestuur van de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen (VIA) in november 2008. Dit protocol van de VIA biedt richtlijnen voor de procedure van het onderzoek en het opstellen van een medisch advies door sociaal geneeskundigen van adviserende instanties. In het protocol staat dat sociale of sociaal-economische factoren een rol kunnen spelen bij de afgifte van een gehandicaptenparkeerkaart. Als voorbeeld wordt hierbij genoemd behoud van zelfstandigheid of werk.

De ABRvS heeft echter in zijn uitspraak van 30 september 2009 (LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BJ8902" target="_blank">BJ8902</a>) overwogen dat verweerder zich bij zijn beoordeling uitsluitend moet richten op de tekst van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Volgens de ABRvS moet verweerder zich niet richten op het protocol, omdat dit geen grondslag heeft in de regelgeving. De rechtbank overweegt daarbij dat het protocol alleen richtlijnen geeft aan de keuringsarts voor het opstellen van medische adviezen. Verweerder is dus alleen gehouden aan de tekst van de Regeling en niet aan de tekst van het protocol.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de adviezen van Elings niet gebleken dat er bij eiser sprake is van dusdanige ernstige (sociale) beperkingen op grond waarvan eiser in aanmerking zou kunnen komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij last heeft van een aandoening genaamd polyneuropathie. De rechtbank stelt vast dat deze aandoening niet wordt genoemd in de adviezen van Elings. Ook eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van ernstige (sociale) beperkingen die tot toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart zouden moeten leiden.

Dit betekent dat niet is gebleken dat eiser voldoet aan artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Verweerder heeft eisers aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart dan ook kunnen afwijzen. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

Eiser heeft ter zitting nog gevraagd om een schadevergoeding, omdat de procedure bij verweerder heel lang heeft geduurd.

De rechtbank zal daarom eerst nagaan of aan de eisen van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit artikel is namelijk bepaald dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn. Deze termijn begint te lopen op het moment waarop eiser bezwaar maakt tegen het primaire besluit.

Uit jurisprudentie van de ABRvS blijkt onder meer dat de bezwaarprocedure ten hoogste één jaar mag duren. De rechtbank stelt vast dat eiser op 6 november 2009 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit van 8 juni 2010 heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van eiser. De bezwaarprocedure heeft dus zeven maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.

De rechtbank overweegt dat er ook recht op schadevergoeding kan bestaan, anders dan op grond van artikel 6 van het EVRM. Hiervan kan alleen sprake zijn als het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het beroep van eiser ongegrond zal worden verklaard. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een schadevergoeding.

Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank evenmin aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om veroordeling tot betaling van schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. T. Peters, rechter, en door deze en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

De griffier,

De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2011.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: