Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8892

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
211308 FA RK 09-4835
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

IPR: Intrekking rechtskeuze voor toepassing van Nederlands recht op verzoek tot echtscheiding gehonoreerd. Turks recht van toepassing op verdeling: financiële afrekening huwelijksvermogen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team familierecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 211308 FA RK 09-4835

beschikking betreffende echtscheiding,

in de zaak van

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.L. Marcus-Daniëls,

en

(naam), ook aangeduid als (naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.Ilkdogan.

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2010 en alle daarin vermelde stukken;

- het op 16 maart 2010 ontvangen aanvullend verzoekschrift;

- het op 3 juni 2010 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de op 13 juli 2010 ontvangen reactie op het zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de op 14 juli 2010 en 15 november 2010 ontvangen brieven van de advocaat van de vrouw met bijlagen;

- de op 15 november 2010 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 november 2010 en de ter gelegenheid van die zitting door de advocaat van de man overgelegde stukken;

- de op 30 december 2010 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met als bijlage een taxatierapport van de echtelijke woning;

- de op 5 januari 2011 ontvangen brief van de advocaat van de man met als bijlage een taxatierapport van de echtelijke woning.

2. De verzoeken

De man verzoekt, samengevat, naar de rechtbank begrijpt

- echtscheiding;

- vaststelling van de verdeling van de verwervingen;

De vrouw verzoekt, samengevat, naar de rechtbank begrijpt

- echtscheiding;

- vaststelling van de verdeling van de verwervingen;

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen redelijke onderhoudsbijdrage vast te stellen aan de hand van de welstand van partijen.

De rechtbank beschouwt het verzoek van de vrouw tot bepaling dat de man zijn jaaropgaaf 2009 en salarisstroken ter beschikking dient te stellen als ingetrokken nu de man inmiddels de benodigde financiële gegevens heeft overgelegd.

3. De nadere beoordeling

3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken vast

- dat zij op 22 juli 2002 in Turkije met elkaar zijn gehuwd;

- dat zij uit dit huwelijk geen minderjarige kinderen hebben;

- dat de vrouw de Turkse nationaliteit en de man de Turkse en Nederlandse nationaliteit bezit;

- dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.2 Bij voormelde beschikking is de man in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het toepasselijke recht. In voormeld aanvullend verzoekschrift heeft de man zulks gedaan.

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter

3.3 De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe aangezien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

Toepasselijk recht op het verzoek tot echtscheiding

3.4 Partijen verschillen van mening over de vraag welk recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek. De man heeft in eerste instantie in zijn aanvullend verzoekschrift gekozen voor het Nederlandse recht. De vrouw heeft ingestemd met deze keuze. Vervolgens heeft de man zijn keuze ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat Turks recht van toepassing is en dat er niet langer sprake is van een gezamenlijke rechtskeuze van partijen. Hij brengt in dit verband naar voren dat, in het geval in Turkije een echtscheidingsprocedure gevoerd zou worden, aan de orde zou komen dat de vrouw de man heeft verlaten en tijdens het huwelijk een relatie onderhield met een andere man. Een dergelijke omstandigheid heeft in Turkije tot gevolg dat de vrouw geen aanspraak kan maken op partneralimentatie en in haar eigen levensonderhoud moet voorzien. Om die reden is de man van mening dat ook op het echtscheidingsverzoek Turks recht moet worden toegepast. Bovendien zijn partijen in Turkije getrouwd, hebben zij beiden de Turkse nationaliteit en is op het verzoek tot verdeling ook Turks recht van toepassing, aldus de man.

3.5 De vrouw heeft in haar verweerschrift ingestemd met de aanvankelijke keuze van de man voor toepassing van Nederlands recht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij, in reactie op het gewijzigde standpunt van de man, aangevoerd dat per verzoek bezien dient te worden welk recht van toepassing is. De man heeft gekozen voor toepassing van Nederlands recht op het echtscheidingsverzoek, de vrouw heeft hem gevolgd in die keuze, en hierop kan hij later niet meer terugkomen.

