Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP9090

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10/1374
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag loonheffingen restaurant met vergrijpboete. Bijtelling privégebruik auto terecht. Niet van belang daarbij is aan welke werknemer(s) de bedrijfsauto ter beschikking staat. Directe brutering en 25%-boete eveneens terecht. Het ontbreken van schriftelijke arbeidsovereenkomsten verhindert toepassing lage sectorpremie. Overgangsrecht maakt dit niet anders. Grove schuld op dit punt niet aan belanghebbende toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/26.18.19
FutD 2011-0750
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/1374

Uitspraakdatum: 4 maart 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht, verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 1 maart 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen (aanslagnummer [nummer]A.01.651.0) alsmede de bij beschikking opgelegde vergrijpboete van € 2.288.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigden], beiden adviseur te Maastricht, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. Gelijktijdig zijn de zaken met procedurenummers 10/1374 tot en met 10/1376 behandeld.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete;

-vermindert de boete tot een bedrag van € 1.070;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 365;

2.Gronden

2.1Belanghebbende drijft haar onderneming, restaurant/pizzeria, in de vorm van een besloten vennootschap. De statutaire zetel van de vennootschap is gelegen in de gemeente Maastricht. In het onderhavige jaar waren alle aandelen in belanghebbende in het bezit van de heer [directeur] die in het onderhavige jaar de functie van directeur van belanghebbende bekleedde.

2.2.Belanghebbende had in het onderhavige tijdvak naast de heer [directeur] nog meer personeelsleden in dienst. Belanghebbende heeft geen schriftelijke arbeidsovereenkomsten met haar werknemers gesloten.

2.3.In het onderhavige jaar beschikte belanghebbende over een personenauto waarvan alle kosten, lasten en afschrijvingen voor haar rekening zijn gekomen. Het betreft een Peugeot [X] met kenteken [kenteken]. De cataloguswaarde van de auto bedraagt € 26.879. De auto werd uitsluitend door haar personeelsleden gebruikt. Een rittenregistratie is niet bijgehouden. Bij geen van de personeelsleden is enig bedrag ter zake van privégebruik auto in aanmerking genomen.

2.4.Op 7 juli 2009 heeft de inspecteur een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de loonaangiften over het onderhavige tijdvak.

2.5.De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het controlerapport met dagtekening 31 juli 2009. De inspecteur heeft in zijn rapport het volgende met betrekking tot het onderhavige tijdvak geconcludeerd:

-bij sector 33 Horeca algemeen is ten onrechte het lage percentage gehanteerd;

-er heeft ten onrechte geen bijtelling ter zake van de ter beschikking gestelde auto plaatsgevonden.

Ter zake van deze constateringen heeft de inspecteur correcties toegepast en de vergrijpboete opgelegd.

2.6.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het hoge percentage voor de sectorpremie terecht toegepast?

2. Is de bijtelling ter zake van het privé-gebruik auto terecht toegepast?

3. Is de eindheffing op de bijtelling ter zake van het privé-gebruik auto terecht toegepast?

4. Is de vergrijpboete terecht opgelegd?

Met betrekking tot het eerste geschilpunt

2.7.1.Artikel 28 van de Wfsv in verbinding met artikel 2.3. van het Besluit Wfsv bepaalt, voor zover hier van belang:

“Artikel 28. Premiepercentage sectorfonds

1. Het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds wordt door het UWV vastgesteld op een percentage van het loon dat voor de categorieën van werkgevers en werknemers die behoren tot verschillende sectoren en sectoronderdelen als bedoeld in artikel 95 kan verschillen.

(…)

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.”

“Artikel 2.3. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages

(…)

2. De verschillende sectorpremiepercentages gelden voor:

a. werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:

1°. zij binnen een jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of

2°. de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke overeenkomst niet is vastgesteld; en

b. de overige werknemers.

Het gewogen gemiddelde van beide percentages bedraagt ten hoogste het lastenplafond.

(…)

5. Een afschrift van de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt door de werkgever in zijn loonadministratie opgenomen.

6. Indien voor het jaar 2006 verschillende sectorpremiepercentages zijn vastgesteld geldt het sectorpremiepercentage dat van toepassing is voor werknemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, niet voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan voor 1 januari 2006.”

In de Nota van Toelichting op het Besluit Wfsv is het volgende, voor zover hier van belang, opgenomen (Nota van Toelichting, Stb. 2005, 585, p. 17-18):

“Systematiek premiegroepen

De premies in de sectorfondsen worden gedifferentieerd naar de overeengekomen duur van het dienstverband. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van werknemers. Tot de eerste categorie worden werknemers gerekend die blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever. Voor deze werknemers betaalt de werkgever een lage premie. Tot de tweede categorie, waarvoor de hoge premie van toepassing is, behoren alle overige werknemers. Allereerst wordt dus gekeken naar de overeengekomen duur van het dienstverband. Indien dit een jaar of langer is, is de lage premie van toepassing.

(…)

De lage premie is ook niet van toepassing indien de omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke arbeidsovereenkomst niet of niet eenduidig is vastgelegd.

(…)

In de uitvoeringstoets wijst het UWV op het ontbreken van overgangsrecht. Hierin is alsnog voorzien. Achterliggende gedachte bij het gekozen overgangsrecht is dat het niet billijk zou zijn de hoge premie van toepassing te laten zijn op een arbeidsovereenkomst, indien de werkgever bij aanvang van die overeenkomst nog niet kon voorzien dat dit zou leiden tot een hoge premie. De hoge premie is daarom in 2006 niet van toepassing op kortdurende contracten die afgesloten zijn vóór 1 januari 2006.”

2.7.2.De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat een schriftelijke overeenkomst met de duur van ten minste een jaar een vereiste is voor het kunnen toepassen van het lage premiepercentage voor de sectorpremie. Nu vast staat dat belanghebbende geen schriftelijke arbeidsovereenkomsten met haar werknemers heeft gesloten en er enkel sprake is van mondelinge arbeidsovereenkomsten is de rechtbank van oordeel dat terecht het hoge premiepercentage voor de sectorpremie is toegepast. Dat de gemachtigde van belanghebbende niet op de hoogte was van het vereiste van de schriftelijke overeenkomsten doet aan het voorgaande niet af. Derhalve is het gelijk aan de zijde van de inspecteur. Het door belanghebbende gedane beroep op het overgangsrecht kan haar evenmin baten aangezien het overgangsrecht ziet op kortdurende contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2006. De rechtbank acht belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat daarvan hier sprake is; integendeel: belanghebbende stelt juist dat de mondelinge contracten langlopende overeenkomsten betreffen.

2.7.3.Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de wetgever niet mag eisen dat de overeenkomsten schriftelijk dienen te zijn voor het van toepassing zijn van het lage premiepercentage voor de sectorpremie overweegt de rechtbank als volgt. Het Besluit Wfsv is een nadere uitwerking van de Wfsv, een wet in formele zin en het Besluit Wfsv past binnen de kaders van de formele wet. De rechter is niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van formele wetgeving te toetsen.

Met betrekking tot het tweede geschilpunt

2.8.1.Indien ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt ingevolge artikel 13bis, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2006) het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat belanghebbende de auto ter beschikking heeft gesteld aan haar werknemer(s). Indien de inspecteur daarin slaagt, geldt ingevolge voornoemde bepaling het vermoeden dat die auto ook voor privédoeleinden ter beschikking stond. Dit vermoeden houdt stand tenzij belanghebbende doet blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden is aangewend.

2.8.2.Nu vaststaat dat alle kosten, lasten en afschrijvingen ter zake van de auto voor rekening van belanghebbende zijn gekomen en de auto uitsluitend door haar personeelsleden is gebruikt, acht de rechtbank de inspecteur erin geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende de auto ter beschikking heeft gesteld aan haar werknemer(s). De bewering van belanghebbende, wat daar ook van zij, dat de auto uitsluitend voor zakelijke ritten is gebruikt, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Aan beantwoording van de vraag aan welk personeelslid of welke personeelsleden de auto ter beschikking heeft gestaan, komt naar het oordeel van de rechtbank geen belang toe bij de beantwoording van de onderhavige vraag of de inspecteur terecht ter zake van het privégebruik auto bij belanghebbende heeft nageheven.