3.6 De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1 lid 4 van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (WCE) biedt partijen de gelegenheid om te kiezen voor toepassing van Nederlands recht op de echtscheiding. De man heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid en de vrouw heeft ingestemd met zijn keuze. Indien een partij eenmaal conform art. 1 lid 4 WCE voor Nederlands recht heeft geopteerd, en de andere partij hem in die keuze heeft gevolgd, kan de eerste partij daarop later in de procedure niet meer terugkomen, als de processuele positie van die andere partij daardoor onredelijk zou worden bemoeilijkt. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat daar geen sprake van is en zij overweegt daartoe als volgt. Indien de wijziging van het standpunt van de man door de rechtbank gehonoreerd wordt, heeft dit tot gevolg dat er niet langer sprake is van een gezamenlijke rechtskeuze en dat derhalve niet meer op grond van artikel 1 lid 4 WCE het Nederlandse recht toegepast kan worden. In dat geval dient aan de hand van de tekst van de overig leden van voormeld artikel bepaald te worden welk recht toepasselijk is. De man heeft de Turkse en Nederlandse nationaliteit (sinds juni 1996) en de vrouw enkel de Turkse. In beginsel is dan op basis van artikel 1 lid 1 onder a WCE Turks recht van toepassing, als zijnde het gemeenschappelijke nationale recht van partijen. Indien echter een partij de nationaliteit van meer dan een land bezit, in dit geval de man, geldt als zijn nationale recht het recht van het land waarvan hij, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de sterkste band heeft (artikel 1 lid 3 WCE). De rechtbank gaat ervan uit dat dit Nederland is. De man is in Nederland geboren, hij heeft hier altijd gewoond en gewerkt en hij is voornemens om hier te blijven. Dit heeft tot gevolg dat partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, de vrouw is immers Turks. Op grond van artikel 1 lid 1 onder b is dan Nederlands recht toepasselijk, zijnde het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben.

Uit het voorgaande vloeit voort dat, zowel in het geval de gezamenlijke rechtskeuze in stand zou blijven, als in het geval dit niet langer zo zou zijn, Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. Het gegeven dat de man terug is gekomen op zijn in eerste instantie gedane rechtskeuze leidt derhalve niet tot een onredelijke bemoeilijking van de procespositie van de vrouw. De rechtbank zal de intrekking van de oorspronkelijke rechtskeuze van de man honoreren en op grond van voormeld artikel Nederlands recht toepassen op het verzoek tot echtscheiding.

Toepasselijke recht op het verzoek tot vaststelling partneralimentatie

3.7 De man heeft aangevoerd dat Turks recht van toepassing is nu de vrouw een buitenechtelijke relatie heeft gehad en op die grond in Turkije in het kader van een echtscheidingsprocedure geen aanspraak kan maken op alimentatie. De vrouw ontkent dat zij een dergelijke relatie heeft gehad en aldus ook in Turkije recht heeft op alimentatie. Over het recht dat toepasselijk is op het alimentatieverzoek heeft zij zich niet nader uitgelaten.

3.8 Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw is op grond van artikel 8 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 het Nederlands recht van toepassing nu dit recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek. Anders dan de man ziet de rechtbank in de door hem geschetste feiten en omstandigheden geen aanleiding om over te gaan tot toepassing van het Turkse recht en genoemde bepaling van het Haags Alimentatieverdrag buiten toepassing te laten.

Toepasselijke recht op het verzoek tot verdeling

3.9 Nu partijen vóór hun huwelijk geen rechtskeuze hebben gedaan, is op grond van artikel 4 lid 2 sub 2 onder a jo. art. 15 lid 1 sub 1 Wet Conflictenrecht Huwelijksvermogens-regime op het verzoek tot verdeling het Turkse recht van toepassing. Partijen hebben zich ook op dit standpunt gesteld.

3.10 Het verzoek tot echtscheiding ligt als op het toepasselijke recht gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.11 Partijen zijn verdeeld gebleven over

- de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw;

- de verdeling.

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

3.12 De vrouw ontvangt op dit moment een bijstandsuitkering. Tijdens de mondelinge

behandeling heeft de man zijn verweer dat de vrouw geen behoefte heeft niet langer gehandhaafd. Haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage staat daarmee vast. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw vastgesteld dient te worden aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. Eind 2009 zijn de man en de vrouw feitelijk uit elkaar gegaan. Met de man is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het gezinsinkomen becijferd moet worden aan de hand van de welstand van partijen in het laatste jaar van de samenleving. Anders dan de vrouw ziet de rechtbank in het gegeven dat de inkomsten uit overwerk over de jaren 2007 tot en met 2009 wisselden, geen aanleiding om het gezinsinkomen te baseren op het gemiddelde van de inkomsten in die jaren.

3.13 Het salaris van de man bedroeg blijkens de overgelegde jaaropgaaf € 35.282,=. De vrouw had geen inkomsten. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en de vrouw waarop de berekening van de behoefte van de vrouw kan worden gebaseerd heeft de rechtbank, uitgaande van voormeld bruto-inkomen, berekend op € 2.136,= per maand. Daarbij zijn de voordelen buiten beschouwing gelaten die voortvloeien uit de fiscale aftrek van de hypotheekrente. Voorts is een correctie toegepast ter zake de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering. In fiscaal opzicht is rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies, heffingskortingen (algemene heffingskorting van de man en de vrouw, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.

Het aandeel van de vrouw in genoemd netto gezinsinkomen bedraagt de helft van dit bedrag, zijnde € 1.068,=. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de behoefte van de vrouw berekent op € 1.282,= netto per maand. Deze behoefte zal de rechtbank indexeren overeenkomstig het indexeringspercentage van artikel 1:402a BW. Dit in aanmerking genomen, bepaalt de rechtbank de behoefte van de vrouw op, afgerond, € 1.323,= netto per maand.

Financiële draagkracht van de man

3.14 De man betwist de financiële draagkracht te bezitten tot betaling van enige bijdrage.

3.15 Voor de vaststelling van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

3.16 Partijen zijn het erover eens dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man de jaaropgaaf over 2009, waaruit een salaris blijkt van € 35.282,= bruto, tot uitgangspunt kan dienen.

3.17 In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde premies, hypotheekrente, een eigenwoningforfait van € 1.611,= (0,55% van een (niet betwiste) WOZ-waarde van € 293.000,=), heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Voorts is een correctie toegepast ter zake de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering.

3.18 Met betrekking tot zijn lasten en uitgaven gaat de rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis:

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende

alleenstaande, waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud moeten worden voldaan, exclusief de woonkostencomponent;

- € 875,= aan rente ter zake de hypothecaire lening betreffende de echtelijke woning;

- € 110,= aan premie levensverzekering (niet betwist);

- € 95,= (forfaitair) aan zakelijke lasten betreffende die woning;

- € 85,= aan ziektekosten:

- € 87,19 aan premie basisverzekering en € 27,98 aan premie aanvullende verzekering(en), na aftrek van de collectiviteitskorting conform de overgelegde zorgpolis;

- € 14,= aan verplicht eigen risico;

- te verminderen met € 44,= aan nominale premie omdat die reeds is begrepen in voormeld normbedrag.

Gebleken is dat de man, gelet op zijn inkomen, geen aanspraak kan maken op zorgtoeslag.

3.19 De man stelt dat er een tweetal leningen is afgesloten, zijnde een lening bij zijn familie

van thans nog € 10.000,=, en bij zijn werkgever van € 10.000,=. Hij heeft naar voren gebracht dat hij hierop in totaal € 250,= per maand aflost, per contante betaling. De vrouw betwist het bestaan van deze leningen. De rechtbank houdt geen rekening met de aflossing op enige schuld, nog daargelaten de vraag of de schulden bestaan, nu de man op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij daarop af moet lossen dan wel dat hij daarop daadwerkelijk aflost.

3.20 Voor het overige is niet gebleken van zodanige lasten dat daarmee in het bijzonder rekening moet worden gehouden.

3.21 Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig € 437,= bruto per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Die bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Financiële afrekening huwelijksvermogen

3.22 Partijen stellen zich niet langer op het standpunt dat sprake is van huwelijkse voorwaarden en verzoeken beide thans vaststelling van de verdeling van de verwervingen. Hiervoor is reeds overwogen dat Turks recht op deze verzoeken van toepassing is. De rechtbank neemt het volgende in aanmerking.

3.23 Per 1 januari 2002 is het (nieuwe) Turkse Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Dit wetboek kent als wettelijk huwelijksgoederenregime een zogenaamd deelgenootschap in vermogensopbouw. Dit wettelijke huwelijksgoederenregime houdt - kort weergegeven en voor zover thans relevant - het volgende in. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (art. 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.

Als verwervingen worden beschouwd de tijdens dit deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen, vervangende vermogensbestanddelen (art. 219 TBW).

Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangende vermogensbestanddelen (art. 220 TBW).