2.8.3.Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé doeleinden is gebruikt. Er is geen rittenregistratie bijgehouden en eveneens is er geen “Verklaring geen privégebruik auto” opgesteld. Derhalve is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.

Met betrekking tot het derde geschilpunt

2.9.Belanghebbende heeft gesteld dat in ieder geval de eindheffingsregeling ter zake van het privégebruik auto achterwege dient te blijven nu de mogelijkheid van verhaal op de directeur, enig aandeelhouder bestaat. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om geen eindheffing toe te passen in de zin van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) nog in de beroepsfase kan worden gedaan (vergelijk Hoge Raad 24 september 2004, nr. 39 303, LJN AO4778, gepubliceerd in BNB 2004/414). Nu belanghebbende stelt dat de auto wordt gebruikt door verschillende personeelsleden met wie mondeling arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan en zij niet vermeldt de mate waarin elk van de werknemers gebruik heeft gemaakt van de auto acht de rechtbank aannemelijk dat van meet af aan sprake is geweest van nettoloon zodat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat verhaal van de verschuldigde belasting tot de mogelijkheden behoort.

Met betrekking tot het vierde geschilpunt

2.10.1.De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de AWR, in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998) een vergrijpboete opgelegd van 25% (hierna: de boete). Op de inspecteur rust dan de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald.

2.10.2.De rechtbank acht de inspecteur met betrekking tot de opgelegde boete voor het lage premiepercentage voor de sectorpremie niet in zijn bewijslast geslaagd. Ter zitting heeft [gemachtigde] onweersproken verklaard dat hij wist dat er mondelinge overeenkomsten waren gesloten en hij niet naar schriftelijke overeenkomsten heeft gevraagd aangezien de werknemers reeds lange tijd, 10 tot 15 jaar, in dienst bij belanghebbende waren. [gemachtigde] ging er vanuit dat de mondelinge overeenkomsten voldoende waren voor het van toepassing zijn van het lage premiepercentage voor de sectorpremie. Dat de gemachtigde van belanghebbende zich op dit punt niet voldoende heeft verdiept in de geldende wettelijke regeling, dat voor toepassing van het lage premiepercentage voor de sectorpremie een schriftelijke arbeidsovereenkomst is vereist, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan belanghebbende toe te rekenen. Temeer nu in de aangifte loonheffingen wel de juiste risicopremiegroepcode (01 kort) is gehanteerd, maar er een lager percentage is toegepast dan het percentage dat bij de voormelde code behoord. Volgens vaste rechtspraak kan de desbetreffende boete derhalve niet in stand blijven.

2.10.3.Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende met betrekking tot de bijtelling privégebruik auto worden verweten dat zij zich niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd omtrent de geldende wettelijke regels ter zake. De wettelijke regels met betrekking tot de bijtelling van het privégebruik auto en met name de administratieve verplichtingen die in acht genomen moeten worden om de bijtelling te voorkomen acht de rechtbank dusdanig algemeen bekend van aard dat belanghebbende niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van haar kan worden gevergd. Belanghebbende heeft hiermee dermate lichtvaardig gehandeld, dat gesproken kan worden van grove onachtzaamheid. In zoverre heeft de inspecteur dan ook terecht de boete opgelegd.

2.11.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig omdat belanghebbende niet om vergoeding van zodanige kosten heeft verzocht voordat de inspecteur uitspraak deed op het bezwaar (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

De rechtbank beschouwt de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder procedurenummers 10/1374 tot en met 10/1376 als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op, afgerond € 1.093 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Nu in alle samenhangende zaken een vergoeding van de proceskosten is toegekend, wordt aan de onderhavige zaak een derde daarvan toegerekend zijnde, afgerond € 365.

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en door deze en mr. T.A. Mandemakers, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 maart 2011.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.