Het huwelijksgoederenregime eindigt op het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding aanvangt (art. 225 TBW).

Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Het persoonlijk vermogen wordt hierbij in beginsel niet betrokken.

2.24 De rechtbank overweegt dat ingevolge hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het Turkse recht, als peildatum voor het bepalen van de omvang van de verwervingen heeft te gelden het tijdstip van beëindiging van het huwelijksgoederenregime, zijnde het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding aanvangt. In casu is dit 11 november 2009. De bestanddelen die op dat moment tot de verwervingen behoren moeten ingevolge artikel 235 TBW worden gewaardeerd op het tijdstip van vereffening, dus de huidige waarde.

2.25 De man en de vrouw hebben als volgt deels overeenstemming bereikt.

De inboedel zal zonder verrekening aan de man toekomen. De door de vrouw gewenste kleding/ceyiz zal zij bij de man ophalen.

2.26 Partijen verschillen van mening over het volgende.

Echtelijke woning en hypotheekschuld

2.27 De man en de vrouw hebben de echtelijke woning en de hypothecaire lening in 2007 in mede-eigendom gekregen. Dit betekent dat zij in beginsel daarin een gelijk aandeel hebben. Op de mondelinge behandeling van 25 november 2010 zijn zij overeengekomen dat de woning getaxeerd zal worden, waarna de man zal bezien of hij in staat is de echtelijke woning tegen die waarde over te nemen. In het ontkennende geval zal de woning worden verkocht aan (een) derde(n). Tussen partijen staat vast dat de hypotheekschuld € 250.000,= bedraagt.

De vrouw heeft bij voornoemde brief ontvangen op 30 december 2010 het taxatierapport betreffende de woning in het geding gebracht. De marktwaarde is bepaald op € 265.000,=.

De man heeft bij voornoemde brief ontvangen op 5 januari 2010 eveneens het taxatierapport in het geding gebracht. Hij stelt zich op het standpunt dat hij bereid en in staat is de woning over te nemen tegen de daarin genoemde waarde onder de voorwaarde dat de vrouw haar aandeel levert in de schulden bij zijn werkgever en de familie van partijen.

2.28 De rechtbank neemt aan dat, gelet op de stellingen van de vrouw en hetgeen overwogen met betrekking tot de beweerdelijke schulden in r.o. 2.31 hierna, aan de door de man gestelde voorwaarde voor overname van de echtelijke woning, inhoudende dat de vrouw haar aandeel levert ten aanzien van de schulden bij de werkgever en de familie, niet zal worden voldaan.

2.29 Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking nemende hetgeen is vastgelegd in voornoemd proces-verbaal overweegt de rechtbank als volgt.

De woning staande en gelegen aan (straatnaam) te (plaatsnaam), alsmede de aan die woning gekoppelde hypotheek zal worden toebedeeld aan de man. Hij zal de vrouw in dit verband in het kader van overbedeling een bedrag van € 7.500,= vergoeden (de helft van

€ 265.000,= -/- € 250.000,=).

Indien de man er niet in slaagt de financiering rond te krijgen, een en ander binnen 4 weken na dagtekening van deze beschikking, of hij de vrouw binnen genoemde termijn laat weten de woning anderszins niet te willen overnemen, zal de woning worden verkocht aan een derde, waartoe partijen alsdan gezamenlijk een verkoopopdracht zullen geven aan een door hen in te schakelen makelaar. In dat geval zal, nu over de hoogte van de verkoopopbrengst van de woning nog geen duidelijkheid bestaat, de rechtbank de wijze van verdeling vaststellen als volgt. De verkoopopbrengst verminderd met de restant hypotheek per datum van de notariële levering van de woning aan de koper(s) en verminderd met de verkoopkosten die voor rekening van partijen komen, komt aan ieder van partijen voor de helft toe.

Schulden

2.30 De man heeft een verklaring in het geding gebracht d.d. 26 juni 2010 ondertekend door de heer en mevrouw (naam) inhoudende kort gezegd dat ter zake leningen ten behoeve van het huishouden van de man en de vrouw nog een bedrag van € 10.000,= open staat. Voorts heeft de man een verklaring in het geding gebracht d.d. 28 maart 2003 ondertekend door hemzelf en mevrouw (naam) inhoudende dat hij een bedrag van

€ 10.000,= heeft geleend van zijn werkgever, (bedrijfsnaam), ten behoeve van de aankoop van zijn woning. Hij stelt dat partijen ieder gehouden zijn de helft van genoemde schulden terug te betalen.

De vrouw betwist het bestaan van de door de man gestelde schulden en betwist dat zij daarvoor aansprakelijk is.

2.31 De rechtbank overweegt dat een schuld krachtens Turks huwelijksvermogensrecht toekomt aan de partij aan wiens zijde de schuld is opgekomen of voor wiens rekening de schuld komt. In het geval zou moeten worden geconcludeerd dat de door de man genoemde schulden bestaan – hetgeen de vrouw betwist – dan overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man genoemde schulden is aangegaan en dat de vrouw met het aangaan daarvan niks van doen heeft had. Ten aanzien van de schuld bij zijn werkgever heeft de man uitdrukkelijk gesteld dat hij deze privé is aangegaan en ten aanzien van de schulden bij zijn familie blijkt zulks voldoende uit de stellingen van partijen over en weer. Zo heeft de man ter zitting onder meer gesteld dat de vrouw niets heeft en dat hij schulden heeft. Voldoende aannemelijk is aldus geworden dat de man de schulden heeft gemaakt. Dit betekent dat deze behoren tot het persoonlijk vermogen van de man, zodat de vrouw aan hem niet de helft daarvan dient te vergoeden.

Het voorgaande betekent overigens dat in het midden kan blijven het antwoord op de vraag of de schulden al dan niet bestaan.

Goud

2.32 De vrouw verzoekt toedeling en afgifte van de gouden sieraden ter waarde van

€ 10.000,= aan haar, althans betaling van een bedrag van € 10.000,=. Het goud behoort, aldus de vrouw, tot haar persoonlijk vermogen. Het goud is opgeborgen in een kluis van de oom van de man. De man erkent dat de vrouw goud heeft ontvangen, maar betwist de door de vrouw gestelde waarde daarvan. Hij stelt voorts dat de vrouw in de loop der jaren het goud heeft ingewisseld en het geld heeft opgemaakt. Voor zover er nog goud aanwezig is, heeft de vrouw dit zelf en bevindt zich dit niet in een kluis.

2.33 De rechtbank stelt voorop dat de gouden sieraden conform Turks recht behoren tot het persoonlijk vermogen van de vrouw, zodat deze niet in de afrekening behoren te worden betrokken. Echter, niet is komen vast te staan dat het goud zich bij de man of in zijn invloedssfeer bevindt. Immers, die stelling is door de man gemotiveerd weersproken en de vrouw heeft daarvan geen bewijs aangeboden. Dit betekent dat niet kan worden bepaald dat de sieraden dienen te worden afgegeven en evenmin dat de man aan de vrouw dient te vergoeden het bedrag van € 10.000,=. De verzoeken dienen in zoverre te worden afgewezen.

Verrekenpost

2.34 De man verzoekt bepaling dat de vrouw de helft voldoet van de hypotheeklasten vanaf haar vertrek uit de echtelijke woning tot de datum van toescheiding van die woning aan hem, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. De vrouw betwist dit.

De rechtbank overweegt dat met de volledige hypotheeklasten aan de zijde van de man in de draagkrachtberekening hiervoor reeds rekening is gehouden, zodat het in strijd is met de redelijkheid indien het verzoek van de man over de periode vanaf deze beschikking tot overdracht van de woning aan hem cq een derde zou worden toegewezen. Voor wat betreft de periode vanaf het feitelijk uiteengaan tot de datum van deze beschikking overweegt de rechtbank dat het verzoek eveneens behoort te worden afgewezen, nu partijen nog steeds gehuwd waren en zij op grond van artikel 186 TBW de uitgaven van de huwelijkseenheid naar draagkracht dienden te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank behoort de betaling van hypotheekrente tot bedoelde uitgaven. Gelet op de draagkracht van partijen dienen deze uitgaven voor rekening van de man te blijven.

2.34 Al het voorgaande betekent dat met betrekking tot de verdeling/verrekening van het huwelijksvermogen wordt beslist als na te melden.

4. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 22 juli 2002 in Turkije met elkaar gehuwd;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling/verrekening van het huwelijksvermogen conform hetgeen overwogen in r.o. 2.29 (echtelijke woning en hypotheek);

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 437,= (vierhonderdzevenendertig euro) per maand;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: